Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5733

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
C/09/551335 / JE RK 18-743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en afwijzing benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/551335 / JE RK 18-743

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

Afwijzing benoeming deskundige (ex art. 810a, tweede lid Rv)

in de zaak naar aanleiding van het op 12 april 2018 ingekomen verzoek (I) van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

en in de zaak naar aanleiding van het op 9 mei 2018 mondeling gedane verzoek (II) door:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. W.F. van Arkel te Hendrik-Ido-Ambacht,

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2005 te [geboorteplaats 2]

hierna te noemen: [minderjarige 2]

hierna tezamen te noemen: de minderjarigen.

De kinderrechter merkt ten aanzien van beide verzoeken als belanghebbenden aan:

de Raad voornoemd,

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. W.F. van Arkel te Hendrik-Ido-Ambacht,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum,

[stiefvader]

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende te [woonplaats 3] .

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek (I);

- het verweerschrift van de advocaat van de moeder (I);
- de brieven van respectievelijk 1 mei 2018 en 7 mei 2018 van de zijde van de advocaat van de vader (II).

Op 9 mei 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [A] , namens de Raad;

- mevrouw [B] en mevrouw [C] , namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling);
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. W.F. van Arkel;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. K. Spaargaren;
- de stiefvader;
- mevrouw [D] (de stiefmoeder, als informant).

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 4 mei 2018 afzonderlijk van elkaar in raadkamer gehoord.

Feiten

– Het geregistreerd partnerschap van de vader en de moeder is op 13 december 2006 ontbonden.

– De minderjarigen zijn erkend door de vader.

– De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

– De minderjarigen verblijven feitelijk bij de moeder en de stiefvader.

Verzoeken en verweer

Ondertoezichtstelling

Verzoek I strekt tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van één jaar. De Raad heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. De minderjarigen zijn in een loyaliteitsconflict geraakt en worden daardoor ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] groeien op in een omgeving waarin de ouders elkaar over en weer beschuldigen van ernstige zaken en lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan. De relatie tussen de minderjarigen en de vader is in de afgelopen jaren ernstig verstoord geraakt. [minderjarige 2] heeft voor de laatste keer in september 2017 omgang gehad met de vader en voor [minderjarige 1] is dit ongeveer drie jaar geleden. Beide minderjarigen laten zich negatief uit over de vader en met name [minderjarige 1] heeft zorgelijke uitspraken gedaan over wat er zou gebeuren als hij de vader weer zou zien. De minderjarigen kunnen zich op school onvoldoende concentreren en komen niet aan leren toe, omdat hun hoofd vol zit met zorgen om de thuissituatie. Zij zullen hierdoor waarschijnlijk blijven zitten. In de ontwikkeling van [minderjarige 2] is het een zorg dat hij een lage zelfwaardering heeft en geen hulpverlening wenst te ontvangen. [minderjarige 1] laat trauma gerelateerde klachten zien, zoals nachtmerries, herbelevingen en dissociatie. Daarnaast hebben meerdere betrokkenen verteld dat [minderjarige 1] veel woede en frustratie in zich draagt. De band tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is niet goed en de ouders wijzen naar elkaar als oorzaak hiervan. De minderjarigen lijden onder de moeizame communicatie en het onderlinge wantrouwen tussen de ouders. De moeder weigert contact met de vader en is bezig om een contactverbod bij de politie te realiseren. Hoewel de ouders uitspreken het belang van de minderjarigen voorop te stellen, lukt het hen niet om de strijd te staken en de verstoorde communicatie te herstellen. De draagkracht van de moeder staat onder druk en zij heeft stress gerelateerde klachten. De Raad vindt het daarnaast zorgelijk dat de vader wisselend openstaat voor pedagogische hulp, terwijl [minderjarige 2] heeft aangegeven de wens te hebben dat de vader zich anders opstelt tijdens omgangsmomenten.

De gecertificeerde instelling heeft zich aangesloten bij het verzoek van de Raad. De ouders communiceren niet met elkaar en dat maakt het voor de jeugdbeschermer moeilijk om samen te werken. Voor [minderjarige 2] is er nog geen hulpverlening, maar de gecertificeerde instelling acht dit wel wenselijk. GGZ Family Fact biedt sinds kort – naar aanleiding van bedreigingen die [minderjarige 1] heeft geuit richting de vader – hulpverlening aan [minderjarige 1] , en zal ook de ouders begeleiden.

Mr. Spaargaren heeft, namens de moeder, bepleit het verzoek af te wijzen. De raadsvrouw heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het hier gaat om een ‘omgangsondertoezichtstelling’ en het verzoek daarom een strenge motivering behoeft. Bovendien wordt ten onrechte in het raadsrapport gesteld dat de moeder een rol heeft gehad in het mislukken van de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen. Voorts kan een ondertoezichtstelling niet worden ingezet om het gedrag van de vader te veranderen. [minderjarige 1] en de vader hebben een conflictueuze relatie ontwikkeld door de beschuldigingen van mishandeling die richting de vader zijn gedaan. Door die beschuldiging zit ook [minderjarige 2] in de knel. Het verbeteren van de onderlinge relaties heeft alleen een kans als de vader erkent dat het door zijn handelen fout is gegaan en bereid is zijn gedrag te veranderen. De moeder heeft jarenlang haar uiterste best gedaan om de omgangsregeling na te leven. Een ondertoezichtstelling zal niet het gewenst effect hebben. Voor beide minderjarigen is bovendien al hulpverlening aanwezig. De moeder is bereid om die hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten.

De moeder heeft daaraan toegevoegd dat in het verleden tweemaal een mediation-traject is gestart maar niet afgemaakt, dat er meerdere kindervergaderingen zijn geweest, dat de minderjarigen zijn begeleid door schoolmaatschappelijk werk en een kindercoach, en zijn behandeld door middel van speltherapie. De moeder is zelf in staat om de juiste hulpverlening in te schakelen, daar is een ondertoezichtstelling niet voor nodig. [minderjarige 1] en de vader hebben echter al jarenlang een conflictueuze relatie. De preventief jeugdbeschermer zou nog een half jaar bij het gezin betrokken kunnen blijven, ook zonder ondertoezichtstelling. De moeder is bang dat door een ondertoezichtstelling de strijd tussen de vader en de moeder zal verergeren.

Mr. Van Arkel heeft, namens de vader, ingestemd met het verzoek. De raadsvrouw heeft daar het volgende aan ten grondslag gelegd. Het gaat niet goed met de minderjarigen. [minderjarige 1] heeft suïcidale gedachten en de minderjarigen verzuimen van school. Mede door de preventieve jeugdbeschermer is er nu extra hulpverlening in het gezin. De problematiek van de minderjarigen heeft zich ontwikkeld in de tijd dat zij geen contact met de vader hadden. In die tijd heeft de vader afstand gehouden, omdat hij de wensen van de minderjarigen wilde accepteren. Het klopt niet dat de vader agressief naar de minderjarigen toe is. Het is een eenzijdig door de moeder opgesteld verhaal. Er is ook nooit aangifte tegen de vader gedaan. De vader maakt zich zorgen om de identiteitsontwikkeling van de minderjarigen, omdat zij momenteel geen omgang hebben met de vader. De vader heeft zich opgegeven voor psycho-educatie en een psychodiagnostisch onderzoek.

Benoemen deskundige

Verzoek II strekt tot het benoemen van mevrouw H. Koppejan als deskundige om te onderzoeken of er bij de minderjarigen sprake is van ouderonthechting en om te adviseren over een passende interventie. Mr. Van Arkel heeft, namens de vader, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. De vader ontkent dat hij zich gedraagt zoals beschreven door de moeder. De vader wenst dat er een deskundige wordt aangewezen die onderzoekt of sprake is van ouderonthechting. Ouderonthechting is een complex gegeven. Mevrouw Koppejan is deskundig op het gebied van ouderonthechting; zij is op dat onderwerp cum laude afgestudeerd en is nu bezig met een promotieonderzoek. Ouderonthechting is een vorm van kindermishandeling. Het is geen bewuste daad, maar een proces.

Mr. Spaargaren heeft zich, namens de moeder, verzet tegen het verzoek. Er is in deze casus geen sprake van ouderonthechting; het is slechts een beschuldigende vinger naar de moeder toe. Het deskundigenonderzoek zal de minderjarigen belasten.

De Raad en de gecertificeerde instelling hebben aangegeven thans geen standpunt te kunnen innemen over het verzoek.

Beoordeling

Ondertoezichtstelling

De kinderrechter overweegt dat de minderjarigen in een loyaliteitsconflict verkeren door de conflictueuze relatie tussen de ouders, die elkaar over en weer beschuldigen. Bovendien hebben de minderjarigen al geruime tijd ( [minderjarige 2] sinds september 2017 en [minderjarige 1] al drie jaar niet) geen omgang meer gehad met de vader. De situatie is de laatste tijd verergerd. [minderjarige 1] stelt zich agressief op richting de vader en heeft onlangs aangegeven zichzelf dan wel zijn vader iets te willen aandoen. Door de vader en de moeder wordt daarover verschillend verklaard. Beide toedrachten zijn even zorgelijk, temeer omdat [minderjarige 1] al drie jaar geen contact meer heeft met de vader. Door de problematiek in de thuissituatie komen de minderjarigen onvoldoende toe aan leren; de minderjarigen zullen dit schooljaar vermoedelijk moeten overdoen. [minderjarige 1] laat daarnaast trauma-gerelateerde klachten zien en kampt met veel woede en frustratie. [minderjarige 2] heeft een lage zelfwaardering. De kinderrechter ziet in dit alles een concrete, ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen. Hoewel de moeder, naar eigen zeggen, meerdere vormen van hulpverlening heeft ingeschakeld voor de minderjarigen, is het in het vrijwillig kader steeds niet gelukt om de ontwikkelingsdreiging te doen afnemen. De ouders zijn zelfstandig niet in staat om de samenwerking op te zoeken om zo de zorgen omtrent de minderjarigen te doen afnemen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en acht een ondertoezichtstelling voor de verzochte duur noodzakelijk. Deze omstandigheden maken bovendien dat er sprake is van meer dan enkel een ‘omgangsondertoezichtstelling’, zoals door de advocaat van de moeder is bepleit.

Benoemen deskundige

De kinderrechter overweegt dat zij op grond van art. 810a, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige kan benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

De kinderrechter overweegt dat de advocaat van de vader heeft verzocht een deskundige te benoemen om te onderzoeken of er bij de minderjarigen sprake is van ouderonthechting en om een passend advies uit te brengen over de aanpak daarvan. De kinderrechter ziet hier geen aanleiding toe, omdat de zorgen omtrent de minderjarigen zodanig groot zijn, dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Een deskundigenonderzoek naar ouderonthechting zal daarom niet tot een (andere) beslissing van de zaak kunnen leiden. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen. De kinderrechter acht het echter wel van belang dat de jeugdbeschermer die de ondertoezichtstelling uitvoert, de samenwerking zoekt met bij de gecertificeerde instelling werkzame specialisten op het gebied van complexe scheidingen. De situatie zoals die thans voorligt, heeft daarmee immers veel raakvlakken. Daarbij dient tevens te worden bezien of onderzoek naar ouderonthechting kan bijdragen aan een passende aanpak van de ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter wenst daarover bij een eventueel verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling expliciet te worden geïnformeerd.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 9 mei 2018 tot 9 mei 2019 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek tot het benoemen van een deskundige.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.