Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5758

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
C/09/540609 / HA ZA 17-1032
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Diverse vennootschappen hebben contracten afgesloten met NS Reizigers voor NS Business Cards. De met de NS Business Cards gemaakte reizen zijn nooit betaald. Bestuurders aansprakelijk voor bedrag openstaande rekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/540609 / HA ZA 17-1032

Vonnis van 16 mei 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS REIZIGERS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. I.M.G. Bakker te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. K. Renssen te Den Haag.

Eisende partij zal hierna NS Reizigers worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde sub 1 c.s.] worden genoemd en ieder afzonderlijk respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 september 2017;

  • -

    de akte aanvulling substantiëringsplicht- en bewijsaandraagplicht (op grond van artikel 111 lid 3 Rv);

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 10 januari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 april 2018, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

NS Reizigers biedt diverse producten aan, waaronder de NS Business Card, bestemd voor grootzakelijke bedrijven, ondernemers in het MKB en ZZP’ers. Met de NS Business Card kunnen door de bedrijven aangewezen natuurlijke personen met één kaart toegang krijgen tot al het openbaar vervoer. De betaling van de met de NS Business Card gemaakte reizen en het gebruik van overige diensten vindt maandelijks achteraf plaats.

2.2.

NS Reizigers heeft onder meer NS Business Cards uitgegeven op naam van de navolgende vennootschappen: [BV I] (hierna: [BV I] ), [BV II] (hierna: [BV II] ), [BV III] (hierna: [BV III] ), [BV IV] (hierna: [BV IV] ), [BV V] (hierna: [BV V] ), de vennootschap onder firma [VOF I] (hierna: [VOF I] ), de vennootschap onder firma [VOF II] (hierna: [VOF II] ), de vennootschap onder firma [VOF III] (hierna: [VOF III] ) en [BV VI] (hierna: [BV VI] ) (deze vennootschappen gezamenlijk hierna: de vennootschappen en de hiervoor genoemde besloten vennootschappen – [BV I] , [BV II] , [BV III] , [BV IV] , [BV V] en [BV VI] –: hierna de besloten vennootschappen)

2.3.

De onder 2.2. genoemde vennootschappen zijn inmiddels opgeheven dan wel ontbonden.

2.4.

[gedaagde sub 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [BV I] , [BV III] en [BV VI] .

2.5.

[gedaagde sub 1] is sinds 2010 gehuwd met [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] was enig aandeelhouder en bestuurder van [BV V] , [BV IV] en [BV II] .

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren beiden vennoot van [VOF I] . Ook waren zij allebei vennoot van [VOF II] .

2.6.

[gedaagde sub 1] was samen met de heer [A] (hierna: [A] ) vennoot van [VOF III] .

2.7.

De hiervoor genoemde vennootschappen zijn thans alle uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. In het onderstaande schema is per vennootschap weergegeven wanneer zij zijn opgericht, wanneer zij zijn ontbonden / opgeheven en hoeveel werkzame personen er geregistreerd stonden bij de Kamer van Koophandel.

Naam vennootschap

Datum oprichting

Datum opheffing / ontbinding

Werkzame personen

[VOF I]

5 november 2012

1 juli 2013

2

[VOF II] *

5 april 2013

1 juli 2013

2

[BV III]

12 augustus 2013

1 december 2013

1

[BV IV]

21 november 2013

1 maart 2014

1

[BV II]

24 april 2014

1 mei 2014

1

[BV V]

3 november 2014

1 maart 2015

1

[BV I]

2 maart 2015

1 november 2015

2

[VOF III]

6 juli 2015

1 januari 2016

2

[BV VI]

7 februari 2017

1 mei 2017

1

* [VOF II] is gestart als eenmanszaak van [gedaagde sub 1] , opgericht op 13 februari 2013. De eenmanszaak is per 5 april 2013 voortgezet als vennootschap onder firma.

2.8.

[gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] / [A] hebben als bestuurder van de respectieve vennootschap(pen) namens deze vennootschap(pen) overeenkomsten met NS gesloten ter zake de NS Business Cards en bijbehorende dienstverlening.

2.9.

NS Reizigers heeft de vennootschappen maandelijks facturen gestuurd voor het gebruik van de NS Business Cards. De facturen zijn onbetaald gelaten.

2.10.

NS Reizigers heeft, nadat was ontdekt dat het aanvraagadres van de vennootschappen gelijk was, haar fraudespecialist ingeschakeld.

2.11.

Op 11 september 2017 heeft NS Reizigers bij de politie aangifte van oplichting gedaan tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [A] . In deze aangifte staat onder meer:

“(…) In de periode vanaf november 2012 tot en met februari 2017 hebben [gedaagde sub 1] en zijn echtgenote [gedaagde sub 2] diverse Vennootschappen opgericht, die vervolgens na circa een paar maanden tot een half jaar na oprichting weer werden ontbonden. In de periode dat deze Vennootschappen bestonden hebben [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] een overeenkomst met NS gesloten ten aanzien van afname van NS-Business Cards. Tevens heeft [gedaagde sub 1] op het bedrijf dat hij met [A] heeft opgericht ook een overeenkomst met NS afgesloten, deze [A] en [gedaagde sub 1] kennen elkaar. Hoewel bij de opgerichte Vennootschappen enkel een (1) twee (2) werkzame personen stonden geregistreerd, hebben [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [A] een NS-Business Card aangevraagd voor circa 90 gebruikers. Deze gebruikers of ook wel kaarthouders hebben gebruik gemaakt van de diensten die de NS leverde met de NS-Business Card. (…)”

2.12.

Naar aanleiding van het onderzoek van haar fraudespecialist heeft NS Reizigers onder meer [A] en de heren [B] , [C] , [D] , [E] en [F] geïdentificeerd als houders (gebruikers) van één of meerdere NS Business Card(s), uitgegeven op naam van [BV I] , [BV II] of [BV V] .

2.13.

De onder 2.13. genoemde personen zijn door NS Reizigers eveneens gedagvaard. De procedure tegen hen is bij deze rechtbank, team kanton, aanhangig onder zaak- en rolnummer 6391910 RL EXPL 17-25842 (hierna: de kanton procedure).

2.14.

Enkele in de kanton procedure gedaagde partijen hebben in hun conclusie van antwoord opgenomen dat zij een NS Business Card hebben gekocht van de heer [X] (hierna: [X] ). NS Reizigers heeft vervolgens ook [X] gedagvaard. [X] heeft verstek laten gaan. De procedure tegen [X] is bij deze rechtbank, team handel, aanhangig onder zaak- en rolnummer C/09/549949 / HA ZA 18-321 (hierna: de rechtbank procedure onder nummer HA ZA 18-321). In alle zaken wordt vandaag vonnis gewezen.

3. Het geschil

3.1.

NS Reizigers vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] tot betaling van:

I. een bedrag van € 141.249,36, althans een bedrag van € 190.964,72 voor zover ten aanzien van [A] , [G] , [H] , [I] , [J] , [K] , [B] , [C] , [F] , [D] , en [E] geen hoofdelijke veroordeling wordt uitgesproken, te vermeerderen met de wettelijke rente;

II. een bedrag van € 394,20 aan kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente; en

III. een bedrag van € 2.684,65 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente; en

IV. de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

NS Reizigers legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft misbruik gemaakt van de door NS geleverde diensten in het kader van de NS-Business Card en NS Reizigers vordert van [gedaagde sub 1 c.s.] de als gevolg hiervan door haar geleden schade.

3.3.

[gedaagde sub 1 c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft erkend dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als vennoten van [VOF I] aansprakelijk zijn voor de openstaande vordering van NS Reizigers op deze vennootschap onder firma tot een bedrag van € 746,87 en dat zij als vennoten van [VOF II] aansprakelijk zijn voor de openstaande vordering van NS Reizigers op deze vennootschap onder firma van € 565,56. De rechtbank zal hen dan ook hoofdelijk veroordelen tot betaling van deze bedragen, totaal een bedrag van € 1.312,43.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft tevens erkend dat [gedaagde sub 1] als vennoot van [VOF III] ook aansprakelijk is voor de vordering van NS Reizigers op [VOF III] van € 345,54. Hij zal ook tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.

4.2.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft het volgende niet weersproken. Namens de door [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] opgerichte besloten vennootschappen, waarvan zij directeur zijn geweest, zijn contracten gesloten voor de afname van NS Business Cards. Op basis van deze contracten zijn aan ongeveer 90 personen NS Business Cards verstrekt. Deze 90 personen hebben met de verstrekte NS Business Cards gereisd. De besloten vennootschappen hebben voor deze gemaakte reizen facturen ontvangen tot een totaalbedrag van € 189.306,75.

4.3.

Ondanks dat NS Reizigers voor dit bedrag facturen heeft verstuurd, hebben de besloten vennootschappen dit bedrag niet aan NS Reizigers betaald. De besloten vennootschappen zijn geliquideerd, zodat zij ook in de toekomst dit bedrag niet meer aan NS Reizigers zullen betalen. Hieruit volgt dat in deze procedure vaststaat dat NS Reizigers tot dit bedrag schade lijdt. De vraag ligt aan de rechtbank voor of [gedaagde sub 1 c.s.] jegens NS Reizigers aansprakelijk is voor deze schade.

4.4.

De zes besloten vennootschappen die [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] hebben opgericht hebben steeds zeer kort bestaan. De eerste vennootschap, [BV III] is ingeschreven in het handelsregister in augustus 2013, de laatste, [BV VI] , is uitgeschreven op 1 mei 2017. [BV II] heeft slechts één week ingeschreven gestaan in het handelsregister, [BV VI] drie maanden, [BV III] en [BV IV] 3,5 maand, [BV V] vier maanden, en [BV I] acht maanden. Aldus hadden de vennootschappen een gemiddelde inschrijvingsduur van 3,7 maanden. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft gezegd dat het besluit tot liquidatie steeds is genomen omdat was gebleken dat de kosten van de vennootschap te hoog opliepen waardoor het risico ontstond dat schulden niet meer konden worden betaald. Hij heeft telkens opnieuw geprobeerd een nieuwe business op te zetten, zodat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien.

4.5.

Voor wat betreft het binnen vier jaar tijd oprichten van zes besloten vennootschappen, met een gemiddelde levensduur van nog geen vier maanden, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1 c.s.] serieus bezig is geweest met het inrichten van een onderneming met als doel hiermee op de lange termijn een goede boterham te verdienen. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft geen concrete plannen kunnen overleggen over het soort onderneming dat hij wilde opzetten of over de wijze waarop hij de kosten van de onderneming in het begin ging betalen. Hij heeft ook niet verteld welke inspanningen hij heeft verricht om de ondernemingen tot een succes te maken. Hij heeft wel wat stukken overgelegd, zoals een factuur verzonden vanuit één van de besloten vennootschappen, een visitekaartje van een andere besloten vennootschap, wat e-mail verkeer en wat bezoekersstatistieken van Facebook. Dat van het serieus opzetten van meerdere ondernemingen sprake was en dat [gedaagde sub 1 c.s.] serieus probeerde hiermee geld te verdienen, tonen deze versnipperde documenten echter niet aan.

4.6.

Gelet op dit een en ander concludeert de rechtbank dat de besloten vennootschappen zijn gebruikt om bij NS Reizigers NS Business Cards te bestellen, in de wetenschap dat de op deze kaarten te maken reizen niet betaald zouden kunnen worden.

4.7.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft aangevoerd dat hij vermoedt dat [X] , met behulp van de digitale inloggegevens van [gedaagde sub 1 c.s.] , meerdere NS Business Cards heeft aangevraagd of doen aanvragen en dat [X] hem en zijn gezin heeft bedreigd met fysiek geweld. Voor wat betreft de onderbouwing van het fysieke geweld heeft [gedaagde sub 1 c.s.] volstaan met het overleggen van een verklaring van een buurman die op afstand heeft gezien dat een man luidruchtig handgebaren maakte jegens [gedaagde sub 1] , waar de dochter van [gedaagde sub 1 c.s.] bij was. Hij heeft geen kopieën van aangifte bij de politie overgelegd en tijdens de comparitie van partijen heeft hij desgevraagd verklaard dat hij geen aangifte heeft gedaan. Op grond van de summiere stellingen en het ontbreken van enige onderbouwing is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1 c.s.] onvoldoende heeft gesteld op het punt van de bedreiging, zodat de rechtbank dit verweer van [gedaagde sub 1 c.s.] afwijst.

4.8.

Voor zover [gedaagde sub 1 c.s.] bedoelt te stellen dat hij niet heeft geweten van het bestellen van de NS Business Cards, overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft niet weersproken dat hij de contracten met de NS heeft gesloten. Voorts moet hij hebben geweten dat er NS Business Cards zijn besteld, omdat deze op het door de besloten vennootschappen gebruikte adres werden afgeleverd. Tevens heeft hij niet weersproken dat hij rekeningen van NS Reizigers heeft gezien. Gelet hierop gelooft de rechtbank niet dat [gedaagde sub 1 c.s.] niet heeft geweten wat er gebeurde. Hij had dan ook ervoor moeten zorgen dat de praktijken met de NS Business Cards stopten, bijvoorbeeld door aangifte te doen, de inlogcodes te wijzigen of simpelweg geen nieuwe besloten vennootschappen meer op te richten. Nu hij dit niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1 c.s.] van het niet betalen van de vorderingen van NS Reizigers persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat hij aansprakelijk is voor de door NS Reizigers geleden schade.

4.9.

Tijdens de comparitie van partijen heeft NS Reizigers haar vordering voor wat betreft de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet langer gehandhaafd. Voor wat betreft [gedaagde sub 1] geldt deze aansprakelijkheid dan ook de onbetaalde rekeningen van de besloten vennootschappen waarvan hij bestuurder is geweest. Het betreft de vorderingen van NS Reizigers op [BV III] tot een bedrag van € 2.163,54, op [BV I] tot een bedrag van € 133.762,24 en op [BV VI] tot een bedrag van € 1.716,56, totaal een bedrag van € 137.642,34.

4.10.

Bij dit bedrag dient nog het onder 4.1. genoemde bedrag voor alleen [gedaagde sub 1] van € 345,54 te worden opgeteld, zodat [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld een bedrag van € 137.987,88 aan NS Reizigers te betalen.

4.11.

Voor wat betreft [gedaagde sub 2] geldt deze aansprakelijkheid voor de onbetaalde rekeningen van de besloten vennootschappen waarvan zij de bestuurder is geweest. Tijdens de comparitie van partijen heeft [gedaagde sub 1] nog gezegd dat [gedaagde sub 2] alleen naar de notaris is gegaan om haar handtekening onder de oprichtingsakte te zetten, maar dat zij verder van niets wist. Voor zover het inderdaad zo is gegaan, betekent dit echter niet dat [gedaagde sub 2] helemaal niet aansprakelijk is. Zij had haar handtekening niet moeten zetten als zij niet wist of begreep wat er gebeurde, zelfs niet als [gedaagde sub 1] haar daarin heeft gestimuleerd. Haar kan dan een persoonlijk verwijt worden gemaakt dat zij drie besloten vennootschappen heeft opgericht en hiervan bestuurder is geworden, zonder zich verder met de gang van zaken te bemoeien.

Het betreft de vorderingen van NS Reizigers op [BV IV] tot een bedrag van € 1.270,41, op [BV II] tot een bedrag van € 26.168,07 en op [BV V] tot een bedrag van € 24.225,93, totaal een bedrag van € 51.664,41.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1 c.s.] ook aansprakelijk is voor het bedrag dat NS Reizigers vordert in verband met de door haar gemaakte onderzoekskosten tot een bedrag van € 394,20. Het onderzoek was nodig als gevolg van het handelen van de vennootschappen met de NS Business Cards. Het zijn bovendien redelijke kosten, gelet op de omvang van de door NS Reizigers geleden schade. De rechtbank zal [gedaagde sub 1 c.s.] ook tot betaling van dit bedrag veroordelen.

4.13.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [gedaagde sub 1 c.s.] worden aangesproken als privé-personen en dus hadden deze buitengerechtelijke incassokosten op de in de wet voorziene wijze moeten worden aangezegd. Dat dit is gebeurd, is gesteld noch gebleken.

4.14.

[gedaagde sub 1 c.s.] hebben geen verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. Nu zich hiertegen ook overigens niets verzet, zal deze worden toegewezen, zoals gevorderd.

4.15.

Bij vonnis van heden heeft de rechtbank [X] in de rechtbank procedure onder nummer HA ZA 18-321 veroordeeld tot het betalen van de door NS Reizigers geleden schade. In de kanton procedure heeft de kantonrechter een aantal kaarthouders veroordeeld tot het vergoeden van (een deel van) de door NS Reizigers geleden schade.

De rechtbank begrijpt de vordering van NS Reizigers zoals opgenomen in de dagvaarding van deze procedure aldus dat zij voor het gedeelte van haar vordering groot in totaal € 49.715,36 de hoofdelijke veroordeling vordert van [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] met diverse kaarthouders die ook tot betaling worden veroordeeld voor zover dit dezelfde schade betreft. Voor het restant van haar vordering groot in totaal € 141.249,36 vordert zij de veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] Tijdens de comparitie van partijen heeft NS Reizigers ook gesteld de hoofdelijke veroordeling met [X] te wensen.

Nu de hoofdelijkheid ook in het voordeel van de gedaagden in de diverse procedures is, zal de rechtbank de hoofdelijke veroordeling uitspreken, zoals hierna vermeld.

4.16.

[gedaagde sub 1 c.s.] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze worden tot op heden aan de zijde van NS Reizigers begroot op een bedrag van € 91,39 deurwaarderskosten, € 3.894 voor griffierecht en € 3.414 voor salaris advocaat (2 punten à € 1.707, tarief V), totaal een bedrag van € 7.399,39, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

4.17.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vergelijk HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] (i) hoofdelijk met elkaar – in die zin dat indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd – en (ii) hoofdelijk met [X] – in die zin dat indien [X] in de rechtbank procedure onder nummer HA ZA 18-321 op grond van zijn veroordeling in die procedure dit deel van het door [gedaagde sub 1 c.s.] aan NS Reizigers verschuldigde bedrag betaalt, [gedaagde sub 1 c.s.] zal zijn bevrijd – tot betaling van een bedrag van (i) € 1.312,43, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de deelbedragen opeisbaar werden (30 dagen na de factuurdatum) tot aan de dag van algehele voldoening en (ii) € 394,20, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat veertien dagen zullen zijn verstreken na het wijzen van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , hoofdelijk met [X] – in die zin dat indien [X] in de rechtbank procedure onder nummer HA ZA 18-321 betaalt [gedaagde sub 1] zal zijn bevrijd – en met gedaagden in de kanton procedure – niet voor het geheel maar voor zover een gedaagde tot betaling van dezelfde schade is veroordeeld en in die zin dat indien een gedaagde in de kanton procedure op grond van zijn veroordeling in die procedure een deel van het door [gedaagde sub 1] aan NS Reizigers verschuldigde bedrag betaalt, [gedaagde sub 1] zal zijn bevrijd – tot betaling van een bedrag van € 137.987,88. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de deelbedragen opeisbaar werden (30 dagen na de factuurdatum) tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2] , hoofdelijk met [X] – in die zin dat indien [X] in de rechtbank procedure onder nummer HA ZA 18-321 betaalt [gedaagde sub 2] zal zijn bevrijd – en met gedaagden in de kanton procedure – niet voor het geheel maar voor zover een gedaagde tot betaling van dezelfde schade is veroordeeld en in die zin dat indien een gedaagde in de kanton procedure op grond van zijn veroordeling in die procedure een deel van het door [gedaagde sub 2] aan NS Reizigers verschuldigde bedrag betaalt, [gedaagde sub 2] zal zijn bevrijd – tot betaling van een bedrag van € 51.664,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de deelbedragen opeisbaar werden (30 dagen na de factuurdatum) tot aan de dag van algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk – aldus dat indien en voor zover de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd – in de kosten van deze procedure, aan de zijde van NS Reizigers begroot op € 7.399,39 aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening;

5.5.

verklaart de veroordelingen onder 5.1. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2018.1

1 type: 1958