Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5357

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
C/09/536324 / FA RK 17-5500
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Geen sprake van grove miskenning van de wettelijke maatstaven nu partijen bewust en juist geïnformeerd daarvan zijn afgeweken. Nu de ouders bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven kan (naar analogie van artikel 1:159 lid 3 BW) slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud worden overgegaan indien partijen stellen en de rechtbank oordeelt dat sprake is van dusdanige wijziging van omstandigheden die meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de afspraak in het echtscheidingsconvenant niet mag worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, maar dat geen sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden die meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de afspraak in het echtscheidingsconvenant niet mag worden verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-5500

Zaaknummer: C/09/536324

Datum beschikking: 19 april 2018 (bij vervroeging)

Kinderalimentatie

Beschikking op het op 14 juli 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. D.C.H. Berris-Donkersloot te Gouda (voorheen mr. M.A. Tuls).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. S. Scheimann te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 14 juli 2017;

  • -

    het F9-formulier van 24 juli 2017, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift, ingekomen op 13 september 2017;

  • -

    het verweer tegen het zelfstandig verzoek, ingekomen op 27 oktober 2017;

  • -

    het F9-formulier van 5 maart 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het faxbericht van 9 maart 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het faxbericht van 9 maart 2018 van de zijde van de vrouw.

Op 15 maart 2018 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de man zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd. Hiernaast zijn van de zijde van de man tijdens de zitting ook een verklaring van zijn werkgever van 12 maart 2018 omtrent het salaris en een brief van zijn werkgever van 14 maart 2018 overgelegd.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van [datum] tot

[datum] .

- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

- [1. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [2. minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

- De man is ook vader van [3. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum] is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en is het door hen opgestelde echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opgenomen in de beschikking.

- De man en de vrouw zijn in het echtscheidingsconvenant van [datum] onder meer het volgende overeengekomen ten aanzien van de kinderalimentatie:

“(…)

1.2

Met betrekking tot de kosten van de kinderen komen zij het volgende overeen. De behoefte aan kinderalimentatie stellen partijen op een bedrag ad EUR 1.185,-- (conform de Tabel Eigen Aandeel Kosten van Kinderen [jaartal] ).

Met ingang van [datum] zal de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen voldoen een bedrag ad EUR 592,50 per de eerste van iedere maand en per kind, een en ander bij vooruitbetaling verschuldigd.

Hierbij is ervan uitgegaan dat de vrouw met haar eigen arbeidsinkomen geen draagkracht heeft en de man voldoende draagkracht heeft.

Deze bijdrage zal jaarlijks worden geïndexeerd conform artikel 1:402a BW, voor het eerst per 01 januari 2013.

1.3

Alle kosten van de kinderen, waaronder opvang- en oppaskosten (behoudens die aan de zijde van de man) zal de vrouw voldoen, behoudens de grotere cadeaus en uitgaven (partijen bedoelen dan fietsen, laptop, tandartskosten etcetera), althans bedragen boven de EUR 400,--, zullen eerst na onderling overleg worden aangeschaft, dan wel uitgegeven, waarna ieder der partijen de helft van deze kosten zal dragen en betalen.”

- De man en de vrouw zijn in het echtscheidingsconvenant onder meer het volgende overeengekomen ten aanzien van de partneralimentatie:

“(…)

2.5

2.5 hoogte van de partneralimentatie

Op basis van deze behoefte en draagkracht komen partijen overeen dat de man met ingang van [datum] zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag ad EUR 3.117,-- bruto per de eerste van iedere maand, een en ander bij vooruitbetaling verschuldigd. Deze partneralimentatie zal verschuldigd zijn gedurende een periode van zes jaren, ingaande [datum] .”

- De man en de vrouw hebben op 20 februari 2017 – in afwijking van het echtscheidingsconvenant – in onderling overleg afgesproken dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 februari 2017 € 2.500,-- bruto per maand bedraagt.

- De alimentatieverplichting is – nu de vrouw in december 2017 is gaan samenwonen met haar huidige partner – conform de afspraken in artikel 2.8 van het echtscheidingsconvenant thans opgeschort.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie thans € 643,37 per kind per maand.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de kinderalimentatie met ingang van 24 maart 2017 te verminderen tot een bedrag van € 364,-- per maand per kind, althans een zodanige ingangsdatum en een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hiernaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht te bepalen dat de behoefte van de kinderen vanaf

[datum] € 893,-- per kind per maand bedraagt en dat de man de volledige behoefte (geïndexeerd) dient te voldoen per [datum] dan wel per 13 september 2017 dan wel per datum uitspraak, alsmede dat de proceskosten worden gecompenseerd.

De man voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw.

Beoordeling

Kinderalimentatie

De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:401 BW twee manieren geeft om tot wijziging van een overeenkomst betreffende levensonderhoud te komen. Ten eerste kan een beroep worden gedaan op het bestaan van een wijziging van omstandigheden (lid 1). Hierbij óf in de plaats daarvan kan ook worden aangevoerd dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5).

De man en de vrouw hebben beiden verzocht om de onderling overeengekomen kinderalimentatie te wijzigen. De man stelt als grond voor zijn verzoek een wijziging van omstandigheden. De vrouw stelt primair dat de kinderalimentatie dient te worden gewijzigd omdat de afspraken in het echtscheidingsconvenant zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en subsidiair dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

De rechtbank zal eerst ingaan op de inhoud van de door de ouders in het echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken ten aanzien van de kosten van de kinderen en bezien of deze afspraken zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarna zal de rechtbank zo nodig beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft tot wijziging van de onderling overeengekomen kinderalimentatie.

Grove miskenning van de wettelijke maatstaven

De vrouw stelt dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zodat de kinderalimentatie voor wijziging vatbaar is. De vrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de behoefte van de kinderen van meet af aan onjuist is berekend. De ouders zijn uitgegaan van het maximale netto besteedbaar gezinsinkomen volgens de tabel van € 5.000,-- per maand, terwijl het significant hogere gezinsinkomen een hogere behoefte rechtvaardigde. Volgens de vrouw was lineair extrapoleren op zijn plaats geweest, nu het niet realistisch is om te veronderstellen dat gezinnen met dergelijk hoge inkomens niet meer geld uitgeven aan hun kinderen dan het maximumbedrag in de tabel.

De man betwist hetgeen de vrouw stelt.

De rechtbank overweegt als volgt. De man en de vrouw hebben in [jaartal] de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg – met behulp van de advocaat mr. A.M.M. Hompus als scheidingsmediator – geregeld. Hiertoe zijn onder meer besprekingen geweest tussen de ouders met de scheidingsmediator. Tijdens de besprekingen is ook de behoefte en de berekening van de behoefte aan de orde gekomen. De behoefte van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] hebben de ouders met behulp van hun advocaat en na een door de vrouw opgevraagde second opinion bij De Scheidingsplanner conform de destijds geldende Tabel Eigen Aandeel Kosten van Kinderen [jaartal] uitgaande van een maximaal netto besteedbaar gezinsinkomen volgens de tabel van € 5.000,-- (of meer) per maand en het aantal kinderbijslagpunten vastgesteld op € 1.185,-- per maand. De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor de kinderen. Als sprake is van bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld kosten voor topsport of extra hoog schoolgeld – kan het tabelbedrag volgens het rapport alimentatienormen worden aangepast. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van dergelijke bijzondere omstandigheden die het corrigeren van de behoefte van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] rechtvaardigde. Het enkele feit dat het netto gezinsinkomen hoger was dan € 5.000,-- per maand kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de kosten van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] ook hoger lagen dan gemiddeld € 1.185,-- per maand. Bovendien is uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken niet dan wel onvoldoende gebleken dat de ouders ook daadwerkelijk meer geld uitgaven aan de kinderen dan het tabelbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is, voor wat betreft de behoefteberekening, dan ook niet gebleken dat sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven op grond waarvan een wijziging van de overeengekomen alimentatie zou moeten plaatsvinden.

Ten aanzien van de verdeling van de kosten naar draagkracht overweegt de rechtbank als volgt. De afspraken tussen partijen zijn vastgelegd in een echtscheidingsconvenant en een ouderschapsplan, waarin is opgenomen dat de man met ingang van [datum] aan de vrouw een bijdrage zal voldoen van € 592,50 per kind per maand. De man en de vrouw hebben hierbij onder artikel 1.2 het volgende opgenomen: ‘Hierbij is ervan uitgegaan dat de vrouw met haar eigen arbeidsinkomen geen draagkracht heeft en de man voldoende draagkracht heeft.’ De ouders hebben dus – de rechtbank begrijpt vanwege het grote inkomensverschil tussen de man en de vrouw toentertijd – afgesproken dat de man een dusdanige bijdrage aan de vrouw zou voldoen waarmee geheel in de behoefte van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] zou worden voorzien. Dit terwijl de vrouw blijkens het echtscheidingsconvenant ten tijde van het opstellen en ondertekenen van deze afspraken een eigen inkomen van € 25.645,-- bruto per jaar had. Gelet op het inkomen van de vrouw had zij feitelijk dus wel de draagkracht om conform de wettelijke maatstaven naar rato een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders bij de vaststelling van de door de man te betalen kinderalimentatie bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven door in het echtscheidingsconvenant af te spreken dat de vrouw, ondanks dat zij beschikte over draagkracht, geen bijdrage zou leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de – gemotiveerd weersproken en niet onderbouwde – stelling van de vrouw dat de ouders onbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat ook voor wat betreft de overeengekomen (verdeling van de kosten naar) draagkracht van partijen geen sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, nu partijen bewust en juist geïnformeerd daarvan zijn afgeweken.

Wijziging van omstandigheden

Nu de ouders bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven kan (naar analogie van artikel 1:159 lid 3 BW) slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud worden overgegaan indien partijen stellen en de rechtbank oordeelt dat sprake is van dusdanige wijziging van omstandigheden die meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de afspraak in het echtscheidingsconvenant niet mag worden verwacht.

De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van de ouders en bezien of de door hen gestelde wijzigingen ook aanleiding geven tot wijziging van de kinderalimentatie.

Behoefte [1. minderjarige] en [2. minderjarige]

De ouders hebben de behoefte van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] in [jaartal] aan de hand van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten van Kinderen’ berekend op € 1.185,-- per maand.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw – gelet op de betwisting door de man – onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de behoefte van de kinderen, nu zij ouder zijn, (dusdanig) is toegenomen dan wel dat de berekening, uitgaande van deze tabel, niet correct is. De rechtbank zal dan ook de behoefte zoals deze in het echtscheidingsconvenant is opgenomen als uitgangspunt nemen. Geïndexeerd naar 2018 bedraagt de behoefte van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] samen € 1.287,-- per maand.

Draagkracht man

Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is het volgende gebleken. De man was ten tijde van de echtscheiding in loondienst bij [bedrijfsnaam] ., waar zijn bruto jaarloon (in 2011) € 149.585,72 inclusief vakantiegeld bedroeg. Hiernaast ontving de man in dat jaar een bonus van € 47.584,96 netto. De man is momenteel in dienst bij [bedrijfsnaam] . Hier was het bruto inkomen van de man in 2016 € 153.880,-- op jaarbasis en heeft hij blijkens de brief van zijn werkgever van

14 maart 2018 in dat jaar geen bonus ontvangen. Het inkomen van de man bedroeg blijkens de jaaropgaaf in 2017 € 152.213,-- bruto en blijkens de tijdens de zitting overgelegde verklaring ontvangt de man over het jaar 2017 een bonus van € 36.000,--. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het basissalaris vanaf maart 2018 € 156.592,83 per jaar bedraagt en dat sprake is van een bonusregeling van, afhankelijk van persoonlijk functioneren en bedrijfsresultaat, maximaal 20% over het basisloon.

De man stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht ten behoeve van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] is gewijzigd, nu zijn inkomen is gedaald ten opzichte van het inkomen ten tijde van de echtscheiding en hij inmiddels ook onderhoudsplichtig is voor [3. minderjarige] , de zoon uit zijn huidige relatie.

De vrouw betwist dat op dit punt sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die tot gevolg moet hebben dat de kinderalimentatie voor [1. minderjarige] en [2. minderjarige] wordt herzien.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de man opnieuw vader is geworden in ieder geval een relevante wijziging van omstandigheden oplevert. De vraag is echter of deze wijziging van omstandigheden ook moet leiden tot wijziging van de door de man voor [1. minderjarige] en [2. minderjarige] te betalen kinderalimentatie.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie onder meer als productie 11 een draagkrachtberekening gebaseerd op zijn inkomen uit 2016 overgelegd. Volgens deze berekening heeft de man – zonder rekening te houden met een eventuele bonus en uitgaande van een forfaitaire woonlast in plaats van zijn werkelijke woonlast – een draagkracht van in totaal € 2.764,-- per maand. De rechtbank gaat er gelet op het inkomen dat de man in 2017 heeft ontvangen en het inkomen dat hij in 2018 zal ontvangen vanuit dat zijn draagkracht in 2017 en 2018 ongeveer gelijk zal zijn als de draagkracht in 2016. De man heeft hiermee voldoende draagkracht om naast zijn aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [3. minderjarige] (door de man zelf gesteld op € 620,-- per maand) de eerder vastgestelde bijdrage voor [1. minderjarige] en [2. minderjarige] van thans (geïndexeerd en afgerond)

€ 1.287,-- per maand te blijven voldoen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen aanleiding ziet om nu al vooruit te lopen op de mogelijke toekomstige en onzekere situatie dat de man vanwege een op handen zijnde reorganisatie eventueel op zoek moet naar een andere baan en er hierdoor onzekerheid bestaat ten aanzien van (de hoogte van) zijn inkomen. Als die situatie zich daadwerkelijk gaat voordoen en de man niet langer genoeg draagkracht heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen, kan hij op dat moment een nieuw verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie indienen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat – los van de vraag of het totale inkomen van de man de afgelopen jaren daadwerkelijk is gedaald – de man (nog steeds) in staat moet worden geacht om de geïndexeerde kinderalimentatie van momenteel € 643,37 per kind per maand te voldoen en dat dus geen sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden die meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de afspraak in het echtscheidingsconvenant niet mag worden verwacht.

De rechtbank komt gelet op dit oordeel niet toe aan bespreking van de verdere stellingen van de man en de vrouw ten aanzien van de draagkracht van de vrouw, de zorgkorting en de ingangsdatum. De rechtbank zal alle verzoeken tot wijziging van de kinderalimentatie afwijzen.

Opvragen nadere bescheiden

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de man te bevelen om nadere bescheiden ten aanzien van zijn inkomen over te leggen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

wijst af de verzoeken van de man en de vrouw;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Meeder, J.M. Vink en J.C. Sluymer, in tegenwoordigheid van mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van

19 april 2018.