Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
NL18.5931
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser van Kongolose nationaliteit, opvolgende aanvraag kennelijk ongegrond, PTSS, iMMO, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL18.5931

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 maart 2018 (bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig E.J. Nyembo. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Kongolese nationaliteit. De eerste asielaanvraag van eiser is op 8 juli 2014 afgewezen. Aan die aanvraag ligt ten grondslag dat eiser problemen had met de autoriteiten in Kongo vanwege zijn etniciteit. Hierover is eiser in 2013 gehoord. Het tegen die afwijzing ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, op 2 december 2014 ongegrond verklaard (AWB 14/16223). Het daartegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ongegrond verklaard op 6 februari 2015 (201410488/1/V2).

2. Op 23 november 2015 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag (hierna: de aanvraag) ingediend. Eiser heeft daarbij diverse stukken overgelegd, waaronder een rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 30 mei 2017. Daarin is voor zover van belang vermeld: “Uit de anamnese komt naar voren dat betrokkene voor zijn vlucht redelijk functioneerde. Hij volgde diverse opleidingen en onderwees onder andere in het Engels. Gedurende zijn gehele leven verklaart betrokkene in verband met zijn etnische achtergrond gekleineerd, vernederd en mishandeld te zijn, wat reeds begon op zijn kinderleeftijd. (…) Er is sprake van klachten van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) (…). Tevens is er evident sprake van depressieve gedachten en anhedonie bij betrokkene. (…). Beide psychiatrische ziektebeelden waar bij betrokkene sprake van is, zijn pas evident ontstaan nadat hij gevlucht is. Aanvankelijk had hij geen belemmerende klachten bij aankomst in Nederland. Later stonden beide ziekten meer op de voorgrond en heeft betrokkene hier meer lijdensdruk door gekregen (…). Het feit dat de typerende klachten zich pas later gaan presenteren, is geenszins incongruent met het beloop van de ziektebeelden, aangezien klachten passend bij een PTSS zich ook lange tijd na het feitelijke trauma kunnen presenteren. (…) Ten tijde van de eerdere asielgehoren in 2013 hebben de psychische klachten mogelijk geïnterfereerd met het vermogen om compleet coherent en consistent te verklaren. Bij het gehoor opvolgende aanvraag hebben de psychische klachten zeker geïnterfereerd met compleet, coherent en consistent verklaren. (…) Uit het medische dossier van 2013 komt de psychische problematiek zoals vastgesteld tijdens dit onderzoek niet naar voren. Uit de verslaglegging van de eerdere gehoren komen geen aanwijzingen naar voren die zonder meer bevestigen dat ten tijde van de eerdere gehoren sprake was van medische problematiek die interfereerde met de mogelijkheid tot verklaren van betrokkene. Gezien de aard van de tijdens dit onderzoek gediagnosticeerde problematiek is echter wel te stellen dat hiervan sprake geweest kan zijn en dat de psychische problematiek destijds mogelijk interfereerde met compleet, coherent en consistent verklaren. (…)”

3. Bij het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (een opvolgende aanvraag waarbij de eerste asielaanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard). Bij dat besluit is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

4. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd:

- Verweerder heeft nagelaten in het bestreden besluit te vermelden welke elementen geloofwaardig zijn geacht. Nu artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet de grondslag is voor de afwijzing, had verweerder zich niet kunnen beperken tot de vraag of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen.

- Verweerder gaat in het bestreden besluit niet dan wel onvoldoende in op de psychische problematiek van eiser. Uit het rapport van iMMO blijkt dat eiser aan PTSS lijdt. Dit was ook zo toen hij gehoord werd in zijn eerste asielprocedure, alleen was dat hem toen nog niet bekend.

- Ook uit de in beroep overgelegde brief van Stichting Centrum ’45 van 28 maart 2018, ondertekend door een psychotherapeut, een AIOS psychiatrie en een psychiater, blijkt dat sprake is van psychiatrische klachten bij eiser. Verweerder had eiser opnieuw moeten horen, rekening houdend met deze klachten. Verweerder kan niet uitgaan van de gehoren uit de eerste asielprocedure in 2013, gelet op wat nu bekend is over de psychische toestand van eiser.

- Het bestreden besluit is in strijd met werkinstructie 2016/4, artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 18 van de Procedurerichtlijn en de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2018:621).

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat als uitgangspunt geldt dat het asielrelaas van eiser tijdens de eerste procedure is besproken en beoordeeld en dat het oordeel dat dit relaas ongeloofwaardig is geacht, in rechte is komen vast te staan. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het rapport van iMMO geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van dat oordeel en dat dit rapport geen sterke aanwijzing vormt in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010, R.C. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUD004182707 (hierna: het arrest R.C. tegen Zweden). Dat volgens iMMO de psychische klachten in 2013 mogelijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet coherent en consistent te verklaren, is daartoe onvoldoende. Daarbij is van belang dat iMMO meldt dat de PTSS en depressie evident na de vlucht van eiser zijn ontstaan en dat bij aankomst in Nederland geen sprake was van belemmerende klachten. Verder heeft het FMMU in 2013 geoordeeld dat eiser kon worden gehoord en dat hij in staat was te verklaren. Derhalve heeft verweerder terecht vastgehouden aan het in rechte vaststaande oordeel over het relaas. Er is ook geen aanleiding eiser opnieuw te horen. Anders dan eiser stelt, is verweerder in de stukken (met name op pagina 4 van het voornemen, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen) voldoende ingegaan op de psychische klachten van eiser.

6. De grond dat verweerder bij de onderhavige aanvraag gehouden is opnieuw de relevante elementen van het relaas te beoordelen slaagt evenmin, nu het oordeel over eisers relaas in rechte vaststaat. Ook de brief van Stichting Centrum ’45 leidt niet tot een ander oordeel. In die brief is vermeld dat eiser daar sinds 23 juni 2017 behandeld wordt en zijn de voorgeschiedenis, klachten en behandeling beschreven. Dit stuk doet niet af aan wat iMMO over de klachten van eiser in 2013 en het vermogen om compleet coherent en consistent te verklaren heeft geschreven. Wat eiser overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel.

7. Het standpunt van verweerder over de overige bij de aanvraag overgelegde stukken is niet betwist, zodat daarop niet zal worden ingegaan.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.