Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
C/09/549302 / JE RK 18-496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/549302 / JE RK 18-496

Datum uitspraak: 30 april 2018

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 6 maart 2018 ingekomen verzoek van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. P. Verbraaken te Den Haag.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 26 april 2018 van de zijde van de advocaat van de moeder.

Op 30 april 2018 heeft de kinderrechter de zaak tezamen met het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling (met zaaknummer C/09/551915), op welk verzoek bij aparte beschikking zal worden beslist, ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [A] , namens de gecertificeerde instelling;

- de moeder, bijgestaan haar advocaat en de heer [B] , tolk Berber;

- mevrouw [C] ambulant begeleider van de moeder.

[minderjarige] is op 30 april 2018 in raadkamer gehoord.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

Feiten

- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige] verblijft feitelijk in een gezinshuis.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 mei 2017 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 2 mei 2017 tot 2 mei 2018.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft daarnaast bij beschikking van 2 november 2017 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening verlengd van 2 november 2017 tot 2 mei 2018. Deze beschikking is op
11 april 2018 door het Gerechtshof Den Haag bekrachtigd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de periode van één jaar. De gecertificeerde instelling heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. In de thuissituatie is er jarenlang sprake geweest van mishandeling, onderstimulatie en pedagogische onmacht. Er zijn vermoedens van hechtingsproblematiek en trauma bij [minderjarige] en hij heeft mogelijk dyslexie. Er worden wisselende inschattingen gemaakt van zijn cognitieve vermogens. [minderjarige] heeft moeite om sociale situaties te overzien en contacten met leeftijdgenoten en gehechtheidsrelaties aan te gaan. Hij heeft veel duidelijkheid, structuur en grenzen nodig en voortdurende aansturing en begeleiding van zijn opvoeder. Als [minderjarige] onvoldoende geholpen wordt, bouwt hij veel interne onrust en spanning op. Hij kan dan brutaal worden, grenzen opzoeken of de ander afwijzen. Sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] is de thuis- en opvoedsituatie bij de moeder niet verbeterd, ondanks de inzet van MDFT. Er is sprake geweest van een politie-inval, waarbij xtc en (nep)wapens in huis zijn aangetroffen. Uit een NIFP-onderzoek van oktober 2017 betreffende Hamza, de 2 jaar oudere broer van [minderjarige] , is gebleken dat de thuissituatie een risicofactor is, omdat er vanuit huis weinig pro-sociale sturing en begeleiding meegegeven lijkt te worden, gezinsleden politiecontacten hebben en de moeder een beperkt pedagogisch vermogen heeft. [minderjarige] heeft de meeste kans op een positieve ontwikkeling als hij opgroeit in een gezinshuis, waarbij de ouders zoveel mogelijk betrokken blijven en [minderjarige] zijn band met zijn ouders en familie behoudt. Een verlenging van de maatregelen is nodig om [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie te blijven bieden, waarin hij de plusopvoeding en begeleiding krijgt die hij nodig heeft.

Mr. Verbraaken heeft, namens de moeder, geen verweer gevoerd tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De raadsvrouw heeft bepleit het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in de stukken de indruk wordt gewekt dat de moeder niet mee wil werken aan de hulpverlening, maar dat is onjuist. De moeder is het vertrouwen in de gecertificeerde instelling kwijtgeraakt en heeft daarom gevraagd om vervanging van de gecertificeerde instelling. De moeder en [minderjarige] hebben onvoldoende kunnen profiteren van de aangeboden hulp. De onrust die [minderjarige] in zich heeft wordt niet veroorzaakt door de moeder, zoals de jeugdbeschermer stelt, maar door alle wisselingen van school en verblijfplaats. Daarnaast levert het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel veel onrust op. De moeder is bereid om meer hulpverlening te accepteren en heeft toestemming gegeven voor het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.

De kinderrechter overweegt daartoe dat de situatie sinds de behandeling van het hoger beroep door het Gerechtshof Den Haag in april 2018 niet wezenlijk is veranderd. De opvoedvaardigheden van de moeder schieten tekort: zij heeft moeite om [minderjarige] (en haar overige kinderen) te begrenzen, stimuleert hem niet in zijn ontwikkeling en heeft onvoldoende vaardigheden om hem te kunnen begeleiden. [minderjarige] is kwetsbaar en heeft in zijn leven al veel meegemaakt. Er zijn bij hem vermoedens van hechtingsproblemen en trauma, hij heeft moeite om sociale situaties te overzien en om gehechtheidsrelaties aan te gaan. De kinderrechter ziet hierin nog een concrete, ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] De kinderrechter acht, gelet op deze omstandigheden, zowel een verlenging van de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk.

Gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] en zijn behoefte aan structuur en begrenzing, acht de kinderrechter het noodzakelijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over zijn toekomstperspectief. [minderjarige] heeft al in meerdere gezinshuizen verbleven en thans is nog onduidelijk waar zijn perspectief ligt. Er is daarom een onderzoek aangevraagd naar een gezagsbeëindigende maatregel bij de Raad voor de Kinderbescherming. Gelet hierop, acht de kinderrechter het te voorbarig om het verzoek voor de gehele duur toe te wijzen. De kinderrechter zal daarom de kinderbeschermingsmaatregelen verlengen voor de duur van vier maanden en de behandeling van het verzoek voor het overige aanhouden. Bij de hervatting van de behandeling kan het verzoek eventueel gecombineerd worden behandeld met een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 2 mei 2018 tot 2 september 2018;

en

verlengt de verleende machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 2 mei 2018 tot 2 september 2018;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een zitting gelegen vóór
2 september 2018, op welke zitting ook een eventueel verzoek tot gezagsbeëindiging kan worden behandeld;

gelast de griffier tegen die nader te bepalen zitting op te roepen:

* William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

* de moeder;

* de advocaat van de moeder, mr. P. Verbraaken;

* de vader;
* [minderjarige]

Deze beschikking is gegeven door mr. C.F. Mewe, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2018.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.