Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5650

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
NL17.13282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ingewilligde asielvergunning / Eritrea / procesbelang / geboortedatum / gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13282

[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 april 2018 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [datum 1] 2000, van Eritrese nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. J.W.F. Noot),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde mr. E. Izaks).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 januari 2017 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ingewilligd.

Op 21 november 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser is van Eritrese nationaliteit en heeft asiel in Nederland gevraagd. Blijkens het verslag van het aanmeldgehoor van 18 januari 2017 heeft eiser als geboortedatum [datum 1] 2000 opgegeven. Bij de correcties en aanvullingen bij het aanmeldgehoor heeft eiser dit gecorrigeerd en verklaard dat hij op [geboortedatum] 2000 geboren is. De door eiser gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is bij het bestreden besluit verleend.

1.2

Verweerder heeft hierbij [datum 1] 2000 als geboortedatum aangehouden omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geboortedatum [geboortedatum] 2000 klopt. Hieraan heeft verweerder in het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen documenten heeft overgelegd die deze geboortedatum ondersteunen. Daarnaast heeft eiser over zijn geboortedatum wisselende verklaringen afgelegd, die bovendien strijdig zijn met de verklaring die zijn in Nederland verblijvende broer in zijn asielprocedure ter zake heeft afgelegd. Eiser heeft blijkens het verslag van zijn aanmeldgehoor bij aanmelding in Nederland verklaard geboren te zijn op [datum 1] 2000. Voorts heeft hij toen verklaard dat deze geboortedatum juist is, maar dat hij in Italië heeft aangegeven te zijn geboren op [datum 2] 2000. In de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor is namens eiser aangegeven dat zijn geboortedatum [geboortedatum] 2000 is. In Italië is eiser bekend met de geboortedata [datum 1] 2000 en [datum 3] 2000. Hoewel eiser steeds heeft aangegeven in 2000 te zijn geboren, heeft zijn broer in zijn asielprocedure ten slotte verklaard dat eiser geboren is in 1997.

1.3

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat de geboortedatum van [geboortedatum] 2000 niet kan worden gevolgd. Uit telefonisch contact met een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt verder dat eisers geboortedatum consequenties kan hebben voor de gezinsherenigingsprocedure met zijn ouders, omdat hij mogelijk als meerderjarige wordt gezien als de geboortedatum [datum 1] 2000 door verweerder wordt aangenomen. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daar komt bij dat elke objectieve grond om niet van eisers minderjarige leeftijd uit te gaan ontbreekt en eiser ook in Italië als minderjarige staat geregistreerd. Het bestreden besluit is daarom niet inzichtelijk en ondeugdelijk gemotiveerd voor wat betreft eisers leeftijd en identiteit. Daarnaast had verweerder eiser in de gelegenheid moeten stellen een zienswijze in te dienen. Verder voert eiser aan dat ten onrechte niet aan het evenredigheidsbeginsel is getoetst.

Procesbelang

2.

2.1

Allereerst ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep, aangezien verweerder de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser heeft verleend.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep. De aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, strekt ertoe om internationale bescherming te verkrijgen en niet om deze vreemdeling in aanmerking te laten komen voor gezinshereniging met zijn gezinsleden. Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 december 20171.

2.3

De rechtbank oordeelt anders. In de uitspraak van de Afdeling van 17 september 20032 heeft de Afdeling geoordeeld dat in het geval het de onjuiste tenaamstelling van de vreemdeling betreft, procesbelang bestaat bij een inwilligende asielbeschikking. Verweerder is in dat geval immers in het inwilligende besluit uitgegaan van andere persoonsgegevens dan die de vreemdeling bij indiening van zijn aanvraag heeft verstrekt. Indien, zoals de vreemdeling heeft betoogd, de tenaamstelling van de verblijfsvergunning onjuist is, zou dat betekenen dat de vreemdeling niet over een verblijfsvergunning beschikt. In dat licht valt niet staande te houden dat de vreemdeling geen belang heeft bij het door hem ingestelde beroep, aldus de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank is deze rechtspraak eveneens van toepassing bij betwisting van de geboortedatum, zoals in onderhavige situatie. Dat is immers ook een persoonsgegeven dat, indien onjuist, betekent dat eiser niet over een verblijfsvergunning beschikt. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de door de gemachtigde van eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 27 oktober 20173. De uitspraak van de Afdeling waar verweerder naar heeft verwezen, betrof het een vreemdeling die procedeerde over de registratie van zijn nationaliteit. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom dat een met eiser vergelijkbare situatie betreft. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van procesbelang. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Geboortedatum

3.1

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser zowel in Italië als in Nederland wisselend over zijn geboortedatum heeft verklaard. Voorts staat vast dat eiser zijn geboortedatum niet met documenten heeft aangetoond. De vraag is of verweerder op goede gronden de geboortedatum van [datum 1] 2000 heeft aangenomen. De rechtbank overweegt als volgt.

3.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling4 mag verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat de registratie in Italië zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Verweerder had dus mogen uitgaan van de geboortedatum zoals die kennelijk eerder in Italië is geregistreerd, namelijk [datum 2] 2000. Bij twijfel ligt het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen, bijvoorbeeld in de vorm van het aanbieden van een leeftijdsonderzoek. De rechtbank ziet in dit geval, zonder nadere motivering geen ruimte voor verweerder om, zoals ter zitting nader door verweerder is toegelicht, van geen enkele geboortedatum uit te gaan. Daarnaast is verweerder blijkens het bestreden besluit en eisers verblijfsdocument wel van een geboortedatum uitgegaan, namelijk [datum 1] 2000. Dit strookt niet met elkaar. De hierover ter zitting door verweerder afgelegde verklaring dat dit enkel te maken heeft met de registratie van de eerste verklaring omtrent de geboortedatum, maakt dit niet anders.

4. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een motiveringsgebrek op in het bestreden besluit, wat in het verweerschrift noch ter zitting is gerepareerd. In zoverre acht de rechtbank het bestreden besluit dan ook genomen in strijd met het zorgvuldigheidsvereiste, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit, voor zover hierbij is besloten de geboortedatum van eiser niet aannemelijk te achten en hierover geen uitspraak te doen, zal worden vernietigd.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 4 weken.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover hierbij is besloten de geboortedatum van eiser niet aannemelijk te achten;

- draagt verweerder op binnen 4 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 ECLI:NL:RVS:2017:3385

2 ECLI:NL:RVS:2003:AL3294.

3 ECLI:NL:RBDHA:2017:12539.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134 en 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159.