Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5252

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
C/09/546645 / JE RK 18-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: JE RK 18-134 / C/09/546645 en JE RK 18-2401 / C/09/550946

Datum uitspraak: 18 april 2018

Beschikking van de kinderrechter

Beëindiging gezag

in de zaak naar aanleiding van de op respectievelijk 22 januari 2018 en 5 april 2018 ingekomen verzoeken van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2018 te ’ [geboorteplaats 1]

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats]

de gecertificeerde instelling:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

de beoogd voogdes,

[pleegouders] ,

de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De kinderrechter heeft bij beschikking van 30 januari 2018 (in de zaak C/09/546645) [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van 31 januari 2018 tot 21 april 2018 en voor dezelfde periode een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Het verzoek om de moeder te schorsen in het gezag en de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij is afgewezen. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

  • -

    voornoemde beschikking van 30 januari 2018;

  • -

    het verzoek;

  • -

    het rapport van de Raad van 5 april 2018 (inclusief de bijlagen).

Op 18 april 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de heer [A] namens de Raad;

  • -

    de moeder;

  • -

    de pleegouders;

  • -

    mevrouw [B] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • -

    De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

  • -

    Sinds 22 januari 2018 verblijft [minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Verzoek en verweer

De Raad verzoekt thans primair om het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogdes over [minderjarige] . Subsidiair verzoekt de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging te verlenen om hem gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, beide maatregelen voor de duur van één jaar.

De Raad heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. [minderjarige] is een baby van enkele maanden oud, die na een ongecontroleerde zwangerschap gezond en voldragen ter wereld is gekomen. Kort na zijn geboorte is de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken en is hij uithuisgeplaatst. [minderjarige] ontwikkelt zich goed. De moeder heeft een verstandelijke beperking. Zij heeft nog vier kinderen, die allemaal bij oma (moederszijde opgroeien). Het gezag van de moeder over de oudste twee dochters is enkele jaren terug beëindigd. Er is een verzoek ingediend tot beëindiging van het gezag over haar twee zonen. De moeder heeft gedurende de afgelopen jaren verschillende intensieve trajecten doorlopen die gericht waren op het vergroten van haar opvoedingsvaardigheden en het verbeteren van haar eigen (financiële) situatie. Zo hebben VIG Radar, Stevig Ouderschap en HWWzorg intensieve hulp verleend (2014) en zijn achtereenvolgens de trajecten VUHP (Voorkomen uithuisplaatsing) en Tien voor Toekomst ingezet (2015). Daarnaast is er hulpverlening vanuit Stichting MEE en bewindvoering ingezet om de moeder te ondersteunen. Deze trajecten hebben niet geleid tot een structurele verbetering. Deze (jarenlange) trajecten en begeleiding hebben niet tot verbetering van haar vaardigheden geleid Dit wordt onderstreept door het gegeven dat de moeder haar zwangerschap heeft verborgen voor haar netwerk, de gecertificeerde instelling en de Raad. De moeder is sinds oktober 2017 de omgangsafspraken met haar vier andere kinderen niet meer nagekomen en was niet bereikbaar voor de grootmoeder en de hulpverlening. De moeder is niet bij machte om het belang van haar kinderen te laten prevaleren boven haar eigen gevoel en wensen. Tijdens de omgangsmomenten met [minderjarige] heeft de moeder veel begeleiding en aansturing nodig. De Raad is van mening dat er niet gewerkt kan worden aan een terugplaatsing en dat de plek van [minderjarige] in het pleeggezin gewaarborgd dient te worden. Er dient op zo’n kort mogelijke termijn duidelijkheid te komen voor [minderjarige] , zodat hij zich veilig kan hechten aan de pleegouders en de moeder haar rol als moeder op afstand invulling kan gaan geven. Beëindiging van het gezag is dan ook in het belang van [minderjarige] , aldus de Raad.

Namens de gecertificeerde instelling is op de zitting aangevoerd dat de hulpverleningsinstanties met de moeder intensieve trajecten hebben doorlopen, maar dat de oudere broers en zussen van [minderjarige] uiteindelijk uit huis zijn geplaatst bij de grootmoeder. Er is veel geprobeerd om de kinderen bij de moeder te laten opgroeien, maar het is niet voldoende gebleken. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij in een stabiel gezin opgroeit. Voor de moeder is het teveel gevraagd om hem op te voeden en te verzorgen, hoewel de wil er wel is. De maatregelen van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hebben als doel terugwerken naar huis; dat is hier niet langer aan de orde. In reactie op het standpunt van de moeder, is aangevoerd dat de mogelijkheid van een plaatsing binnen het netwerk – anders dan bij de grootmoeder – niet is onderzocht, omdat de mogelijkheid van een eventuele plaatsing bij de tantes van de moeder bij de gecertificeerde instelling niet bekend was, ondanks de reeds jarenlange contacten van de gecertificeerde instelling met de moeder en de pleegmoeder (oma moederszijde).

De moeder heeft aangegeven dat zij liever zelf voor [minderjarige] wil zorgen en dat zij hier haar best voor zal doen, net zoals zij dat heeft gedaan voor zijn broers en zussen. De moeder vindt het vervelend om [minderjarige] bij de pleegouders achter te laten na een bezoekmoment. De moeder heeft voorgesteld om [minderjarige] te laten opgroeien bij twee tantes, wier namen zij niet kan noemen. Zij ziet anders geen andere oplossing dan [minderjarige] te laten opgroeien bij in een pleeggezin.

De pleegouders hebben aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij zijn biologische familie bij zijn leven zullen blijven betrekken.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De vraag is of de moeder in staat kan worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een voor hem aanvaardbaar te achten termijn. De kinderrechter overweegt daartoe dat de betrokken hulpverlening – in het kader van de kinderbeschermingsmaatregelen die zijn uitgesproken ten aanzien van de broers en zussen van [minderjarige] – in de afgelopen jaren langdurig en op veel verschillende manieren heeft geprobeerd om de opvoedvaardigheden van de moeder te vergroten, maar dat dit uiteindelijk niet is gelukt. Het ontbreekt de moeder echter aan voldoende opvoedvaardigheden om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. De moeder is niet in staat gebleken om een veilige en gestructureerde opvoedomgeving te bieden. Zij heeft daarnaast de zwangerschap van [minderjarige] verborgen gehouden – de zwangerschap heeft daardoor zonder enige controle plaatsgevonden – en is de omgangsafspraken met de andere kinderen sinds oktober 2017 niet nagekomen. Naar het oordeel van de kinderrechter toont dit de onmacht van de moeder aan om het belang van haar kinderen voorop te stellen. De kinderrechter acht het daarom niet aannemelijk dat de situatie van de moeder binnen afzienbare termijn zodanig zal verbeteren, dat zij in staat kan worden geacht om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] wel op zich te nemen.

Het pleeggezin is voor [minderjarige] perspectief biedend. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] en de pleegouders de mogelijkheid krijgen om zich aan elkaar te hechten, nu moet worden aangenomen dat de moeder niet in staat is om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en niet te verwachten valt dat dit binnen afzienbare termijn zal verbeteren. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] , is het bevorderen van dit hechtingsproces van groot belang. Duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] zal daaraan bijdragen. Ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn tijdelijke kinderbeschermingsmaatregelen, die als doel hebben terugwerken naar een thuisplaatsing. Deze maatregelen zullen de onduidelijkheid over het toekomstperspectief in stand houden en kunnen daardoor de ontwikkeling van [minderjarige] kunnen belemmeren. Bij afweging van het belang van de moeder bij het behouden van de juridische band met [minderjarige] en het belang van [minderjarige] bij continuïteit van zijn opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces, is de kinderrechter van oordeel dat het belang van [minderjarige] . De kinderrechter is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan.

De kinderrechter zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de kinderrechter op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de kinderrechter dat, hoewel het pleeggezin voor [minderjarige] perspectief biedend is, [minderjarige] nog relatief kort bij het pleeggezin verblijft. De kinderrechter acht het van belang de gecertificeerde instelling te benoemen als voogdes, zodat de plaatsing kan worden begeleid en de voogd als tussenpersoon zo nodig kan dienen tussen de moeder, de pleegouders en de overige familieleden van [minderjarige] .

Omdat de kinderrechter het primaire verzoek zal toewijzen, komt zij niet langer toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek.

Beslissing

De kinderrechter:

beëindigt het ouderlijk gezag van

de moeder: [de vrouw], geboren op [geboortedag 2] 1986 te [geboorteplaats 2]

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.