Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5646

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-05-2018
Zaaknummer
NL17.12925
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Sierra Leone en stelt homoseksueel te zijn. Verweerder acht dit ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de cultuur en het opleidingsniveau van eiser en dat verweerder op bepaalde onderwerpen onvoldoende heeft doorgevraagd. Mede hierom heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de door eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor en in de zienswijze gegeven toelichting. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.12925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2018

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1993,

v-nummer [nummer] ,

van Sierra Leoonse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. N.D. Schraa),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Çöplü.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. In Sierra Leone, waar eiser vandaan komt, wordt dit maatschappelijk niet geaccepteerd. Eiser had sinds zijn zestiende een relatie met [vriendje] . Op 26 november 2015 zijn hij en [vriendje] door schoolgenoten betrapt terwijl ze seks hadden in het toiletgebouw. Eiser en [vriendje] zijn toen gevlucht en elkaar uit het oog verloren. Eiser is naar een vriend gegaan, van wie hij heeft gehoord dat de school aangifte heeft gedaan en dat zijn oom, bij wie hij woonde, op de hoogte is gebracht. Op 28 november 2015 heeft eiser zijn land verlaten.

2. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn. Eiser verklaart vaag en summier ten aanzien van zijn bewustwording en zelfacceptatie. Eisers verklaringen concentreren zich op seksuele handelingen als identificerend voor homoseksueel. Verder verklaart eiser vaag en summier over hoe hij zijn seksualiteit heeft beleefd tegen de achtergrond van zijn religie. Eiser verklaart tevens vaag en summier over zijn relatie met [vriendje] . Voorts zijn eisers verklaringen over de gebeurtenissen op 26 november 2015 onwaarschijnlijk en opmerkelijk. Tot slot heeft eiser weinig kennis van de LHBT gemeenschap in Sierra Leone en in Nederland. Hieruit volgt dat de gestelde homoseksuele oriëntatie van eiser niet geloofwaardig is, aldus verweerder. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

3. Eiser is het hier niet mee eens en betwist in beroep gemotiveerd dat zijn homoseksuele geaardheid en zijn hieruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.

4. Blijkens werkinstructie 2015/9 ligt het zwaartepunt bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn of haar seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe eisers ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is.

5. Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630, moet de vreemdeling kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles bezien tegen de achtergrond van zijn land van herkomst en de omgeving waaruit hij afkomstig is, waarbij relevant zijn het moment van bewustwording en eventuele andere belangrijke momenten, zoals het aangaan van een relatie. Uit deze uitspraak volgt ook dat verweerder inzichtelijk moet maken hoe hij de verklaringen over een gestelde seksuele gerichtheid heeft beoordeeld en gewaardeerd.

6. Niet is in geschil dat homoseksualiteit in Sierra Leone maatschappelijk niet wordt aanvaard en dat openbare handelingen die kunnen samenhangen met homoseksualiteit strafbaar zijn.

7. De rechtbank stelt vast dat blijkens het bestreden besluit het zwaartepunt in de beoordeling ligt bij het proces van ontdekking en zelfacceptatie door eiser van zijn gestelde seksuele gerichtheid.

8. Verweerder heeft in het kader van de beoordeling van de seksuele gerichtheid aan eiser tegengeworpen dat hij inconsistent heeft verklaard over het moment van bewustwording van zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij ongeveer zestien jaar oud was toen hij interesse kreeg in jongens en dacht dat hij misschien homoseksueel was en dat zijn acceptatie van zijn zestiende tot zijn zeventiende heeft geduurd. Anderzijds heeft eiser echter verklaard dat hij al voor zijn zestiende een ander gevoel had dan andere jongens en dat hij op zijn zestiende zeker wist dat hij homoseksueel was, nadat hij seks met een jongen had gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter heeft onvoldoende rekening gehouden met de door eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor en in de zienswijze gegeven toelichting, dat hij al voor zijn zestiende dergelijke gevoelens had, maar het op zijn zestiende zeker wist. Eiser heeft daarbij aangegeven dat de ontstane onduidelijkheid het gevolg is van de omstandigheid dat termen als acceptatie, bewustwordingsproces en uiting geven aan voor eiser moeilijk te begrijpen zijn. Juist in een land waar homoseksualiteit maatschappelijk niet wordt getolereerd ligt het gebruik van zulke termen niet voor de hand. Verweerders stelling, dat eiser dit gelet op zijn opleidingen wel zou moeten begrijpen volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat verweerder hiermee voorbij gaat aan het door eiser gestelde, volgt uit het rapport van eerste gehoor immers dat eiser noch het basisonderwijs noch de technische beroepsopleiding heeft afgerond. Verweerder heeft zich dan ook niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser inconsistent en summier heeft verklaard over zijn bewustwordings- en acceptatieproces.

9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat hij bij zijn verklaringen over zijn relatie met [vriendje] een eenzijdige focus op seksuele handelingen ten toon spreidt. Eiser wijst er terecht op dat hij meer heeft verklaard dan enkel over seksuele handelingen. Zo heeft eiser verklaard over dingen die ze samen deden, dat ze nooit ruzie hadden en dat hij het fijn vond om samen te zijn. Dat eiser niet over specifieke onderwerpen heeft verklaard, zoals de karaktereigenschappen van [vriendje] , kan hem niet zonder nadere motivering worden tegengeworpen. Verweerder heeft eiser algemene vragen gesteld over zijn relatie met [vriendje] . Als verweerder meent dat de door eiser gegeven antwoorden niet op de door hem van belang geachte onderwerpen ingaan, is het aan hem daarover door te vragen. Hoewel het in beginsel aan eiser is om volledige en geloofwaardige verklaringen omtrent zijn asielrelaas af te leggen, heeft verweerder immers ook een samenwerkingsplicht, die inhoudt dat hij actief, bijvoorbeeld door het stellen van nadere vragen, met eiser moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven. Voorts heeft verweerder in zijn beoordeling onvoldoende kenbaar betrokken dat eiser afkomstig is uit een cultuur waarin het niet gebruikelijk is om gedetailleerd over een relatie te verklaren. De motivering dat, hoewel eiser aanvoert voor zijn doen veel te hebben gesproken, dit geen maatstaf is, getuigt daar niet van.

10. Verweerder stelt zich tot slot onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat eiser vaag en summier heeft verklaard over het beleven van zijn seksualiteit tegen de achtergrond van zijn religie. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verweerder hierover slechts twee vragen aan eiser heeft gesteld. Op deze vragen heeft eiser geantwoord hoe hij zijn gestelde seksuele gerichtheid heeft beleefd tegen de achtergrond van zijn geloof. Indien verweerder meent dat deze verklaringen niet rijmen met het zijn van een praktiserend moslim, had het in de rede gelegen daarover door te vragen. Zo heeft verweerder nagelaten aan eiser te vragen wat het voor hem betekent om praktiserend moslim te zijn. Zonder daar een goed beeld van te hebben kan verweerder niet zonder meer aan eiser tegenwerpen dat zijn schijnbaar gemakkelijke acceptatie van zijn seksuele gerichtheid niet met zijn religie te rijmen is.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig is.

12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.P.H. Evers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.