Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5487

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
C/09/549165 / KG ZA 18/223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitlevering aan Turkije niet verboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/549165 / KG ZA 18/223

Vonnis in kort geding van 18 april 2018

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. H. Uzumcu te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door de Staat overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. De Turkse autoriteiten hebben in januari 2014 de uitlevering van eiser verzocht. Eiser is op 21 november 2014 in Slovenië aangehouden, maar is begin 2016 alsnog in Nederland aangehouden.

2.2.

Bij uitspraak van 5 april 2016 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van eiser aan Turkije toelaatbaar verklaard. Bij beschikking van 9 mei 2016 heeft de minister van Justitie en Veiligheid de uitlevering van eiser toegestaan. Bij brief van 10 mei 2016 heeft de minister aan eiser bericht dat Turkije de garantie heeft gegeven dat eiser een eventuele vrijheidsstraf in Nederland kan ondergaan.

2.3.

In afwachting van de ontwikkelingen in Turkije in de nasleep van de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016 zijn beslissingen over uitleveringen aan Turkije, waaronder die van eiser, enige tijd aangehouden. De minister heeft aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten gevraagd. Bij brief van 3 februari 2017 hebben de Turkse autoriteiten – ten behoeve van diverse uitleveringsverzoeken, waaronder dat van eiser – bericht:

“In dit kader stemmen wij (...) in met het verstrekken van

(...)

de in paragraaf 3 vermelde garantie dat aan de personen om wier uitlevering wordt verzocht, het recht zal worden toegekend op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, zulks conform de standaarden van artikel 6 van het EVRM.”

2.4.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft desgevraagd een advies verstrekt op 10 maart 2017, met een aanvulling op 18 september 2017. In het advies van 10 maart 2017 staat onder meer vermeld:

“Voor commune delicten is het over het algemeen geen probleem om een advocaat te vinden. Indien betrokkene dit niet kan betalen wordt een advocaat toegewezen.”

2.5.

Bij brief van 4 december 2017 heeft de minister aan de raadsman van eiser bericht dat hij geen reden ziet voor een verdere opschorting van de uitlevering van eiser en dat hij het openbaar ministerie zal verzoeken de uitlevering ter hand te nemen.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te verbieden eiser uit te leveren aan Turkije, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. de Staat te gebieden de hechtenis van eiser op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. de Staat te gebieden onderzoek te doen naar de wijze waarop de strafprocedure tegen eiser door Turkije afgehandeld zal en kan worden en/of welke garanties Turkije kan verstrekken met betrekking tot de termijn van de strafprocedure en of eiser gedurende de procedure in Turkije in vrijheid mag verblijven of het proces vanuit Nederland kan volgen.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. De minister heeft de zorgpunten van eiser onvoldoende onderzocht. Zo is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de naleving van termijnen voor de afdoening van de zaak van eiser. De procedure is al sinds 2010 in Turkije aanhangig en in behandeling. Er heerst rechtsonzekerheid in Turkije. Turkije heeft onvoldoende tijd en kracht om de zaken af te doen en veel zaken staan te lang stil voordat ze aan de beurt komen. Een zorg is ook in hoeverre rechters in Turkije het voor het zeggen hebben. De Turkse staat legt gerechtelijke uitspraken naast zich neer. Verder is onduidelijk of eiser gedurende de periode van het proces in Turkije in hechtenis moet blijven of dat hij de procedure in vrijheid kan afwachten. Berechting van eiser in Turkije zou ook buiten zijn aanwezigheid kunnen plaatsvinden. Daarnaast is het de vraag of eiser in Turkije een advocaat krijgt toegewezen of een voorkeursadvocaat kan aanwijzen op kosten van de Staat.

Er heeft geen goede belangenafweging plaatsgevonden om tot de beslissing te komen om eiser alsnog uit te leveren. De door Turkije gegeven garanties zijn geen echte garanties en het is de vraag of deze nog bindend zijn en zullen worden nageleefd.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat in de gevallen waarin zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat is toegetreden tot het EVRM, zoals in dit geval, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen, welk vertrouwen meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende staat. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

4.2.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat zijn uitlevering reeds een inbreuk zal maken op de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, kan dat standpunt niet worden gevolgd. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt kennelijk naar de geruime tijd die is verstreken sinds het tegen hem uitgevaardigde arrestatiebevel en sinds het uitleveringsverzoek. Weliswaar hebben de Turkse autoriteiten reeds in 2010 een arrestatiebevel tegen eiser uitgevaardigd, maar het uitvaardigen van een arrestatiebevel is geen daad van vervolging die de redelijke termijn van artikel 6 EVRM doet aanvangen. Het uitleveringsverzoek van 2014, met het daarin vervatte voornemen om eiser te vervolgen, is evenmin een daad van vervolging die de redelijke termijn van artikel 6 EVRM doet aanvangen. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat (reeds nu) sprake is van een schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in geval van uitlevering.

4.3.

Evenmin is gebleken dat eiser door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Eiser stelt op zichzelf terecht dat de gevolgen van de mislukte staatsgreep in Turkije hebben geleid tot capaciteitsproblemen bij de rechterlijke macht aldaar. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt of geconcretiseerd dat zijn proces zodanig traag zal verlopen dat hij een te lange tijd in voorarrest zal moeten doorbrengen en/of zijn zaak niet binnen een redelijke termijn zal worden behandeld. Daarbij komt dat de Staat – anders dan eiser in zijn dagvaarding stelt – onderzoek heeft verricht naar de naleving van artikel 6 EVRM. Hiermee is de bestaande onduidelijkheid over de naleving van artikel 6 EVRM weggenomen. De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 3 februari 2017 gegarandeerd dat aan eiser het recht zal worden toegekend op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn. De enkele twijfel van eiser of dat daadwerkelijk zal gebeuren, is onvoldoende om niet van deze garantie uit te gaan. Het betreft een onvoorwaardelijke en vrij recent gegeven garantie, zodat de twijfel van eiser ongefundeerd lijkt. Mocht eiser later van mening zijn dat de redelijke termijn toch is overschreden, dan staat aan eiser een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste ter zake van die gestelde inbreuk.

4.4.

Voor zover eiser betoogt dat de door de Turkse autoriteiten verstrekte zogenoemde terugkeergarantie onvoldoende is, slaagt dat betoog niet. Dat eiser deze garantie pas na een eventuele veroordeling kan inroepen, is gebruikelijk en doet niet af aan de waarde of geloofwaardigheid van de garantie. Eiser heeft zijn kennelijke vrees dat – indien hij na een veroordeling tenuitvoerlegging in Nederland wenst – de Turkse autoriteiten zijn overbrenging niet in gang zullen zetten, niet nader onderbouwd. Eiser heeft zijn vrees dat hij in Turkije geen toegang zal hebben tot (gekozen) rechtsbijstand evenmin onderbouwd. De Turkse autoriteiten hebben in (een bijlage bij) de brief van 3 februari 2017 gemeld dat er geen sprake is van enigerlei beperking aangaande de toegang tot advocaten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft na eigen onderzoek in het advies van 10 maart 2017 gemeld dat het voor commune delicten over het algemeen geen probleem is om een advocaat te vinden en dat een advocaat wordt toegewezen indien betrokkene dit niet kan betalen. Er bestaat geen grond om deze mededelingen in twijfel te trekken.

4.5.

Eiser stelt daarnaast dat berechting in Turkije ook buiten zijn aanwezigheid zou kunnen plaatsvinden. Het ligt echter niet op de weg van de Staat om die afweging te maken. Het uitleveringsverzoek impliceert dat de Turkse autoriteiten eiser op tegenspraak wensen te berechten. De Staat heeft terecht aangevoerd dat hij de afweging die aan een dergelijk verzoek voorafgaat, dient te respecteren. De Staat is evenmin gehouden duidelijkheid te schapen over een eventuele voorlopige hechtenis van eiser na zijn uitlevering. De beslissing over een voorlopige hechtenis van eiser ligt bij de Turkse justitie, maar is bovendien afhankelijk van aan de hand van toekomstige, nog onzekere gebeurtenissen. Het op voorhand verkrijgen van duidelijkheid hierover is hoe dan ook niet mogelijk.

4.6.

Het betoog van eiser dat de minister geen belangenafweging heeft gemaakt alvorens tot zijn conclusie te komen dat de uitlevering van eiser ter hand kon worden genomen, mist een feitelijke grondslag. De gemaakte belangenafweging volgt immers uit de overgelegde brief van 4 december 2017, die aan de raadsman van eiser is toegezonden.

4.7.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de Turkse staat gerechtelijke uitspraken naast zich neer legt. Dat standpunt kan – zonder concrete onderbouwing, die ontbreekt – niet worden gevolgd. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat die handelwijze zich zal voordoen in zijn eigen strafzaak, te minder nu hij wordt verdacht van het plegen van een commuun delict, zonder enige politieke gevoeligheid.

4.8.

Gelet op al het voorgaande zullen de vorderingen van eiser, genoemd onder 3.1., sub I en III worden afgewezen. Eiser zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering die ertoe strekt zijn uitleveringsdetentie op te heffen, zoals genoemd onder 3.1., sub II. Die vordering dient immers te worden beoordeeld door de uitleveringsrechter. Gelet op die rechtsgang, bestaat voor de kortgedingrechter geen rol.

4.9.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tot opheffing van zijn hechtenis;

5.2.

wijst het overige gevorderde af;

5.3.

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.442,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

hvd