Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5386

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6621
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzet op grond van artikel 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens ongegrond. Schadevergoeding in verband met onrechtmatige verstrekking van inkomensgegevens aan verhuurder.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1285
V-N 2018/38.25 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/1480 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
JBP 2018/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6621

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.Chr. Rube),

en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr.drs. I.A. Huppertz).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzet en het verzoek om een schadevergoeding en een dwangsom afgewezen.

Bij besluit van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser huurt een sociale huurwoning van de woningbouwcoöperatie [woningcoöperatie] op het adres [adres] te [plaats]. [woningcoöperatie] heeft verweerder verzocht om inkomensindicaties over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. Verweerder heeft dat verzoek ingewilligd.

2. Op 12 februari 2016 heeft eiser verzet en/of bezwaar ingesteld tegen de verstrekking van de inkomensindicaties over 2013, 2014 en 2015 aan [woningcoöperatie]. Op 29 oktober 2016 heeft eiser ook ten aanzien van de verstrekking over 2016 verzet en/of bezwaar ingesteld. Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet ontvankelijk is en het verzet afgewezen moet worden. De verwerking van de persoonsgegevens is inmiddels afgerond en een verzet is daarom niet succesvol.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 40 van de Wbp, dat de verwerking van de persoonsgegevens pas onrechtmatig is, indien de verwerking wordt voortgezet nadat de rechter heeft geoordeeld dat het verzet van eiser gerechtvaardigd is. De onrechtmatigheid heeft derhalve slechts op de toekomst betrekking en niet op het verleden. Voor het verzet tegen het verstrekken van inkomensindicaties over de jaren 2013, 2014 en 2015 betekent dit dat het verzet pas werking heeft vanaf 12 februari 2016, slechts op de toekomst betrekking heeft en eerst onrechtmatig is wanneer de verstrekking wordt voortgezet nadat de rechter heeft geoordeeld dat het verzet gerechtvaardigd is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de rechter de verwerking van de gegevens over de jaren 2013, 2014 en 2015 als onrechtmatig heeft beoordeeld. Evenmin is gebleken, aldus verweerder, dat verweerder de gegevens na het indienen van het verzet nog op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) heeft verstrekt. Ten aanzien van de verstrekking over het jaar 2016 overweegt verweerder dat vanaf 1 april 2016 artikel 7:252a, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is gewijzigd, in die zin dat daarin thans uitdrukkelijk is bepaald dat de inspecteur de inkomensverklaring dient te verstrekken (Stb. 2016, 124, 125). Per 1 januari 2017 is deze verplichting verplaatst naar artikel 7:252a, lid 4 van het BW. De belastingdienst verstrekt daardoor vanaf 1 april 2016 de inkomensindicaties aan verhuurders op grond van een wettelijke verplichting. De grondslag voor de verwerking is artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp. Tegen de verwerking van persoonsgegevens op basis van een wettelijke verplichting staat geen verzet open, aldus verweerder.

4. Eiser betoogt dat zijn verzet ontvankelijk is omdat de verstrekkingen van de inkomensindicaties in strijd zijn met artikel 67, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:253). Er bestond geen wettelijke verplichting voor de belastingdienst om inkomensgegevens van een huurder voor de sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder als de verhuurder daarom vroeg. Uit de Wbp kan niet blijken dat die handelingen pas onrechtmatig zijn nadat de rechtbank dat heeft vastgesteld en dat het verzet pas werking zou hebben na het verzet van 12 februari 2016. Het verzet kon worden ingesteld op grond van artikel 40 van de Wbp, omdat de verwerking van de gegevens is strijd is met de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 9, vierde lid, van de Wbp. Bovendien is in de rechtsmiddelenclausule opgenomen dat eiser verzet kon instellen en in vergelijkbare zaken wordt dat ook gedaan. Voor wat betreft de verstrekking van de inkomensindicatie in het jaar 2016 voert eiser aan dat ook voor dit jaar het gebruik van de gegevens uit de Basisregistratie inkomen een schending is van artikel 21 f , lid 1, van de Awr jo artikel 21 sub f van de Awr en artikel 67 van de Awr. Daarnaast heeft de wetswijziging van artikel 7: 252a, lid 3, van het BW geen van de bezwaren weggenomen.

Eiser verzoekt vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het verstrekken van de inkomensindicaties door verweerder, zijnde de extra huursommen, de daaropvolgende huurverhogingen en de kosten van de daaropvolgende verhuizing, ter hoogte van € 2.700,- Voor het recht op schadevergoeding verwijst eiser naar artikel 23 van de EU-Privacyrichtlijn en artikel 47 en 51 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. En mocht hierover twijfel bestaan dan verzoekt eiser dit in het kader van een prejudicieel verzoek voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser stelt voorts recht te hebben op schadevergoeding op grond van een overschrijding van de redelijke termijn, te weten een bedrag van € 1.260,-.

5. Voor het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de bijlage.

6. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep gericht tegen het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het door eiser ingediende verzet als volgt.

Ten aanzien van de jaren 2013/2014/2015
6.1. Eiser komt op tegen het verstrekken van zijn persoonsgegevens door verweerder aan [woningcoöperatie]. De verstrekking van een inkomensverklaring is het verwerken van persoonsgegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:911) en 3 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:253) overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het eerste lid van artikel 67 van de Awr geldt als hoofdregel dat de Belastingdienst gegevens die hij bij zijn taakuitoefening heeft verkregen, niet aan derden mag verstrekken. Achtergrond hiervan is dat de Belastingdienst ruime wettelijke bevoegdheden heeft om privacygevoelige informatie over belastingplichtigen te verzamelen en dat belastingplichtigen gehouden zijn die bij hen opgevraagde gegevens te verschaffen. Artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr voorziet in een uitzondering op de in het eerste lid van dat artikel neergelegde geheimhoudingsplicht in geval een wettelijk voorschrift tot verstrekking van informatie verplicht. In het licht van de achtergrond van de geheimhoudingsplicht dient een zodanige verplichting uitdrukkelijk en duidelijk in een wettelijk voorschrift te zijn neergelegd en is het niet toelaatbaar dat een dergelijke verplichting uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingen of wordt verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling.

6.2.

Gezien het voorgaande, is er geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder als de verhuurder daarom vraagt. Een zodanige gegevensverstrekking is dan ook geen verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp. Op de verhuurder rust wel een wettelijke verplichting om bij een voorstel tot huurverhoging een bij de Belastingdienst opgevraagde verklaring met inkomensgegevens van de huurder te voegen. In de memorie van toelichting bij de Wbp is opgemerkt dat de nakoming van een wettelijke verplichting van een ander dan de persoon of organisatie die voor de verwerking van de persoonsgegevens verantwoordelijk is, een gerechtvaardigd belang van een derde kan zijn, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 83). Derhalve gaat het hier om verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp. Ingevolge artikel 40 van de Wbp staat daartegen verzet open.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen overwegen dat de verwerking van persoonsgegevens pas onrechtmatig is indien de verwerking wordt voortgezet nadat de rechter heeft geoordeeld dat het verzet van betrokkene gerechtvaardigd is. In de memorie van toelichting bij artikel 40 Wbp (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr 3, blz 163) is immers bepaald: “Deze bepaling richt zich op een rechtmatige gegevensverwerking, die pas onrechtmatig wordt nadat de betrokkene op grond van een bijzondere situatie verzet aantekent en dit verzet gerechtvaardigd wordt geacht.” Daarvan is hier geen sprake. De verwerking was reeds voor het indienen van het verzet op 12 februari 2016 afgerond. Verweerder heeft daarom mogen oordelen dat een dergelijk verzet niet succesvol zou zijn en heeft het verzet mogen afwijzen. Het bezwaar is terecht kennelijk ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het jaar 2016

7. Ten aanzien van de verstrekking van de inkomensindicatie over het jaar 2016 overweegt de rechtbank dat door de wijziging van artikel 7:252a van het BW het derde lid thans luidt:

De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.

7.1.

Uit de Memorie van Antwoord bij de wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (gegevensverstrekking Belastingdienst) blijkt dat het wetsvoorstel is ingediend om anticiperend op voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 explicieter in de wet op te nemen dat verweerder de verplichting heeft om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging op grond van artikel 7:252a BW te verstrekken. In de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (gegevensverstrekking Belastingdienst) is onder meer overwogen dat in de parlementaire geschiedenis van de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging meerdere malen is aangegeven dat de Belastingdienst op verzoek aan de verhuurder een inkomensverklaring verstrekt. Om eventuele misverstanden over de huidige tekst te voorkomen, wordt met de voorliggende redactionele wijziging – die geen inhoudelijke wijziging inhoudt – buiten twijfel gesteld dat de (inspecteur van de) Belastingdienst op verzoek van een verhuurder een dergelijke inkomensverklaring moet verstrekken. Het betreft hier dus alleen een verduidelijking van de reeds bestaande tekst van artikel 7:252a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande wél een uitdrukkelijke verplichting om een verklaring omtrent het huishoudinkomen te verstrekken. De tekst kan niet anders gelezen worden dan dat de inspecteur de verklaring omtrent het inkomen op verzoek dient te verstrekken. Er is geen sprake van een ‘kan’ bepaling zodat er, behoudens de in de wet genoemde uitzonderingen, geen mogelijkheid voor verweerder is om afgifte van een verklaring omtrent het huishoudinkomen te weigeren. Verweerder heeft dus op grond van deze bepaling een wettelijke verplichting om een verklaring omtrent het huishoudinkomen te verstrekken. Van schending van de artikelen 21f lid 1 jo 21 sub f van de Awr is daarom geen sprake. Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp en niet artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp van toepassing.

7.3.

Gelet op artikel 40, eerste lid, van de Wbp heeft verweerder, omdat de gegevens niet het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e of f, het verzet van eiser terecht ongegrond verklaard.

8. Gelet op al het voorgaande is het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van 10 augustus 2017 voor zover dit betrekking heeft op het door eiser ingediende verzet ongegrond.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar voorzover dit betrekking heeft op het door eiser ingediende verzoek om schadevergoeding.

9. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet via de bestuurlijke weg bij een bestuursorgaan of bij de bestuursrechter verzocht kon worden.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Nu eiser een schadevergoeding ter hoogte van € 2.700,- verzoekt is ingevolge artikel 8:89 tweede lid van de Awb de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd hiervan kennis te nemen. Het besluit behoort immers in hoger beroep tot de competentie van de Afdeling of het College van beroep voor het bedrijfsleven, en de schadevordering bedraagt minder dan € 25.000,-.

9.1.

Zoals hiervoor overwogen strekt in deze zaak het verzet van artikel 40 Wbp zich niet uit over de verstrekking van inkomensgegevens die voor het indienen van het verzet heeft plaatsgevonden. Met de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 staat echter vast dat die verstrekking ook in de onderhavige zaak is geschied in strijd met het in artikel 67, eerste lid van de Awr neergelegde verbod voor de Belastingdienst om gegevens die de Belastingdienst bij zijn taakuitoefening heeft verkregen aan derden te verstrekken. Nu het bestuursrecht via de weg van het verzet hiervoor geen adequaat rechtsmiddel biedt, stelt de rechtbank zelf de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking vast onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016. Anders dan verweerder heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat die onrechtmatigheid niet eerst is ontstaan door de uitspraak, dus per 3 februari 2016, maar heeft bestaan in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016, omdat de Afdeling heeft vastgesteld dat in die periode geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst bestond om de inkomensverklaringen aan de verhuurder te verstrekken en na 1 april 2016 door de wetswijziging wel. Gelet op deze onrechtmatigheid is het beroep, gericht tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, gegrond.

9.2.

Ten aanzien van de omvang van de schade oordeelt de rechtbank als volgt.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1367) blijkt dat in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor de berekening van de omvang van de schadevergoeding is van belang dat er een causaal verband bestaat tussen de verstrekking van de gegevens en de huurverhoging. Zonder de verstrekking van de inkomensgegevens had de verhuurder niet tot de opgelegde huurverhoging kunnen overgaan. Eiser is door toedoen van verweerders onrechtmatige verstrekking geconfronteerd met hogere huurkosten, die daardoor als schade kunnen worden aangemerkt en op grond daarvan voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De rechtbank begroot de schade als gevolg van de verstrekte inkomensgegevens op 2,5 % huurverhoging per 1 juli:

2013: 2,5 % van de huurverhoging per 1 juli 2013 =15,42 x 6 = € 92,52

2014: 2,5 % van de huurverhoging tot 1 juli 2014 = 15,42 x 6 = € 92,52

2,5 % van de huurverhoging per 1 juli 2014 = 17,21 x 6 = € 103,26

2015: 2,5 % van de huurverhoging tot 1 juli 2015 = 17,21 x 6 = € 103,26

2,5 % van de huurverhoging per 1 juli 2015 = 18,06 x 6 = € 108,36

2016: 2,5 % van de huurverhoging tot 1 april 2016= 18,06 x 3 = € 54,18 +

---------

Totaal: € 554,10

Verweerder dient eiser een bedrag van € 554,10 aan schade te vergoeden. Anders dan door eiser verzocht betreft het de schade van de huurverhoging tot 1 april 2016. Zoals uit het voorgaande blijkt is de rechtbank immers van oordeel dat de gegevensverstrekking in de periode na de wetswijziging tot de verhuizing op 27 maart 2017 rechtmatig is geweest. De schadevergoeding strekt zich dan ook niet uit over die periode. De rechtbank wijst de schadevergoeding die ziet op de verhuiskosten eveneens af. Een causaal verband tussen de huurverhoging en de verhuizing is de rechtbank niet gebleken, nu niet afdoende is onderbouwd dat de verhuizing uitsluitend is ingegeven door de opgelegde huurverhogingen.

9.3.

Tenslotte heeft eiser verzocht om toekenning van een dwangsom ter hoogte van € 1260,- in verband met de overschrijding van de termijnen. Anders dan verweerder heeft de rechtbank dit niet begrepen als een verzoek tot schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, maar als een overschrijding van de termijnen die gelden in de zin van de Wet dwangsom. Ter zitting heeft eiser nogmaals bevestigd dat hij een beroep doet op artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, waarin de Wet dwangsom is geïntegreerd. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge het zesde lid, onder c, van artikel 4:17 van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag kennelijk ongegrond is. De beslissing op bezwaar is gelijkgesteld met de aanvraag. Nu verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard, is verweerder daarom ook geen dwangsom verschuldigd.

10.
Omdat de rechtbank het beroep ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 501,- (bestaande uit 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van 10 augustus 2017 voor zover dit betrekking heeft op het door eiser ingediende verzet ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van 10 augustus 2017 voor zover dit betrekking heeft op het door eiser ingediende verzoek om schadevergoeding gegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade die eiser heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige verstrekking van de inkomensgegevens over de jaren 2013, 2014 en 2015 tot een bedrag van € 554,10;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 501,- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.J.K. van der Meer, voorzitter, en mr. M.M. Meijers en mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, leden, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Artikel 7:252a BW, versie geldend van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016:

1. Een verhuurder kan ten aanzien van woonruimte die een zelfstandige woning vormt een voorstel als bedoeld in artikel 7:252 BW doen, strekkend tot verhoging van de huurprijs op de grond dat het huishoudinkomen over het peiljaar:

a. hoger is dan het in artikel 10 lid 2 eerste volzin onderdeel a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte eerstgenoemde bedrag doch lager is dan of gelijk is aan het in onderdeel b van dat lid genoemde bedrag, of

b. hoger is dan het in artikel 10 lid 2 eerste volzin onderdeel b van die wet genoemde bedrag.

2. In dit artikel wordt verstaan onder:

c. inspecteur: functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën is aangewezen.

3. Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een verklaring gevoegd omtrent het huishoudinkomen. De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.

4. De verklaring bedoeld in lid 3 vermeldt het gegeven of op de door de verhuurder aangeduide plaats van de woonruimte op basis van gegevens uit de basisregistratie inkomen op het moment van behandeling van het verzoek van de verhuurder aan de inspecteur, te verwachten is dat van degene of degenen die daar volgens de registratie van de rijksbelastingdienst woont of wonen het huishoudinkomen over het peiljaar lager is dan of gelijk is aan het in artikel 10 lid 2 eerste volzin onderdeel a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte eerstgenoemde bedrag, dan wel hoger is dan dat bedrag doch lager is dan of gelijk is aan het in dat onderdeel laatstgenoemde bedrag, dan wel hoger is dan dat bedrag. De verklaring vermeldt voorts, indien dat huishoudinkomen hoger is dan het in artikel 10 lid 2 eerste volzin onderdeel a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte eerstgenoemde bedrag, het aantal personen waarop dat huishoudinkomen is gebaseerd. Indien geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen beschikbaar is, vermeldt de verklaring dat dat het geval is. Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit lid en omtrent het kunnen doen van een verzoek, het verzoek zelf, de verstrekking van de verklaring, alsmede ten aanzien van de verhuurder.

Artikel 21 Awr:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

f. afnemer: bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven;

Artikel 21f Awr

1. Een afnemer gebruikt een inkomensgegeven uitsluitend bij de uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van dit gegeven.

Artikel 67 Awr:

1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990.

2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van de minister van Financiën is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

Artikel 1 Wbp:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

Artikel 8 Wbp:

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;

d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Artikel 40 Wbp:

  1. Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.

  2. De verantwoordelijke beoordeelt binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is beëindigt hij terstond de verwerking.