Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5789

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2838
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. Militair invaliditeitspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.B. Knook),

en

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Engels Linssen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2011 (het primaire besluit), uitgereikt op 14 juni 2011, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een militair invaliditeitspensioen (MIP) afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het op 25 juli 2011 gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2018.

Eiser is verschenen, vergezeld door zijn vader en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is als dienstplichtig militair per [datum] 1995 in dienst gekomen en van 2 april 1996 tot 1 oktober 1996 uitgezonden geweest naar voormalig Joegoslavië (IFOR). Per 23 november 1996 is hij met groot verlof gegaan.

2. Eiser heeft bij brief van 18 mei 2010 ingekomen bij verweerder op 27 mei 2010 een verzoek om een MIP ingediend, aangezien hij lijdt aan psychische en lichamelijke klachten en door een psychiater en een psycholoog het vermoeden is uitgesproken dat eiser lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

3. In het kader van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in eiser onderzocht door de psychiater, [psychiater ], die op 25 maart 2011 rapport heeft uitgebracht. Van Weers komt tot de conclusie dat, er van uitgaande dat er bij eiser ten tijde van zijn uitzending geen risicofactoren bestonden voor het optreden van een PTSS, het onwaarschijnlijk is dat zich bij eiser ten gevolge van een enkelvoudig trauma een PTSS heeft ontwikkeld. Hij stelt de diagnose periodieke explosieve stoornis waarvoor geen oorzakelijk verband met de dienst aannemelijk is.

De verzekeringsarts, [verzekeringsarts], heeft deze conclusie in het op 12 april 2011 uitgebracht verzekeringsgeneeskundige rapport invaliditeitspensioen gevolgd. Hij beargumenteert dat eiser één incident heeft meegemaakt waarbij hij met de dood bedreigd is, hetgeen hij als schokkend, beangstigend bedreigend heeft ervaren. Daarmee is aan het A-criterium van het PTSS protocol wel voldaan. Er is echter geen sprake van herbeleven van de traumatische gebeurtenis, zodat niet voldaan is aan het B-criterium van het protocol. Evenmin is er aanhoudend vermijden van prikkels die aan het trauma gerelateerd zouden kunnen zijn, zodat het C-criterium ook niet aanwezig is. Er is geen sprake van verhoogd arousal of overmatige prikkelbaarheid; eiser heeft wel problemen met agressieregulatie maar in beperkte situaties, zodat ook criterium D niet van toepassing is. Hij stelt verder dat, hoewel de behandelaars bij eiser wel de diagnose PTSS met dienstverband hebben gesteld, deze zijns inziens niet genoeg is onderbouwd, gelet op het expertiserapport van Van Weers.

4. Verweerder heeft bij het primaire besluit, overeenkomstig het advies van de verzekeringsarts, geoordeeld dat ten aanzien van de bij eiser bestaande psychische stoornis geen dienstverband wordt aanvaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd, evenals hij in bezwaar had aangevoerd, dat inmiddels door verweerder bij besluit van 28 december 2015 aan eiser een invaliditeitspensioen is toegekend berekend naar een mate van invaliditeit van 33,33%.

Dit is gebaseerd op een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek invaliditeitspensioen, waarvan op 19 oktober 2015 rapport is uitgebracht. In het kader van dat rapport is eiser ook onderzocht door de psychiater [psychiater ], die op 18 september 2015 heeft gerapporteerd.

In dit besluit is vermeld dat de aandoening van psychische aard, waarvoor in 2011 dienstverband werd afgewezen, op grond van de nadere medische informatie niet meer aanwezig is dan wel ook destijds niet aanwezig is geweest.

Destijds is Van Weers afgeweken van de diagnose die door de behandelend sector is gesteld. Het Sinaï Centrum, GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] en de psychiater [psychiater ] hebben als hoofddiagnose chronische PTSS vastgesteld evenals GZ-psycholoog [GZ-psycholoog].

De verzekeringsarts heeft in het rapport vermeld: De keurend psychiater ([psychiater ]) komt tot een afgewogen conclusie dat er diagnostisch alleen sprake is van een chronische PTSS met verlaat begin. De diagnosen persoonlijkheidsstoornis, periodieke explosieve stoornis en ADHD worden allen beargumenteerd ontkracht.

Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat voor de psychische aandoening dienstverband wordt aanvaard en eiser een MIP zal worden toegekend met ingang van 18 mei 2010 dan wel 28 mei 2009.

6. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de motivering in het bestreden besluit, de inhoud van de rapportage verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 12 april 2011 en de ongedateerde reactie van de verzekeringsarts [verzekeringsarts] op de bezwaargronden (overgelegd als bijlage 7) op het standpunt dat de stelling van eiser dat Van Weers een foutieve diagnose heeft gesteld niet opgaat.

7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7.1

Zij stelt allereerst vast dat in de zaak sprake is van de bijzondere omstandigheid dat tussen het maken van bezwaar en de bekendmaking van het bestreden besluit een periode van bijna zes jaar is verstreken. Ter zitting hebben partijen verklaard dat het bezwaar, dat destijds namens eiser is ingediend door een andere gemachtigde en aanvankelijk onderdeel uitmaakte van een aantal zaken waarin een collectieve bezwaargrond zich richtte tegen het PTSS-protocol. De zaak is op enig moment kennelijk buiten het beeld van partijen geraakt, want op 12 januari 2015 heeft eiser zelfstandig opnieuw een aanvraag om een MIP ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 28 december 2015 gehonoreerd door toekenning van een MIP. Vervolgens zijn de gronden van het bezwaarschrift van 25 juli 2011 bij brief van 18 maart 2016 aangevuld door de huidige gemachtigde van eiser.

7.2.

Het B-criterium van de DSM IV TR houdt in dat de traumatische gebeurtenis voortdurend wordt herbeleefd op een of meer van de volgende manieren:

1) recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen, gedachten of waarnemingen;

2) recidiverend akelig dromen over de gebeurtenis;

3) handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt (hiertoe behoren ook het gevoel van het opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties en dissociatieve episodes met flashback, met inbegrip van die welke voorkomen bij het ontwaken of tijdens intoxicatie);

4) intens psychisch lijden bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken;

5) fysiologische reacties bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van een zorgvuldig tot stand gekomen rapportage van 12 april 2011 van de verzekeringsarts [verzekeringsarts], inzichtelijk en overtuigend heeft onderbouwd dat in 2010 en 2011, in afwijking van de informatie van de behandelend sector, bij eiser geen sprake was van een PTSS, omdat – onder meer – aan het B-criterium niet was voldaan en dat bij eiser sprake was van een periodieke explosieve stoornis. Daarmee is niet in strijd dat in 2015 wel werd vastgesteld dat aan het B-criterium was voldaan.

Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat op pagina 5 van het verzekeringsgeneeskundig rapport van 12 april 2011 bij de anamnese is vermeld: “Heeft vaak herinneringen aan Bosnië (pistool tegen voorhoofd, alles kapot geschoten), is onrustig en kan niet ontspannen.” Deze zin dient in de context van het gehele rapport te worden gelezen en in die context is hiermee is niet in strijd dat de verzekeringsarts op pagina 9 van het verzekeringsgeneeskundig rapport heeft geconcludeerd dat “er geen sprake [is] van een voortdurend herbeleven van de traumatische gebeurtenis.”

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het onderzoek dat in 2015 heeft plaatsgevonden niet is af te leiden dat Van Weers in 2011 een onjuiste diagnose heeft gesteld.

De opmerking van de verzekeringsarts [verzekeringsarts] in de rapportage verzekerings-geneeskundig onderzoek van 19 oktober 2015 dat de psychiater [psychiater ] tot de afgewogen conclusie komt dat er alleen sprake is van een chronisch PTSS met verlaat begin en dat de diagnosen persoonlijkheidsstoornis, periodieke explosieve stoornis en ADHD alle beargumenteerd worden ontkracht, mocht verweerder begrijpen zoals door [verzekeringsarts] is verklaard in zijn ongedateerde reactie op de bezwaargronden van eiser. Deze reactie houdt in dat er in 2011 onvoldoende aanknopingspunten waren om de diagnose PTSS te stellen, omdat destijds een andere psychiatrische aandoening was vastgesteld waaraan de impulscontroleproblematiek kon worden toegeschreven, namelijk een periodieke explosieve stoornis. Voorts houdt deze reactie in dat de stelling dat de verminderde impulscontrole een prodromaal verschijnsel zou kunnen zijn geweest van de later gediagnostiseerde PTSS een interpretatie achteraf is, die in 2011 zeker als prematuur zou worden aangemerkt.

7.4.

Het beroep is ongegrond.

7.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.