Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5244

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
NL17.8498
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag ingewilligd. Beroep tegen vaststelling meerderjarigheid. Procesbelang. Registratie in andere lidstaat. Minderjarigheid niet alsnog aannemelijk gemaakt. Leeftijdsonderzoek Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8498


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).


Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure ingewilligd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Hij bezit de Eritrese nationaliteit. Op 25 april 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van de geboortedatum die eiser eerder in Italië heeft opgegeven, te weten: [geboortedatum 2] . Verweerder baseert zich daarbij op een van de Italiaanse autoriteiten verkregen informatie van 17 juli 2017, waaruit blijkt dat eiser in Italië is geregistreerd met twee geboortedata: [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] . Verweerder verwijst ook naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134 en 20 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:780, waaruit blijkt dat behoudens tegenbewijs mag worden uitgegaan van een in een andere lidstaat opgegeven geboortedatum.

3. Eiser voert kort weergegeven aan dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat hij meerderjarig is. Eiser heeft verklaard dat hij in Italië heeft gelogen over zijn leeftijd omdat minderjarigen daar worden vastgehouden terwijl hij wilde doorreizen naar Nederland. Hij stelt dat verweerder er niet enkel op grond van de registratie in Italië van mag uitgaan dat hij meerderjarig is.

4. Allereerst ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser belang heeft bij het voeren van deze procedure. Hij heeft namelijk de door hem gevraagde asielvergunning gekregen, zodat hij in zoverre niet in een gunstigere positie kan komen te verkeren. Eiser heeft er echter op gewezen dat hij er belang bij heeft om als minderjarige te worden aangemerkt gelet op een toekomstig verzoek om nareis. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3294, geoordeeld dat er procesbelang bestaat bij de betwisting van persoonsgegevens. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij het voeren van deze procedure en zal de rechtbank zijn beroep inhoudelijk behandelen.

5. Niet in geschil is dat eiser in Italië tweemaal heeft verklaard dat hij meerderjarig is, te weten bij zijn aanmelding en bij het indienen van zijn asielaanvraag. In dat kader heeft verweerder er terecht op gewezen dat mag worden uitgegaan van een in een andere lidstaat opgegeven geboortedatum totdat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij een andere geboortedatum heeft. Dat blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3288.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om aan te nemen dat hij minderjarig is. De stelling dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn leeftijd aannemelijk te maken kan eiser ook niet baten nu eiser in beroep geen inzicht geeft in de wijze waarop hij zijn gestelde minderjarigheid aannemelijk had willen maken.

7. Eiser voert verder aan dat verweerder hem in strijd met artikel 3.109d, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 geen leeftijdsonderzoek heeft aangeboden. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2591, volgt dat indien de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat onvoldoende wordt betwist, reeds om die reden geen aanleiding bestaat voor het aanbieden van een leeftijdsonderzoek.

8. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat zijn rechten als minderjarige zoals die worden beschermd door het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de

grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden. Deze grond faalt omdat niet aannemelijk is dat eiser minderjarig is.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.