Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5289

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
NL17.15468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ethiopië.

Oromo.

Masterplan.

Demonstratie.

Ongeloofwaardig.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15468


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).


Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T.U. Takaki. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Ethiopische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum].

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Oromo en dat hij in Ethiopïe in de problemen is geraakt na deelname aan demonstraties voor de rechten van de Oromo en tegen het zogeheten Masterplan van de overheid, dat ziet op onteigening van grond van Oromo. Naar aanleiding hiervan zou hij zijn aangehouden, gedetineerd en mishandeld door de politie.

3. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser geen geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over zijn politieke overtuiging, zijn deelname aan de demonstraties en de daaropvolgende problemen. Verder is volgens verweerder niet aannemelijk geworden dat eiser in Ethiopië in het algemeen of als Oromo heeft te vrezen voor vervolging of dat hij vanwege zijn afkomst een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar dat land. Om die reden is de aanvraag afgewezen als ongegrond.

4. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers deelname aan de demonstraties ten onrechte heeft gesteld dat hij een politieke overtuiging heeft voorgespiegeld. Eiser was destijds veertien jaar oud en heeft als gelegenheidsdemonstrant met zijn vrienden deelgenomen aan de demonstraties omdat hij had gehoord dat Oromo worden gediscrimineerd en omdat het Masterplan daar een voorbeeld van was.

Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat eiser algemeen en summier heeft verklaard over de betekenis van het Masterplan en dat hij daarmee niet geloofwaardig heeft verklaard over zijn gestelde politieke overtuiging, namelijk dat hij tegen het Masterplan is, dat hij opkomt voor de rechten van de Oromo in Ethiopïe en dat hij tegen de Ethiopische regering is.

Nu eiser in beroep erkent dat zijn gestelde deelname aan de demonstraties niet is ingegeven door een diepere politieke overtuiging, is de conclusie dat verweerder bedoelde tegenwerping terecht heeft gedaan.

6. Verweerder heeft verder tegengeworpen dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn deelname aan de demonstraties. Daarbij heeft verweerder tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het aantal demonstraties waaraan hij heeft deelgenomen en over wanneer hij zou zijn gevlucht vanuit een restaurant naar een kerk. In zijn opeenvolgende verklaringen plaatst eiser dat voorval namelijk eerst op 5 mei 2014 en daarna op 3 december 2015.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet dat een en ander niet is veroorzaakt door verwarring over de relevante datums bij de gehoorambtenaar, maar dat de geconstateerde tegenstrijdigheid volgt uit de verklaringen van eiser.

De beroepsgrond dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat zijn verklaringen geen verdere aanvulling of correctie behoefden, slaagt dan ook niet. De toevoegingen in beroep dat eiser aan twee demonstraties heeft deelgenomen en dat eisers vlucht naar de kerk plaatsvond op 3 december 2015, laten onverlet dat eiser hierover wisselend heeft verklaard.

7. Verder zijn eisers beschrijvingen van de verschillende demonstaties volgens verweerder algemeen, oppervlakkig, summier en niet onderscheidend. Ook heeft eiser zijn gestelde rol als organisator niet aannemelijk weten te maken. Hiertegen heeft eiser niets ingebracht.

8. Daarnaast heeft verweerder nog opgemerkt dat het vreemd is dat eiser na de demonstraties is gaan eten in een openbaar restaurant, terwijl hij wist dat het daar onveilig was. In het bestreden besluit heeft verweerder gereageerd op de zienswijze van eiser dat het geen restaurant betrof zoals we dat in Europa kennen. De opmerkingen van eiser hierover in het aanvullend beroepschrift, dat het een eettentje was waarin achterramen zitten waardoor je eventueel naar buiten kunt springen, laten onverlet dat verweerder terecht heeft gewezen op het risico dat eiser heeft genomen door een onveilige plek op te zoeken. Eisers toelichting dat het thuis evengoed onveilig was, geeft hiervoor geen goede verklaring.

9. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eisers verklaringen over zijn deelname aan de demonstraties ongeloofwaardig zijn. Gelet hierop is niet aannemelijk dat eiser vanwege deelname aan demonstraties is aangehouden, gedetineerd en mishandeld.

10. Nu verweerder heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Ethiopië heeft te vrezen voor vervolging of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.