Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
AWB 17/15711
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Turkije, verblijf bij partner, geen mvv, artikel 13 Besluit 1/80, artikel 8 EVRM. hoorplicht, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/15711

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. M. Erik,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde: mr. V.A.M.W. ‘t Hoen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 november 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. Op 3 februari 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. België heeft het terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam bij uitspraak van 4 mei 2017 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2017:3353).

2. Op 20 december 2016 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als doel: ‘verblijf bij partner [partner]’. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 9 juni 2017 (het primaire besluit) afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Evenmin komt hij in aanmerking voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (Besluit 1/80), noch op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij geen geldig paspoort heeft overgelegd en dat hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het paspoortvereiste.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser onder verwijzing naar het primaire besluit ongegrond verklaard. De weigering eiser vrijstelling te verlenen is niet in strijd met artikel 13 (standstill-bepaling) van Besluit 1/80. Eiser is niet aan te merken als gezinslid zoals bedoeld in het arrest Demir van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2013 (ECLI:EU:C:2013:725). De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in het nadeel van eiser uit. In de door eiser aangevoerde omstandigheden ziet verweerder geen aanleiding om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Eiser staat weliswaar onder behandeling bij de huisarts, maar hierin is geen reden gelegen om een advies van het Bureau Medische Advisering te vragen. Ook in bezwaar is niet aangetoond dat het voor eiser niet mogelijk is om in het bezit te komen van een Turks paspoort, waardoor eiser niet voor vrijstelling van het paspoortvereiste in aanmerking komt.

4. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. Allereerst doet eiser een beroep op artikel 13 van Besluit 1/80 en op het arrest Demir van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2013 (ECLI:EU:C:2013:725). Het gaat immers om de vraag of een Turkse werknemer zelf rechten kan ontlenen aan het associatierecht. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres gewezen op een artikel in het tijdschrift Asiel- en Migratierecht van prof. mr. Pieter Boeles van november 2016. Eiser doet verder een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser wil graag trouwen met zijn partner, maar krijgt van de gemeente niet de mogelijkheid om te trouwen. In een vergelijkbare zaak heeft verweerder het formulier bekendmaking inschrijving BRP gestempeld en is tot vergunningverlening overgegaan. Het ontbreken van onderbouwende stukken van de detentie die eiser in Turkije te wachten staat, kan wegens instabiele situatie in Turkije niet worden tegengeworpen. De Turkse advocaat van eiser wil geen stukken opsturen in verband met situatie in Turkije. Daarnaast komt eiseres een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM toe.

Ter zitting heeft eiseres het zelfstandige beroep op het associatierecht en het artikel van prof. Mr. Pieter Boeles nader toegelicht

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser niet in aanmerking voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 13 van Besluit 1/80. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:95) uit het arrest Demir van 17 september 2013 afgeleid dat voor een geslaagd beroep op de standstill-bepaling vereist is dat de betrokken Turkse staatsburger zowel legaal verblijf heeft, als legaal arbeid heeft verricht. Dit betekent dat bij illegaliteit van hetzij het verblijf, hetzij de verrichte arbeid, geen beroep kan worden gedaan op de standstill-bepaling. Een uitzondering op deze regel is wanneer de illegaliteit van het verblijf, onderscheidenlijk de arbeid, van de desbetreffende Turkse staatsburger wordt veroorzaakt door een maatregel die een nieuwe beperking vormt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat eiser geen onbetwist verblijfsrecht heeft gehad in Nederland. Weliswaar volgt uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 dat de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 ook bij een eerste toelating een rol kan spelen, maar eiser beoogt met zijn aanvraag geen verblijf als Turkse werknemer, maar als echtgenoot. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017 (ECL1:NL:RVS:2017:116) kan niet slagen, reeds niet nu het in die zaak ging om een vreemdeling die verblijf bij zijn echtgenote zocht. Eiser en zijn partner zijn niet gehuwd en om die reden is eiser niet aan te merken als gezinslid van een Turkse werknemer. Het feit dat eiser stelt dat hij door de gemeente niet in staat wordt gesteld om te trouwen met zijn partner en dat verweerder in een andere vergelijkbare zaak een door de gemeente ingestuurd formulier ‘bewijs van bekendmaking bij de basisregistratie personen’ wel heeft bestempeld, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers eerst in beroep aangegeven dat hij met zijn partner wil trouwen, maar dat dit niet mogelijk is. Hij heeft zijn stellingen op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op de ex-tunc toetsing in reguliere zaken kan dit dan ook geen rol spelen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen.

8. Ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule heeft eiser slechts verwezen naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd, zonder aan te geven waarom de motivering van verweerder in het bestreden besluit niet juist zou zijn. Reeds hierom kan dit beroep niet slagen.

9. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat er tussen eiser en zijn partner sprake is van gezinsleven in de zin van deze bepaling en dat de afwijzing van de aanvraag en de oplegging van een inreisverbod een inmenging in dat gezinsleven vormen.

10. Volgens verweerder valt de belangenafweging in het nadeel van eiser uit omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en illegaal het gezinsleven met zijn partner heeft geïntensiveerd. Het betreft een eerste toelating en eiser heeft niet langdurig in Nederland verbleven. Niet is gebleken dat eiser het gezinsleven met zijn partner niet (tijdelijk) in Turkije kan uitoefenen. De gestelde veroordeling in Turkije van eiser is niet met stukken onderbouwd en hierin heeft ook geen reden gelegen om eiser asiel te verlenen. Daarnaast heeft eiser eerst in 2017 asiel aangevraagd, terwijl hij al sinds 2013 probeert verblijf in Nederland te verkrijgen. De rechtbank concludeert dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Enigszins terughoudend toetsend oordeelt de rechtbank dat verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat deze omstandigheden niet dusdanig bijzonder zijn dat er sprake is van een positieve verplichting om eiser toe te laten tot Nederland. Verweerder heeft veel gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en dat geen sprake is van een objectieve belemmering het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Dat de Turkse advocaat van eiser vanwege de instabiele situatie in Turkije niet bereid zou zijn om stukken over de strafrechtelijke veroordeling aan eiser te doen toekomen, maakt dit niet anders. Eiser heeft dit immers, anders dan een verwijzing naar algemene stukken, op geen enkele wijze onderbouwd.

11. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder eiser geen vrijstelling van het paspoortvereiste heeft verleend omdat hij niet heeft aangetoond dat hij niet aan een paspoort kan komen. Eiser heeft dit standpunt niet gemotiveerd weersproken en heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit zijn standpunt blijkt.

12. De beroepsgrond van eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, treft evenmin doel. Van het horen in bezwaar mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, de motivering van het besluit in eerste aanleg en de gronden van het bezwaarschrift, is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen van eiser heeft mogen afzien.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.