Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5706

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2715
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Poolse (Unieburger) waarvan verblijfsdocument is ingetrokken. Niet langer aanspraak op bijstand ingevolge de Pw. Beroep op artikel 1 van het EVSMB treft geen doel, vanwege het door Nederland gemaakte voorbehoud. Gelijkstelling met een Nederlander niet mogelijk ingevolge artikel 1 van het EVSMB. Gelijkstelling is alleen mogelijk ingevolge artikel 11 van de Pw.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2715

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], te [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Singh),

tegen

het college van burgemeester en wethouders gemeente Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Edelaar).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het recht van verzoekster op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 maart 2018 opgeschort.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en heeft tevens verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster vanwege het ontbreken van inkomen of vermogen geen griffierecht is verschuldigd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen wanneer iemand daarbij een spoedeisend belang heeft, er ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening kan worden getroffen. In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie.

2. Verzoekster heeft aangegeven dat zij met ingang van 1 maart 2018 niet langer over enig inkomen beschikt en zich in een financiële noodsituatie bevindt. De voorzieningen-rechter neemt in verzoeksters geval aan dat zij voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om een voorlopige voorziening.

3.1

Verzoekster heeft de Poolse nationaliteit en verblijft al sinds geruime tijd in Nederland. Zij is sinds zeven jaar niet meer in staat om aan het arbeidsproces deel te nemen en is sindsdien aangewezen op een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Pw. Zij heeft twee kinderen, die niet bij haar wonen.
3.2 Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verzoekster meegedeeld dat zij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Staatssecretaris ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd te beslissen dat zij de uitkomst van de vreemdelingrechtelijke beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Op dat verzoek was ten tijde van de behandeling van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening nog niet beslist.

3.3

Volgens verweerder heeft verzoekster vanwege het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Pw geen recht meer op bijstand. Bij brief van 27 maart 2018 heeft verweerder verzoekster gevraagd vóór 11 april 2018 documenten op te sturen waaruit blijkt dat zij de beroepsprocedure tegen het besluit van de Staatssecretaris in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft daarna bij het bestreden besluit het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2018 opgeschort en verzoekster gevraagd vóór 25 april 2018 alsnog de gevraagde gegevens over te leggen. Verzoekster heeft verweerder gevraagd om het recht op bijstand in te trekken, zodat de vreemdelingrechtelijke voorlopige voorzieningen procedure versneld behandeld zou kunnen worden. De uitspraak van de voorzieningenrechter waaruit blijkt dat zij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten heeft verzoekster niet overgelegd, omdat de voorzieningenrechter nog geen uitspraak heeft gedaan.

4. De voorzieningenrechter moet beoordelen of de opschorting van het recht op bijstand ingevolge de Pw in bezwaar stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.

4.1

Niet in geschil dat verzoekster de Poolse nationaliteit heeft en dat zij een Unieburger is, zoals bedoeld in artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Verzoekster beschikte vanaf 13 maart 2006 over een verblijfsdocument voor vijf jaar (met als doel "Gemeenschapsonderdaan", economisch niet actief, arbeid is toegestaan, een tewerkstellingsvergunning is vereist gedurende de eerste 12 maanden waarin arbeid in loondienst wordt verricht). Verzoekster is er bij de verstrekking van het verblijfsdocument op gewezen dat een beroep op de publieke middelen gevolgen zou kunnen hebben voor haar verblijfsrecht. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 22 augustus 2017 vastgesteld dat verzoekster niet langer rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft, omdat zij al enige tijd een beroep deed op de bijstand en een uitkering ingevolge de Pw ontving.

4.2

Verzoekster betwist dat zij door dit besluit van de Staatssecretaris niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en geen aanspraak meer heeft op bijstand. Ter zitting heeft zij een beroep gedaan op de artikelen 1 en 11, onder b, onder b, van het Europees Verdrag betreffende Sociale en Medische Bijstand (EVSMB). Op grond van artikel 11 van het EVSMB kan zij niet uit Nederland worden verwijderd, zolang er nog geen terugkeerbesluit is genomen. Tot die tijd verblijft zij rechtmatig in Nederland. Op grond van artikel 1 van het EVSMB zou zij als Unieburger met een Nederlander gelijkgesteld moeten worden en een aanspraak op bijstand hebben.

4.3

In artikel 1 van het EVSMB is bepaald dat ieder van de verdragsluitende partijen zich verbindt te waarborgen, dat onderdanen van de andere verdragsluitende partijen, die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied, waarop dit verdrag van toepassing is, en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand, zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied.

4.4

De voorzieningenrechter stelt vast (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2016; ECLI:NL:CRVB:2016:4139) dat Nederland met betrekking tot artikel 1 van het EVSMB voor een beroep op bijstand ingevolge de Pw een voorbehoud heeft gemaakt. Dat voorbehoud houdt in dat Nederland de in het EVSMB vastgelegde verplichtingen tot gelijke behandeling op bijstandsgebied slechts aanvaardt, voor zover die samenvallen met de overeenkomstige verplichtingen in EU-verband. Die verplichtingen heeft Nederland op bijstandsgebied verwerkt in artikel 11 van de Pw. Het gemaakte voorbehoud werkt met ingang van 22 februari 2016, op welke datum notificatie van het voorbehoud aan de Raad van Europa heeft plaatsgevonden. Vanaf die datum kan geen enkele vreemdeling zich nog met succes beroepen op de gelijkstelling met een Nederlander ingevolge artikel 1 van het EVSMB en geldt voor de aanspraak op bijstand ingevolge de Pw, artikel 11 van de Pw onverkort. In die bepaling – en in het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet (…) – is een aantal vreemdelingen voor een aanspraak op bijstand met een Nederlander gelijkgesteld.

4.5

De vraag die nu beantwoord moet worden is of verzoekster ten tijde van het bestreden besluit voor haar aanspraak op bijstand ingevolge de Pw met een Nederlander gelijkgesteld kon worden. Die vraag zal beantwoord moeten worden aan de hand van artikel 11, derde lid, van de Pw in samenhang met artikel 8, onder h, van de Vw 2000. Het bestreden besluit dateert immers van ná 22 februari 2016. Daarom kan verzoekster, gelet op het door Nederland gemaakte voorbehoud, niet langer met succes een beroep doen op de gelijkstelling met een Nederlander ingevolge artikel 1 van het EVSMB.

4.6

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw kunnen bij algemene maatregel van bestuur (Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet) andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijk worden gesteld indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

4.7

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het VWEU dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op (…) een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op (…) het beroepschrift is beslist.

4.8

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Pw, kan het college indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten (…).

4.9

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster ten tijde van belang voor een aanspraak op bijstand ingevolge de Pw alleen nog met een Nederlander kan worden gelijkgesteld, indien zij na de intrekking van het verblijfsrecht de uitkomst van het beroep daartegen in Nederland mag afwachten (artikel 11, derde lid, van de Pw in samenhang met artikel 8, onder h, van de Vw 2000).

4.10

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat zolang op verzoeksters verzoek om een voorlopige voorziening in de vreemdelingrechtelijke procedure nog geen uitspraak is gedaan, zij voor een aanspraak op bijstand ingevolge de Pw niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Op het moment van het bestreden besluit was op dat verzoek nog niet beslist. Verweerder heeft toegelicht dat hij er daarom voor heeft gekozen om – in plaats van het recht van verzoekster op bijstand ingevolge de Pw in te trekken – dat recht ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Pw met ingang van 1 maart 2018 op te schorten en verzoekster in de gelegenheid te stellen om vóór 25 april 2018 documenten op te sturen waaruit blijkt dat zij de beroepsprocedure tegen het besluit tot intrekking van haar verblijfsrecht in Nederland mag afwachten (lees: de uitspraak van de voorzieningenrechter in de vreemdelingrechtelijke procedure). Nu verzoekster dat tot op heden niet gedaan, staat volgens verweerder vooralsnog niet vast dat zij hier te lande rechtmatig verblijft zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Zij kan daarom ook vooralsnog niet met een Nederlander worden gelijkgesteld en geen te honoreren aanspraak doen op het herleven van haar recht op bijstand. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is of ontoereikend gemotiveerd. Daaraan kan niet afdoen dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen van verzoekster.

4.11

Nu vaststaat dat verzoekster vooralsnog geen te honoreren aanspraak op bijstand heeft, bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat het bestreden besluit in bezwaar wellicht niet in stand zal kunnen blijven, maakt dat in dit geval niet anders.

4.12

Verzoekster heeft nog betoogd dat zij wel rechtmatig in Nederland verblijft, omdat er nog geen terugkeerbesluit is genomen, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Verzoekster doelt hiermee op de bepaling van artikel 11, onder b, van het EVSMB. Of die bepaling haar nu wel of niet rechtmatig verblijf in Nederland biedt, overeind blijft dat zij geen rechtmatig verblijf heeft, zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 en dat zij daarom niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden wat betreft haar aanspraak op bijstand. Zij heeft daarmee dus nog geen te honoreren aanspraak op bijstand heeft ingevolge artikel 11, derde lid van de Pw.

4.13

Verzoekster heeft ten slotte nog een beroep gedaan op artikel 16 van de Pw. Volgens haar zijn er in haar geval dringende redenen op grond waarvan zij wél aanspraak op bijstand ingevolge de Pw kan maken. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Pw bevoegd is vanwege dringende redenen bijstand te verstrekken aan iemand die normaal gesproken niet tot de kring van rechthebbenden behoort. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Pw is het eerste lid evenwel niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw. Zoals hiervoor vastgesteld, behoort verzoekster nu juist niet tot de vreemdelingen bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw, zodat de grond niet kan slagen.

5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening en zal het verzoek daarom afwijzen.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.