Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5665

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
NL18.6956
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel 59b, onderdelen a en b is geen verkapte maatregel 59b, onderdeel c; Uitwerking RvS 16 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:159 en 22 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1016 en gevolg van die jp voor de motvering ‘minder verstrekkende maatregel’; bespreking bewaringsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.6956


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.I. Tienstra- van der Boom).


Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2018 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 19 april 2018. Namens eiser was zijn gemachtigde (telefonisch) aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.I. Tienstra- van der Boom. Omdat eiser niet verbleef in het detentiecentrum Rotterdam maar in het Justitieel Centrum Schiphol en geen contact met hem kon worden gelegd, is het onderzoek geschorst.

Het onderzoek is voortgezet op 23 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ten aanzien van de grondslag van de maatregel.

1.1

Eiser stelt dat inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b van de Vw 2000 ten onrechte wordt gebruikt als inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder c van de Vw 2000 niet mogelijk is. Hij verwijst daartoe naar paragraaf A5/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en een artikel van Wouter van der Spek, ‘Inbewaringstelling van asielzoekers; Over gevoel en niet-

oprechte asielaanvragen’, A&MR 2018, NR.3, p. 104.

1.2

De rechtbank volgt eiser daarin niet.

De relevante passage uit de Vc 2000 luidt als volgt:

“Hierbij gaat het vooral om situaties waarin een vreemdeling niet in bewaring kan worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw, maar waarbij wel één of meerdere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1c, derde lid, Vb van toepassing zijn. Deze situaties kunnen zich met name voordoen, indien:

  • -

    de vreemdeling gedurende zijn strafrechtelijke detentie een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend;

  • -

    de vreemdeling gedurende de periode van overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend; of

  • -

    de vreemdeling is overgedragen aan Nederland krachtens Verordening (EU) nr. 604/2013.”

Uit deze passage blijkt niet dat inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b van de Vw 2000 slechts wordt toegepast als inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder c van de Vw 2000 niet mogelijk is. Veeleer blijkt daaruit dat bij de vraag of inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b van de Vw 2000 in de rede ligt, mede wordt betrokken of zich - aanvullend op de in die artikelleden gelegen voorwaarden - een situatie voordoet als bedoeld in artikel 5.1c, derde lid van het Vb 2000. In dat verband stelt de rechtbank vast dat niet is betwist dat eiser gedurende de periode van overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend, zodat aan tenminste een van de genoemde aanvullende voorwaarden is voldaan.

2. Eiser stelt dat bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 slechts mogelijk is indien sprake is van onduidelijkheid over de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, en dat het feit dat de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling onbekend is, op zichzelf onvoldoende is om inbewaringstelling te rechtvaardigen. Hij verwijst daartoe naar paragraaf A5/6.3 van de Vc 2000, waarin dat uitdrukkelijk is bepaald, en stelt dat geen onduidelijkheid bestaat over de identiteit of nationaliteit van eiser.

2.1

De rechtbank volgt eiser daarin niet.

Bij zijn strafrechtelijke aanhouding op 2 februari 2018 om 08.18 uur gaf eiser op te zijn [naam] , geboren op [geboortedatum] in Jaffna, Sri Lanka. Hij toonde daarbij een op die naam gestelde Franse verblijfsvergunning (Titre de Sejour) met het nummer [nummer] .

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 2 februari 2018 om 14:40 uur, heeft eiser bij die gelegenheid verklaard te zijn [eiser], geboren op 27 december 1997 in een hem onbekende plaats op Sri Lanka. Uit onderzoek bleek dat eiser onder die personalia niet bekend was in Frankijk, waar hij stelt te wonen.

Blijkens het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is bij die gelegenheid aan eiser meegedeeld dat zijn (voormalige) vriendin heeft verklaard dat hij is genaamd [eiser] , en dat hij is geboren op [geboortedatum] op Sri Lanka. Onder die personalia is eiser wel bekend in Frankrijk.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder kunnen oordelen dat onduidelijkheid bestaat over de identiteit van eiser.

3. Ten aanzien van de gronden in het algemeen.

Verweerder heeft de grond dat eiser in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat en de grond dat eiser heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer, laten vallen

Aan de maatregel ligt thans nog ten grondslag dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

b. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

c. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

d. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

e. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

f. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld

4. Ten aanzien van de vraag of de gronden feitelijk juist zijn en of daaruit blijkt van een risico op onttrekking aan het toezicht.

Eiser stelt dat de omstandigheid dat hij in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten weliswaar grond geeft grond om aan te nemen dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, maar dat daaruit niet zonder meer volgt dat een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Hij verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Rad van State (Afdeling) van 22 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6261

De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit deze omstandigheid volgt ook zonder nadere toelichting dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 6 februari 2018, ECLI:N:RBDHA:2018:2449).

5. Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel in beginsel kunnen dragen.

Omdat uit voornoemde zware grond ook zonder nadere toelichting blijkt dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, heeft verweerder kunnen volstaan met

een algemene motivering op de zware grond (waarvan de juistheid niet is betwist) dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:159 en 22 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1016).

Deze gronden kunnen de maatregel, gelet op het bepaalde in artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b van de Vw 2000, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1c, eerste en tweede lid en 5.1b, derde en vierde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) in beginsel dragen.

6. Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel daadwerkelijk kunnen dragen of dat verweerder met een minder verstrekkende maatregel had moeten volstaan.

6.1

In die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, dient steeds, aan de hand van wat door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen.

6.2

Eiser stelt dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd waarom in zijn geval geen

minder verstrekkende maatregel kan worden toegepast, omdat daarin ten onrechte slechts is verwezen naar de gronden van de maatregel. Hij wijst in dat verband op artikel 59c van de Vw 2000 en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 april 2011, ECLI:EU:C:2011:268 (Hassan el Dridi).

6.3

Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2018 en 22 maart 2018, kan het bestaan van een (significant) risico op onttrekking aan het toezicht worden aangenomen op basis van één, afdoende gemotiveerde grond. Om te voldoen aan de eisen die de Nederlandse wetgever heeft gesteld in het Vb 2000, hoeft in voorkomende gevallen slechts van één van de overige in de maatregel genoemde gronden te worden vastgesteld dat de juistheid daarvan niet wordt betwist of - als dat wel wordt betwist - slechts te worden vastgesteld dat die grond feitelijk juist is. Mits die feitelijk juiste grond is voorzien van een algemene, niet op de vreemdeling toegesneden toelichting, is niet relevant of daaruit blijkt dat het risico bestaat dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Alle overige in de maatregel genoemde gronden kunnen dan onbesproken blijven.

6.4

Bij de afweging of in het geval van de betrokken vreemdeling moet worden volstaan met toepassing van een minder verstrekkende maatregel, kan verweerder in dat geval niet volstaan met een verwijzing naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, omdat die gronden (of de juistheid daarvan en de toelichting daarop) niet langer bespreking behoeven.

6.5

In de nu voorliggende maatregel heeft verweerder de vraag of met een minder verstrekkende maatregel had moeten worden volstaan ontkennend beantwoord, en daartoe overwogen: “Daarbij is afgewogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door betrokkene is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.”

6.6

In de gronden van beroep heeft eiser (de juistheid van) alle in de maatregel genoemde gronden betwist.

In dat verband heeft hij er terecht op gewezen dat de toelichting op die gronden er in vrijwel alle gevallen op neerkomt dat daaruit blijkt dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, wat in zijn geval niet relevant is omdat alleen het bestaan van een risico op onttrekking de maatregel kan dragen. Dat risico is alleen benoemd in de toelichting op de lichte grond dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, overigens zonder dat daarbij wordt uitgelegd waarom uit het ontbreken van die middelen blijkt van een dergelijk risico.

Voorts wijst hij er terecht op dat de toelichting er in vrijwel alle gevallen op neerkomt dat uit de betreffende grond blijkt dat eiser zich niet aan zijn vertrekplicht zal houden; dat is in zijn geval evenmin relevant, omdat hij asielzoeker is en geen vertrekplicht heeft.

Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat verweerder onvoldoende (inzichtelijk) heeft gemotiveerd dat niet met een minder verstrekkende maatregel kon worden volstaan.

7. De rechtbank zal aan eiser met toepassing van artikel 106 van de Vw een schadevergoeding toekennen. Voor het verblijf van eiser in een politiecel wordt een schadevergoeding van € 105, - per dag toegekend en voor de dagen die eiser vanaf 4 april 2018 heeft doorgebracht in het detentiecentrum wordt een schadevergoeding van € 80, - per dag toegekend. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden. De rechtbank begroot de schadevergoeding van eiser daarom op € 2185, - (1 dag in een politiecel en 26 dagen in het detentiecentrum).

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1002, - (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501, -, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

  • -

    kent aan eiser ten laste van de Staat een schadevergoeding toe van € 2185, -;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1002, -, te voldoen aan de rechtshulpverlener.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: 30 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.