Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
NL18.1799
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VA, Soedan, ongeloofwaardig relaas, demonstratie, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1799


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.D. Schröder).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 28 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.B. Masih. Tevens is verschenen E. de Loof (Stichting Nidos). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Soedanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 19 mei 2017 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. In december 2016 is eiser tijdens het ontbijt op school gevraagd om mee te gaan om buiten flyers uit te delen. Hij heeft daarmee ingestemd. Eiser stelt dat hij niet wist dat hij deelnam aan een demonstratie, totdat de veiligheidsdienst verscheen en mensen ging arresteren. Daarop is eiser gevlucht en ondergedoken bij zijn vriend [vriend]. Hij kon niet terug naar huis omdat de veiligheidsdienst bij zijn school een lijst met namen had opgevraagd van iedereen die van school bij de demonstratie was geweest. Twee dagen later werd eiser gebeld door zijn moeder die vertelde dat de veiligheidsdienst twee keer bij hen thuis was geweest en een huiszoeking had gedaan. Vervolgens heeft een oom geregeld dat eiser ongeveer twee weken later het land kon verlaten. Bij terugkeer naar Soedan vreest eiser voor de autoriteiten vanwege zijn deelname aan de demonstratie tegen het regime.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers verklaringen over deelname aan een demonstratie in december 2016 en de daarop volgende problemen acht verweerder niet geloofwaardig. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van een advies van het Bureau Medische Advisering.

  3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  4. Verweerder heeft overwogen dat eiser, omdat hij geen documenten heeft overgelegd die zijn verklaringen over zijn deelname aan een demonstratie kunnen onderbouwen, zijn relaas middels zijn verklaringen aannemelijk moet maken. Volgens verweerder is eiser daar niet in geslaagd en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. Allereerst wekt het bevreemding dat eiser heeft verklaard dat hij niet in de gaten had dat hij deelnam aan een demonstratie. Hij heeft immers pamfletten uitgedeeld waarop teksten als ‘de revolutie van het volk’ en ‘een regimeverandering’ stonden. Ook heeft hij leuzen geroepen als ‘weg met het regime’ en werden er spandoeken gebruikt. Uitgaande van deze teksten was er overduidelijk sprake van een demonstratie en valt niet in te zien dat eiser dit niet in de gaten had. Verder valt niet in te zien dat iemand die geen interesse stelt te hebben in de politiek, deel zou nemen aan een demonstratie, pamfletten uitdeelt en leuzen tegen de regering roept. Ook merkt verweerder op dat eiser niet kan vertellen hoeveel pamfletten hij heeft uitgedeeld. Tot slot is het bevreemdingwekkend dat eiser niets kan vertellen over het lot van de andere demonstranten en dat hij hier geen navraag naar heeft gedaan.

  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de hiervoor weergegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over deelname aan de demonstratie niet geloofwaardig zijn. Anders dan eiser heeft betoogd, bestond er voor verweerder geen aanleiding om eiser het voordeel van de twijfel, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw, te gunnen. Zoals hiervoor is overwogen, is immers niet vast komen te staan dat eisers verklaringen in grote lijnen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd. De enkele stelling dat zijn verklaringen passen in het beeld van de situatie in Soedan ten tijde van de demonstratie, is onvoldoende om te concluderen dat verweerder artikel 31, zesde lid, van de Vw had moeten toepassen. De beroepsgrond faalt.

  6. Eiser heeft verder betoogd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoon. Er is voorbij gegaan aan het feit dat hij in zijn jeugdige onbevangenheid nimmer de ernst en mogelijke consequenties van zijn handelen heeft ingezien. Bovendien heeft hij zich nooit voor de politiek geïnteresseerd. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Eiser, een middelbare scholier, heeft verklaard dat hij op de hoogte was van de inflatie in Soedan en dat hij daar niet blij mee was. Vervolgens stelt hij leuzen te hebben geroepen tegen de regering. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan niet meer gesteld worden dat hij niet wist dat hij deelnam aan een demonstratie en dat daar wellicht risico’s aan verbonden waren. Deze beroepsgrond faalt daarom.

  7. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat het opmerkelijk is dat verweerder wel uitstel van vertrek heeft verleend vanwege zijn traumabehandeling, maar de aanleiding van het opgelopen trauma niet geloofwaardig acht. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder uitgaat van een verband tussen beide omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (medische) documenten heeft overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld dat er een verband is tussen zijn trauma en de gestelde gebeurtenissen. Ook deze beroepsgrond faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.