Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5654

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
NL18.3635, NL18.3686, NL18.3687 en NL18.3688
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het dossier blijkt dat eisers zich hebben onttrokken aan de op 4 januari 2018 geplande overdracht maar daaruit blijkt niet dat zij ‘definitief het opvangcentrum hebben verlaten en niet meer in beeld zijn bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)’. Evenmin blijkt uit het dossier dat ‘een adrescontrole heeft plaatsgevonden’ en ‘dat het kennelijke vertrek is bevestigd door middel van verzending van een bericht in de geautomatiseerde vreemdelingenadministratie.’ Onder deze omstandigheden kan daarom niet worden geoordeeld dat het rechtmatig verblijf van eisers in Nederland ten tijde van de (totstandkoming van de) inbewaringstelling van rechtswege was geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3635, NL18.3686, NL18.3687 en NL18.3688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

geboren op [geboortedatum],

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

[eiser],

geboren op [geboortedatum]

van Pakistaanse nationaliteit,

V-nummer [nummer], eisers,

gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: R. Zandbelt.

Procesverloop

Op 21 februari 2018 zijn eisers in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekken deze beroepen tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De maatregelen zijn opgeheven op 5 maart 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Gemachtigde is verschenen ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de ingediende beroepsgronden. Verweerder heeft hierop bij schrijven van 9 maart 2018 gereageerd. Gemachtigde van eiser heeft op het schrijven van verweerder gereageerd op 14 maart 2018 en op 16 maart 2018 is nog een reactie van verweerder ontvangen. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven de zaken af te doen zonder nadere zitting. Het onderzoek is gesloten op 20 maart 2018.

Overwegingen

1. Ten aanzien van de vraag of eisers ten tijde van de (totstandkoming van de) inbewaringstelling rechtmatig in Nederland verbleven.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder m van de Vw 2000 heeft een vreemdeling heeft in Nederland rechtmatig verblijf indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.

Ingevolge artikel 62c, vierde lid van de Vw 2000 - voor zover hier van belang - eindigt het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m van de Vw 2000 van rechtswege nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten.

Verweerder stelt onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 699, nr. 3) bij deze bepaling dat een vreemdeling Nederland kennelijk heeft verlaten indien hij zich heeft onttrokken aan toezicht.

De rechtbank volgt verweerder daarin niet.

In de Memorie van Toelichting wordt op bladzijde 18 opgemerkt: “Het verblijf in Nederland wordt als kennelijk geëindigd beschouwd wanneer de overheid redelijkerwijs mag aannemen dat de vreemdeling definitief vertrokken is. Veelal zal dit het geval zijn wanneer hij of zij definitief het opvangcentrum heeft verlaten en niet meer in beeld is bij de Dienst terugkeer en vertrek. Alvorens wordt aangenomen dat de vreemdeling definitief is vertrokken, zal altijd een adrescontrole plaatsvinden. Het rechtmatig verblijf eindigt van rechtswege wanneer het kennelijke vertrek door de Vreemdelingenpolitie of door de Koninklijke Marechaussee schriftelijk is bevestigd door middel van verzending van een bericht in de geautomatiseerde vreemdelingenadministratie. Dit bericht wordt tevens gebruikt om de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de Dienst Terugkeer en Vertrek te informeren over het vertrek van de vreemdeling.”

Uit het dossier blijkt weliswaar dat eisers zich hebben onttrokken aan de op 4 januari 2018 geplande overdracht. Daaruit blijkt echter niet dat zij ‘definitief het opvangcentrum hebben verlaten en niet meer in beeld zijn bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)’. In dat verband wijst de rechtbank er op dat eisers op 21 februari 2018 zijn staande gehouden op een bij verweerder bekend adres.

Evenmin blijkt uit het dossier dat ‘een adrescontrole heeft plaatsgevonden’ en ‘dat het kennelijke vertrek is bevestigd door middel van verzending van een bericht in de geautomatiseerde vreemdelingenadministratie.’ Onder deze omstandigheden kan daarom niet worden geoordeeld dat het rechtmatig verblijf van eisers in Nederland ten tijde van de (totstandkoming van de) inbewaringstelling van rechtswege was geëindigd.

2. Ten aanzien van het binnentreden

Eisers stellen dat onrechtmatig is binnengetreden.

De rechtbank volgt eisers daarin niet.

Bij afzonderlijke besluiten van 28 oktober 2016 heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Ingevolge artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 hebben deze besluiten van rechtswege tot gevolg dat de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling over te dragen.

In het dossier bevindt zich een machtiging tot binnentreden. Die machtiging is gegrond op artikel 53 van de Vw 2000, en machtigt de daarin genoemde verbalisanten om tegen de wil van de bewoner binnen te treden ter uitzetting overeenkomstig artikel 63 van de Vw 2000, dan wel inbewaringstelling overeenkomstig artikel 59 van de Vw 2000.

Eisers merken terecht op dat de in de machtiging genoemde wetsbepalingen hier toepassing missen. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 15 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:914. De betrokken verbalisanten waren echter op grond van artikel 44a van de Vw wel bevoegd binnen te treden tegen de wil van de bewoner, en niet is betwist dat de machtiging voor het overige voldoet aan alle daaraan te stellen eisen. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat eisers door het niet vermelden in de machtiging van artikel 44a van de Vw 2000 in hun belangen zijn geschaad.

3. Ten aanzien van de hoorplicht

Eisers stellen dat zij ten onrechte niet zijn gehoord voorafgaand aan de inbewaringstelling. Zij verwijzen in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2992, en van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:725.

De rechtbank volgt eisers daarin.

Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vreemdeling, voordat hij of zij op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw 2000 in bewaring wordt gesteld, gehoord. Ingevolge artikel 5.2, tweede lid, en onder d, is het eerste lid niet van toepassing als het voorafgaande gehoor niet kan worden afgewacht. Ingevolge artikel 5.2, derde lid, wordt een vreemdeling in het geval bedoeld in het tweede lid, onder d, zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.

In de uitspraak van 1 november 2016 overweegt de Afdeling in een vergelijkbaar geval dat ‘de staatssecretaris [..] de vreemdelingen derhalve in [..] had moeten horen en aldaar de maatregelen moeten opleggen.’ De rechtbank leidt daaruit af dat uitgangspunt is dat een vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling wordt gehoord, en dat slechts als het voorafgaande gehoor niet kan worden afgewacht van dat uitgangspunt kan worden afgeweken. Dat het gehoor niet kon worden afgewacht heeft verweerder niet betoogd. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat eisers niet staande zijn gehouden op een asielzoekers- of opvangcentrum, maar in hun woning op een recreatiepark.

Eisers merken voorts terecht op dat het horen na inbewaringstelling zich niet verdraagt met de eis dat de voor inbewaringstelling van een vreemdeling vereiste motivering in de maatregel wordt verwoord en niet eerst na het opleggen van de maatregel en in een ander document dan het besluit waarbij die maatregel wordt opgelegd, kenbaar wordt gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593.

Voor een belangenafweging als door verweerder bepleit is mede gelet op die uitspraak geen aanleiding.

De beroepen zullen daarom gegrond worden verklaard. Wat eisers verder aan hebben gevoerd kan onbesproken blijven.

4. De rechtbank zal aan eisers met toepassing van artikel 106 van de Vw 2000 een schadevergoeding toekennen. Voor de dagen die eisers vanaf 21 februari 2018 tot 5 maart 2018 hebben doorgebracht in het detentiecentrum wordt een schadevergoeding van € 80,- per dag toegekend. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden. De rechtbank begroot de schadevergoeding van eisers daarom op € 3.840,-- (12 dagen met 4 personen in het detentiecentrum).

5. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 990,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    kent aan eisers ten laste van de Staat een schadevergoeding toe van € 3.840,--;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 990,--, te voldoen aan de rechtshulpverlener.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot-Akkerman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.

De griffier is buiten

staat deze uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 3.840,--.

Aldus gedaan op door mr. J.M.J.F. Bouwman fungerend voorzitter.