Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5253

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
C/09/545031 / FA RK 17-9653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: FA RK 17-9653 / C/09/545031

Datum uitspraak: 18 april 2018

Beschikking van de kinderrechter

Beëindiging gezag

in de zaak naar aanleiding van het op 19 december 2017 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats 1]

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]

de moeder,

wonende te Roemenië,

[de man]

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

de gecertificeerde instelling:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    een e-mailbericht van 15 februari 2018 van de zijde van de moeder, ter terechtzitting overgelegd door de gecertificeerde instelling.

Op 18 april 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de heer [A] , namens de Raad;

  • -

    de heer [B] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de vader.

De moeder heeft blijkens het door verzoekster overgelegde uittreksel uit het systeem ingevolge de wet BRP geen bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland. De moeder is daarom openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant op
15 februari 2018. Omdat van de moeder bij de rechtbank een e-mailadres bekend is, is de moeder voorts opgeroepen per e-mailbericht op 13 februari 2018. In reactie op de oproep, heeft de moeder bij e-mailbericht van 15 februari 2018 aangekondigd niet aanwezig te zullen zijn op de zitting. De moeder is ook niet verschenen.

Feiten

  • -

    De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de [minderjarige] .

  • -

    De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 december 2017 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 20 december 2017 tot 20 juni 2018.

Verzoek

De Raad verzoekt het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen. De Raad heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. Het gaat goed met [minderjarige] en zij ervaart momenteel rust in de huidige thuissituatie bij de vader. Zij heeft echter ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, waarbij er sprake was van huiselijk geweld en relatieproblematiek tussen de ouders. Bovendien heeft zij binnen korte tijd veel wisselingen van woonsituaties meegemaakt. Nadat de moeder onverwacht vertrokken is naar Roemenië in juni 2017, is [minderjarige] (na een uithuisplaatsing bij de grootmoeder) terug geplaatst bij de vader. [minderjarige] mist haar moeder en het vertrek van de moeder was erg plotseling voor [minderjarige] . Of en zo ja, wanneer de moeder terugkomt, is onduidelijk. Haar rol als persoonlijk opvoeder is daarom onduidelijk. De moeder heeft in het verleden veel contacten gehad met de GGZ. De Raad heeft grote zorgen over haar functioneren, omdat zij wisselende uitspraken doet, het haar niet lukt om voor zichzelf te zorgen en omdat zij beperkt inzicht heeft in wat voor [minderjarige] nodig is. Ook in de samenwerking met de vader ten behoeve van [minderjarige] weigert de moeder te haar verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder te nemen. Zo weigert zij haar instemming te geven voor een voor [minderjarige] noodzakelijke training en tekent zij ook niet voor de afspraken met betrekking tot het vaststellen van de omgangsregeling.

Namens de gecertificeerde instelling is op de zitting aangevoerd dat de moeder bewust voor zichzelf heeft gekozen toen zij plotseling naar Roemenië vertrok. Aan de moeder is veel hulp geboden om ervoor te zorgen dat zij in Nederland zelfstandig zou kunnen wonen en zo dichterbij [minderjarige] kon zijn, maar de moeder heeft dat systematisch geweigerd. De moeder wil alleen weer naar Nederland komen als zij dan weer een relatie met de vader kan hebben. Ook toen [minderjarige] nog bij haar verbleef, kon zij niet goed invulling geven aan haar opvoedende taak als moeder. Zij wilde vooral met rust gelaten worden. De moeder heeft geweigerd om de afspraken die voortvloeide uit de jeugdbeschermingstafel te ondertekenen en om toestemming te verlenen voor de KIES training. Gelet op de behoefte van [minderjarige] aan duidelijkheid en de opstelling van de moeder, is de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder kan worden geacht de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen, inmiddels bereikt. [minderjarige] zal rust vinden door de gezagsbeëindiging.

De vader heeft ingestemd met het verzoek. De vader heeft aangegeven dat de moeder wantrouwig is en nergens voor wil tekenen. De moeder is plotseling naar Roemenië vertrokken. De moeder is veel hulp aangeboden zodat zij dichterbij [minderjarige] kon zijn, maar zij heeft dit geweigerd. Ook een aanbod om in
december 2017 een week naar Nederland te komen om aanwezig te zijn op de verjaardag van [minderjarige] , heeft de moeder afgeslagen. [minderjarige] en haar moeder hebben een keer per twee weken contact via Skype. [minderjarige] wil niet vaker contact hebben. De vader sluit uit dat hij nog weer zal gaan samenleven met de moeder.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

De kinderrechter is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan. [minderjarige] is geruime tijd getuige geweest van huiselijk geweld en woont, na een uithuisplaatsing, sinds haar moeder in juni 2017 plotseling naar Roemenië is vertrokken, bij de vader. Voor [minderjarige] is duidelijkheid over haar opvoedings- en woonsituatie nu van groot belang. Daarom vormt het feit dat de moeder in juni 2017 plotseling naar Roemenië is vertrokken en sindsdien geen rol meer speelt in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] en niet meer meewerkt aan beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] , een concrete, ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Dat geldt temeer nu de moeder niet heeft aangegeven nog weer naar Nederland te zullen terug keren, anders dan in de door de vader uitgesloten situatie om weer met de vader te gaan samenleven. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de kinderrechter tevens van oordeel dat de moeder niet in staat kan worden geacht de verantwoordelijkheid en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

De kinderrechter zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.

Beslissing

De kinderrechter:

beëindigt het ouderlijk gezag van

de moeder: [de vrouw] geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats 2] Roemenië,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats 1] ,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.