Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5552

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
AWB 17 / 4225
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is gericht tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit waarbij eisers verblijfsrecht op grond van het Unierecht is beëindigd en hij ongewenst verklaard is. Er is - anders dan eiser betoogt - geen wettelijke bepaling die verweerder verplicht om eiser voorafgaand aan de besluitvorming op bezwaar kenbaar te maken dat een (bevrijdend) stuk dat hij in bezwaar heeft ingeroepen, niet voldoet ter onderbouwing van zijn stellingen en hem vervolgens in de gelegenheid te stellen een dergelijk gebrek te herstellen. Verweerder heeft voorts voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Dat eiser zich - zoals gesteld - in detentie goed gedragen heeft, is een positieve ontwikkeling, maar bezien tegen de achtergrond van de relatief recente pleegdata, de niet geringe duur van de opgelegde straf en het feit dat eiser de periode sinds het plegen van de misdrijven tot aan zijn vertrek naar Polen vrijwel uitsluitend in detentie heeft doorgebracht, heeft verweerder daaraan niet ten onrechte niet of nauwelijks gewicht toegekend. Ook de aan eiser verleende strafonderbreking is niet van doorslaggevende betekenis. In het onderhavige geval zijn voorts geen feiten en omstandigheden ingeroepen die maken dat eisers situatie anders is dan ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in het bestreden besluit gegeven motivering nog steeds toereikend is. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/4225

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Wudka),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsrecht op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ook verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Poolse nationaliteit. Verweerder heeft de beëindiging van eisers verblijfsrecht op grond van het Unierecht gebaseerd op informatie uit het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst van 25 februari 2016. Volgens dit uittreksel is eiser bij het arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof van

’s-Hertogenbosch van 30 september 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden ter zake van een geweldsmisdrijf (afpersing en diefstal in vereniging, en medeplegen van mishandeling), gepleegd op 29 januari 2012. Bij besluit van 22 juli 2016 is eiser strafonderbreking verleend. Op 26 augustus 2016 is hij uitgezet naar Polen.

2. Verweerder heeft geconcludeerd dat eisers persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. In de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft verweerder geen aanleiding gevonden om af te zien van de beëindiging van diens verblijfsrecht. De omstandigheden waaronder eiser de delicten heeft gepleegd, zijn er volgens verweerder nog steeds. Het gedrag van eiser heeft verweerder aangemerkt als voldoende ernstig. Verweerder heeft eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ongewenst verklaard, omdat hij bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld voor misdrijven waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

In hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding gevonden om van de beëindiging van zijn verblijfsrecht, dan wel van zijn ongewenstverklaring af te zien. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn betoog dat hij geen ernstige en actuele bedreiging meer vormt, weliswaar een rapportage overgelegd over zijn gedrag tijdens zijn detentie in Nederland, maar deze rapportage heeft verweerder terzijde geschoven omdat die er niet uitziet als een officieel stuk dat is afgegeven door de rijksoverheid. Daarnaast heeft verweerder in aanmerking genomen dat het aangekondigde stuk van de Poolse autoriteiten dat eiser nog zou overleggen, niet meer is ontvangen.

3. In beroep heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte geen acht geslagen heeft op de eerder genoemde stukken die hij in bezwaar heeft overgelegd. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid. In zijn visie had het op de weg van verweerder gelegen om hem, voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, te wijzen op eventuele tekortkomingen in de overgelegde stukken, zodat hij die had kunnen herstellen. In beroep heeft hij de eerdergenoemde rapportage over zijn gedrag tijdens detentie nogmaals overgelegd, dit keer voorzien van een stempel van de Penitentiaire Inrichting (PI) Roermond en een paraaf van de casemanager. Daarnaast heeft hij het in bezwaar aangekondigde stuk van het Poolse Ministerie van Justitie, afgegeven op 6 september 2016, alsnog overgelegd. In dit stuk is blijkens de bijgevoegde vertaling vermeld dat eiser niet is opgenomen in het Strafrechtelijk register van het landelijk antecedentenregister bij de arrondissementsrechtbank. Ter zitting heeft eiser aan dit betoog nog toegevoegd dat niet gezegd kan worden dat hij thans nog een actuele en ernstige bedreiging vormt en dat verweerder feitelijk niet naar de actuele situatie heeft gekeken.

4. Eisers gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting bevestigd, dat de gronden van het beroep enkel betrekking hebben op verweerders standpunt ten aanzien van de in bezwaar overgelegde stukken. De eerst ter zitting gegeven uitbreiding van de gronden, in die zin dat weersproken wordt dat eiser thans nog een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, zijn dan ook tardief aangevoerd. Nu verweerder evenwel heeft verklaard dat hij zich hierdoor niet in zijn belangen geschaad acht en er ter zitting op heeft aangedrongen om de tardief aangevoerde gronden bij de beoordeling te betrekken, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze tardief aangevoerde gronden buiten beoordeling te laten. Achtereenvolgens zal de rechtbank dan ook beoordelen of verweerder het bestreden besluit voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.

5. Eisers stelling dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen, omdat verweerder heeft nagelaten hem voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit te wijzen op eventuele tekortkomingen in de overgelegde stukken, mist een juridische grondslag. Er is geen wettelijke bepaling die verweerder verplicht om eiser voorafgaand aan de besluitvorming op bezwaar kenbaar te maken dat een (bevrijdend) stuk dat hij in bezwaar heeft ingeroepen, niet voldoet ter onderbouwing van zijn stellingen en hem vervolgens in de gelegenheid te stellen een dergelijk gebrek te herstellen. De situatie waarop artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht betrekking heeft, is hier immers in het geheel niet aan de orde. De rechtbank ziet dan ook noch in de gang van zaken rond het stuk dat betrekking heeft op eisers detentie in Nederland, noch in het aangevoerde ten aanzien van het - onbedoeld - eerst in beroep overgelegde stuk van de Poolse autoriteiten, grond voor het oordeel dat het bestreden besluit deswege niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen zou zijn.

6. Op grond van hetgeen eiser ter zitting alsnog ten materiële heeft aangevoerd alsmede het verhandelde ter zitting, concludeert de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat het persoonlijk gedrag van eiser een werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of deze bedreiging actueel is. Volgens eiser heeft verweerder feitelijk niet naar de actuele situatie gekeken.

7. Aan zijn standpunt dat eiser nog steeds een actuele dreiging voor de openbare orde is, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser nog niet lang geleden, te weten op

29 januari 2012, meermalen strafbare feiten heeft gepleegd waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. De straf die eiser gekregen heeft is volgens verweerder een hoge straf. Uit het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

24 december 2012 is verweerder verder gebleken dat eiser in 2009 in Polen nog is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. Verweerder heeft hieruit opgemaakt dat eiser in korte tijd meerdere strafbare feiten heeft gepleegd. Volgens verweerder is er sprake van recidivegevaar. Daartoe heeft hij erop gewezen dat de eerder (in Polen) opgelegde straf eiser er niet van weerhouden heeft opnieuw misdrijven te plegen. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat eisers persoonlijke gedrag blijk geeft van een ernstig gebrek aan respect voor rechtsregels en voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen. Ook maakt eisers persoonlijk gedrag volgens verweerder duidelijk dat zijn handelen uitsluitend wordt ingegeven door het oogmerk van persoonlijk geldelijk gewin. De gepleegde strafbare feiten hangen samen met eisers financiële gesteldheid. Niet is gebleken dat eisers financiële gesteldheid als criminogene factor is weggenomen. De omstandigheid dat eiser geen strafbare feiten heeft gepleegd in de korte periode dat hij in vrijheid was gesteld in afwachting van de uitspraak in zijn hoger beroep, legt volgens verweerder te weinig gewicht in de schaal om aan te nemen dat eiser zijn gedrag in de samenleving daadwerkelijk heeft verbeterd. Volgens verweerder heeft eiser ook niet verklaard zijn leven te willen beteren en blijkt uit het arrest van het gerechtshof en het proces-verbaal van de terechtzitting ook niet dat hij zijn daden betreurt en de ontoelaatbaarheid daarvan inziet.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het hiervoor weergegeven standpunt voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Anders dan eiser heeft betoogd kan niet gezegd worden dat verweerder enkel naar de gepleegde strafbare feiten heeft gekeken en eisers persoonlijke omstandigheden niet zou hebben meegewogen. Verweerder heeft de aard en ernst van de gepleegde misdrijven en de impact daarvan wel in aanmerking genomen en zich, zoals in het verweerschrift wordt benadrukt, op het standpunt gesteld dat dat deze zodanig ingrijpend zijn dat eiser reeds door het eenmalig plegen ervan een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarnaast heeft verweerder onder meer in aanmerking genomen dat eiser geen berouw heeft getoond. Voor zover op grond van het overgelegde stuk van de PI Roermond zou moeten worden aangenomen dat hij zich in detentie goed gedragen heeft, is dit weliswaar een positieve ontwikkeling, maar bezien tegen de achtergrond van de relatief recente pleegdata, de niet geringe duur van de opgelegde straf en het feit dat eiser de periode sinds het plegen van de misdrijven tot aan zijn vertrek naar Polen vrijwel uitsluitend in detentie heeft doorgebracht, heeft verweerder daaraan niet ten onrechte niet of nauwelijks gewicht toegekend. Het overgelegde stuk van de Poolse autoriteiten is afgegeven op 6 september 2016, zijnde ruim een maand na eisers terugkeer in Polen, en biedt reeds hierom op dit punt evenmin veel houvast. Ook aan de aan eiser verleende strafonderbreking, die juist gericht was op bescherming van de Nederlandse samenleving, heeft verweerder niet de door eiser gewenste betekenis hoeven toe te kennen.

9. Voor zover eiser heeft betoogd dat de gegeven beoordeling niet voldoende actueel is, neemt de rechtbank verder in aanmerking datgene wat het Hof van Justitie in het arrest van 29 april 2004, in gevoegde zaken C-482 en C-493/01, inzake Orfanopoulos e.a. en Oliveri tegen Land Baden-Württemberg (ECLI:EU:C:2004:262) heeft overwogen. Het Hof overwoog dat artikel 3 van Richtlijn 64/221/EEG zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke de nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van een onderdaan van een andere lidstaat geen rekening dienen te houden met feiten die zich na het laatste overheidsbesluit hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van de betrokkene voor de openbare orde vormde, verdwijnt of sterk vermindert. Dit is naar het oordeel van het Hof van Justitie vooral het geval indien er tussen de datum van het besluit tot uitzetting en de datum waarop de bevoegde rechter dit besluit toetst, een lange periode is verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat het enkele tijdsverloop dat sinds de onderhavige besluitvorming is verstreken, zonder dat gebleken is van enige wijziging in eisers omstandigheden, met zich zou brengen dat verweerders motivering ontoereikend moet worden geacht. In het onderhavige geval zijn geen feiten en omstandigheden ingeroepen die maken dat eisers situatie anders is dan ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in het bestreden besluit gegeven motivering nog steeds toereikend is.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels (voorzitter), en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen en mr. A.A.M.J. Smulders, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 mei 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.