Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5649

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
NL17.14348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser (minderjarige asielzoeker uit Iran) heeft met zijn ouders die ook in Nederland zijn gebroken en hen verlaten. Hij wil zijn eigen leven opbouwen en zijn eigen keuzes maken. Verder stelt hij niet meer te geloven in de islam, danwel het christendom maar zijn eigen God te hebben. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afvalligheid niet geloofwaardig heeft hoeven achten omdat eiser dit niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het betoog van eiser dat hij hier naar school gaat, het goed met hem gaat en hij hier zijn leven heeft en in Iran niet het leven zou kunnen leiden zoals hij dat zou willen, acht de rechtbank niet voldoende om als vluchteling aangemerkt te worden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14348

[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 april 2018 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 2001, van Iraanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 13 juni 2017 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 6 december 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig G. de Vries, tolk in de Farsi taal, en [de persoon] , begeleider van [de Stichting] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Nadat de ouders van eiser een negatieve asielbeslissing hebben gekregen van verweerder, hebben zij samen met eiser de opvang voor asielzoekers verlaten. Hierdoor kon eiser niet meer naar school gaan. De ouders van eiser hadden constant ruzie met elkaar en hierdoor werd eiser belemmerd in zijn ontwikkeling. Eiser is toen weggelopen bij zijn ouders. Eiser wil werken aan zijn eigen toekomst en bepalen wat hij doet en daarom heeft hij asiel aangevraagd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij sinds ongeveer mei 2017 geen geloof meer heeft, maar nog wel in een God gelooft.

2.1

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiser onderscheiden:

a. eiser heeft verklaard dat hij [de man] is, geboren is op [geboortedatum] 2001, afkomstig is uit Ishafan en in het bezit van de Iraanse nationaliteit is;

b. na de afwijzende beschikking van 28 april 2017, hebben eiser en zijn ouders de opvang in Nederland verlaten. Hierdoor kon eiser niet naar school gaan, hadden zijn ouders continu ruzie en werd hij belemmerd in zijn ontwikkeling. Eiser wil werken aan zijn toekomst en heeft daarom een nieuwe asielaanvraag ingediend;

c. eiser heeft verklaard afvallige te zijn. Hij heeft geen geloof meer, maar gelooft nog wel in een God.

Standpunt verweerder

2.2

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser (element a) geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser de opvang heeft verlaten en het voor eiser niet meer mogelijk was om naar school te gaan. Dat voor eiser geen mogelijkheden zijn om zich in Iran te ontwikkelen, wordt niet gevolgd (element b). Verder acht verweerder niet geloofwaardig dat eiser afstand heeft genomen van het islamitische geloof en als afvallige moet worden aangemerkt (element c). Eiser kan daarom niet worden gezien als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag1 en evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig wordt geacht, is volgens verweerder bij eiser niet gebleken van een groep die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook is niet gebleken dat eiser behoort tot een door verweerder aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst. Volgens verweerder komt eiser daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

Standpunt eiser

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij als afvallige kan worden beschouwd. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij afstand heeft genomen van de islam en is hierdoor openlijk afvallig. Eiser verzoekt verder hetgeen hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. In de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn leeftijd en kennisniveau. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij een weloverwogen geformuleerd betoog kan houden op basis waarvan hij zijn afvalligheid nader uitgebreid onderbouwd. Ook is eiser van mening dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat afvalligen volgens WBV 2017/72 als een risicogroep worden aangemerkt. Daarnaast voert eiser in de zienswijze aan dat hij in de hoedanigheid van (kwetsbare) alleenstaande minderjarige asielzoeker bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade, hetgeen al blijkt uit het feit dat geen opvang voor alleenstaande minderjarige asielzoekers in Iran bestaat. Eiser verwijst hiertoe naar het algemeen ambtsbericht Iran van mei 2017, het rapport van UK Home Office van juli 2017 en het rapport van The United States Department of State over mensenhandel van 27 juni 2017.

Toetsingsintensiteit door de bestuursrechter

4. Ingevolge artikel 83a van de Vw 2000 omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 13 april 20163 de wijze van toetsen door de Nederlandse bestuursrechter als volgt omschreven.

5.1

De bestuursrechter toetst, binnen de grenzen van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 83 van de Vw 2000, of de besluitvorming die heeft geleid tot een standpunt dat een asielrelaas of een onderdeel daarvan ongeloofwaardig is, voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt, in het bijzonder wat betreft de zorgvuldigheid van de besluitvorming en de inhoud en kenbaarheid van de motivering van dat besluit. Verder toetst de bestuursrechter of het standpunt van verweerder over de voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas relevante elementen terecht is. De bestuursrechter toetst ook of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door hem aan een vreemdeling tegengeworpen tegenstrijdigheden, vaagheden en bevreemdingwekkende verklaringen betrekking hebben op essentiële onderdelen van diens asielrelaas. Deze manier van toetsen geldt ook voor het standpunt van verweerder over de vraag of de verklaringen van een vreemdeling, afgelegd tijdens de gehoren, tegenstrijdig met elkaar zijn. Door de bestuursrechter kan immers zonder meer worden vastgesteld of uit de rapporten van die gehoren blijkt dat een vreemdeling tegenstrijdig heeft verklaard. Ten slotte toetst de bestuursrechter, voor zover een vreemdeling het door hem in zijn asielrelaas gestelde met bewijsmiddelen heeft gestaafd, het standpunt van verweerder daarover overeenkomstig de uitgangspunten van het algemene bestuursrecht.

5.2

Bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens van een vreemdeling heeft verweerder beslissingsruimte en zal de bestuursrechter daarom moeten toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dat asielrelaas ongeloofwaardig is, zij het dat de bestuursrechter ook in dat geval de zorgvuldigheid en motivering van de besluitvorming van verweerder waarbij hij die beslissingsruimte gebruikt, moet toetsen.

Beoordeling door de rechtbank

6.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als afvallige aangemerkt dient te worden.

Eiser heeft tijdens het aanvullend nader gehoor van 31 augustus 2017 over zijn gestelde afvalligheid het volgende verklaard:

Pagina 5:

In het eerste en nader gehoor heb je verteld dat jij wel in God geloofd, maar dat je geen religie hebt. Klopt dat?

Ik heb mijn eigen God, ik praat met mijn eigen God. Als ik iets wil, vraag ik het aan mijn eigen God.

Heb ik goed begrepen dat jij eerst moslim was?

Dat was niet mijn eigen keuze. Elk kind dat in Iran geboren wordt, wordt moslim genoemd. Ook in mijn geval. Ik had geen keuze om er zelf voor te kiezen.

Kan je uitleggen hoe het zo is gekomen dat jij wel in een God gelooft, maar jezelf niet langer als moslim ziet?

Omdat ik al die problemen had en het uiteenvallen van mijn familie heb ik gezien. Dat ligt allemaal aan de islam.

Kan je uitleggen hoe je dit linkt aan de islam?

Islam is de schuldige. Daardoor is de familie uit elkaar gevallen. Elk kind wil graag bij zijn eigen familie horen.

Je vertelde dat je vanaf geboorte moslim was. Klopt het dat jij bent opgevoed als moslim?

Ja, ik ben als moslim grootgebracht.

Klopt het dat jouw ouders ook zijn geboren als moslim?

Ja.

Waren zij ook moslims toen zij in Iran woonden?

Ja.

Vertel eens hoe jij als moslim leefde in Iran, wat deed je zoal om jouw religie te praktiseren?

Dat is van twee of drie jaar geleden. Ik wist niets van de islam. Ik ging naar een school, na school ging ik fietsen en met vrienden spelen.

Ging jij bijvoorbeeld naar de moskee of ging je naar Koran les of iets anders?

Ik vond het niet leuk.

Ging je er wel naar toe?

Nee. Koranschool, wat is dat?

Ik bedoel of je op school les kreeg over de islam of misschien in de moskee leerde de Koran te lezen?

Nee, dat deed ik niet.

Je zegt dat je niets weet over islam. Deed je ook aan speciale religieuze rituelen? Dan kan je denken aan bidden of vasten?

Nee.

Deden jouw ouders dat wel?

Dat kan ik me niet herinneren.

Pagina 6:

Volgens mij wordt de vastenmaand wel groots gevierd in Iran. Kreeg jij daar iets van mee?

Nee, echt niet. Ik was heel jong. Ik heb het een paar keer gezegd. Ik ging naar school en verder weet ik het niet.

Hoorde jij wel eens dat je vader op vrijdag naar de moskee ging?

Nee.

Ging hij niet naar de moskee of weet je dat niet?

Hij ging niet.

(…)

Als ik je goed begrijp, kan jij niets vertellen over de islam omdat je er nooit over hebt gehoord?

Ja.

Heb je zelf ooit geprobeerd om je te verdiepen in de islam?

Nee.

Ik begrijp uit je antwoorden dat je niet voor de islam wilde kiezen. Wat vond je dan niet leuk aan de islam?

Dat mijn familie uit elkaar is gevallen. Dat is wat ik heb begrepen de schuld van de islam.

Waarom denk jij dat de islam de oorzaak is daarvan?

Dat zeg ik, islam is de schuldige omdat de familie uit elkaar is gevallen.

6.2

Gelet op de weergegeven verklaringen van eiser overweegt de rechtbank dat verweerder de afvalligheid niet geloofwaardig heeft hoeven achten omdat eiser dit niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij niet duidelijk heeft aangegeven wat hij niet leuk vindt aan de islam. Eiser heeft meerdere keren verklaard dat de problemen van zijn ouders ertoe hebben geleid dat hij zich heeft afgekeerd van de islam, maar waarom dit zo was, heeft eiser niet duidelijk kunnen maken. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn ouders en hij niet heel actief de islam praktiseerden in Iran. Hij heeft zich niet verdiept in de islam en niet duidelijk is tegen welke elementen van de islam hij zich wil afkeren. Dat de bekering tot het Christendom van zijn ouders mede ertoe heeft geleid dat eiser afstand heeft genomen van de islam, heeft verweerder niet hoeven volgen. De bekering van zijn ouders is namelijk ongeloofwaardig geacht. Hoewel eiser een jonge jongen is en daarom niet van hem verwacht mag worden dat hij uitgebreid, gedetailleerd en gemotiveerd betoogd waarom hij zich wil afkeren van de islam, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat hetgeen eiser nu heeft verklaard te weinig is om aan te nemen dat hij afvallig is. ook gelet op zijn jonge leeftijd. Gelet hierop is het beleid van verweerder ten aanzien van afvalligen ook niet van toepassing op eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eisers betoog ter zitting dat hij hier naar school gaat, het goed met hem gaat, hij hier zijn leven heeft en in Iran niet het leven zou kunnen leiden zoals hij dat zou willen, acht de rechtbank niet voldoende om als vluchteling te worden aangemerkt. Dat eiser zijn leven hier fijner vindt dan zijn leven in Iran, kan de rechtbank begrijpen, maar dat hij niet terug kan omdat hij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingverdrag moet worden aangemerkt of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van eiser dat hij vanwege zijn leeftijd een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer omdat geen opvang in Iran bestaat voor alleenstaande minderjarige asielzoekers, volgt de rechtbank niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat geen adequate opvang in Iran aanwezig is. Eiser heeft immers verklaard dat er nog vele tantes en ooms van hem in Iran leven. Dat hij daar liever niet naartoe wil, maakt voor de vraag of er adequate opvang aanwezig is, niet uit. De in dat kader door eiser overgelegde stukken zien niet op hem specifiek en maken het feit dat opvang aanwezig is in de bredere familiekring, niet anders. De beroepsgrond slaagt evenmin.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Verdrag van Geneve betreffende de status van vluchtelingen van 1951, (Trb. 1954, 88) zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76)

2 Besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 augustus 2017, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.

3 ECLI:NL:RVS:2016:890.