Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5304

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
AWB 17/14867
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eritrea, mvv-nareis, identiteit niet aannemelijk gemaakt, geen bewijsnood, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/14867

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. Toonders.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 september 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig [referent] (hierna: referent). Als tolk is verschenen Z. Haile.

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Verweerder heeft aan referent, geboren op [geboortedatum], van Eritrese nationaliteit en de gestelde echtgenoot van eiseres, op 1 december 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.

2. Op 13 januari 2016 heeft referent namens eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor eiseres. Bij besluit van 11 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond. Identiteitskaarten zijn in Eritrea nodig zijn om toegang te krijgen tot overheidsdiensten en voor het reizen in het binnenland. Verweerder wijst erop dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Eritrea van 6 februari 2017 (het ambtsbericht) blijkt dat de oude identiteitskaart tot februari 2014 werd afgegeven en dat die vanaf de leeftijd van achttien jaar kon worden aangevraagd en afgehaald. Eiseres was op dat moment 22 jaar oud. De stelling van eiseres, dat zij een Eritrese identiteitskaart heeft aangevraagd in 2015 toen deze niet werd verstrekt, vindt verweerder niet aannemelijk omdat men vanaf begin 2015 is begonnen met de afgifte van nieuwe identiteitskaarten. Daarom wordt geen bewijsnood ten aanzien van een officieel identificerend document aangenomen. Nu er geen bewijsnood is ten aanzien van het overleggen van een identiteitsdocument, bestaat er geen aanleiding om verder onderzoek naar de gezinsband met referent te verrichten, aldus verweerder.

4. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij niet in bewijsnood verkeert. Zij kan gelet op haar verblijfsrechtelijke positie in Soedan geen contact opnemen met de Eritrese autoriteiten voor het opnieuw aanvragen van een identiteitskaart. Ook referent kan geen identiteitskaart voor eiseres aanvragen bij de Eritrese autoriteiten in Nederland, dan wel in Eritrea. Verder heeft eiseres in beroep een door de Soedanese autoriteiten uitgegeven voorlopig vreemdelingendocument en vluchtelingendocument overgelegd, waaruit haar identiteit blijkt, zodat verweerder ook zonder officiële identificerende papieren haar identiteit zou moeten aannemen. Daarnaast is eisers van mening dat zij voldoende heeft aangetoond dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk met referent. Zij blijft bij haar verklaring over de wijze waarop zij de beschikking heeft gekregen over de huwelijksakte en geboorteakte.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de echtgenoot of het minderjarige kind van de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

6. Volgens hoofdstuk C1/4.4.6, van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw of een gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont. Indien de vreemdeling het benodigde document niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document niet aan hem is toe te rekenen. Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit op een andere wijze kenbaar maken.

7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres nooit een Eritrese identiteitskaart heeft verkregen. Verweerder heeft er in het bestreden besluit terecht – onder verwijzing naar het ambtsbericht –

op gewezen dat eiseres in 2014 in het bezit had moeten zijn van een identiteitskaart. Toen zij achttien jaar oud werd, in 2010, was het uitgeven van identiteitskaarten immers nog helemaal niet gestaakt. Bovendien werd in 2015 overgegaan tot het afgeven van een nieuw model identiteitskaarten. De stellingen van eiseres, dat zij op het platteland geen identiteitskaart nodig had en dat zij in 2015 een identiteitskaart heeft aangevraagd maar niet heeft gekregen, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht.

8. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar persoonlijke omstandigheden niet kon beschikken over een identiteitskaart, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiseres in bewijsnood verkeert ten aanzien van het overleggen van een identiteitsdocument.

9. Ten aanzien van de door eiseres in beroep overgelegde kopieën van de Soedanese vluchtelingendocumenten heeft verweerder terecht overwogen dat daaruit niet blijkt op grond van welke brondocumenten de hierop vermelde identiteit is vastgesteld en dat deze documenten niet zijn afgegeven door de Eritrese autoriteiten.

10. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond en dat de aanvraag om die reden moest worden afgewezen. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan het gestelde in het beroepschrift over het huwelijk en de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent en het ter zitting gedane beroep op artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.