Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5237

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
C/09/550131 / KG ZA 18/279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In kort geding worden de auteur en de uitgever van een boek over – kort gezegd – het huwelijk en de echtscheiding van de auteur veroordeeld om (o.a.) de verdere verspreiding van het boek te staken, voorraden te vernietigen en iedere promotie te staken. De auteur wordt bovendien tot rectificatie veroordeeld. Weliswaar wil zij met het boek maatschappelijke misstanden aan de orde stellen, maar zij heeft daarbij bepaalde grenzen overschreden, door i) de wijze waarop zij het boek presenteert, te weten als persoonlijk en waargebeurd verhaal, waarbij duidelijk kenbaar is dat de (ex-)echtgenoot in het boek eiser is en dat het tevens gaat over hun twee kinderen, ii) in het boek vele ernstige beschuldigingen te uiten aan het adres van eiser, die geen steun vinden in feitenmateriaal en iii) zeer persoonlijke en intieme zaken aangaande eiser en zeer privacygevoelige zaken over de kinderen te delen, zonder dat zij hierin vooraf zijn betrokken. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer/bescherming van de eer en goede naam van eiser gaat hier voor op het recht op vrijheid van meningsuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/550131 / KG ZA 18/279

Vonnis in kort geding van 3 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink te Enschede,

tegen:

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M.C. Rosier te Amsterdam,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BERTRAM EN DE LEEUW UITGEVERS B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Haarlem,

advocaat: mr. M.C.S. de Boer te Amsterdam,

gedaagden.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘de uitgever’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door gedaagden overgelegde producties;

- de op 19 april 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] en [gedaagde 1] zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk, gesloten in 2002, is in 2014 door echtscheiding ontbonden. Zij zijn de ouders van twee thans nog minderjarige kinderen, te weten [kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] en [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] . De hoofdverblijfplaats van de kinderen is door de rechtbank in 2014 bij [eiser] bepaald en er is sprake van een door de rechtbank in 2017 vastgestelde zorgregeling, waarbij de kinderen – verkort weergegeven – eens per twee weken anderhalf uur contact hebben met hun moeder onder begeleiding van Jeugdformaat. De kinderen staan sinds 2014 onder toezicht van Jeugdbescherming West.

2.2.

[gedaagde 1] heeft een boek geschreven met de titel “ [naam boek] ” met als ondertitel “ [ondertitel] ” (hierna: het boek). Zij heeft het boek in februari 2018 uitgebracht via de uitgever. Het boek wordt verkocht via diverse websites.

2.3.

Op de achterzijde van het boek staat een portret van [gedaagde 1] , met daarnaast de tekst:

“ [gedaagde 1] is naast moeder van twee kinderen, journaliste en juriste. Ze werkte onder andere voor Amnesty International en het Ministerie van Justitie.”

De achterzijde van het boek vermeldt verder:

Kinderroof in [plaats 4]

Een moeder slaakt een hartenkreet uit: Grijp in!

[naam boek] is het schokkende verhaal van een moeder die strijdt voor haar kinderen en niet opgeeft. [gedaagde 1] is jarenlang geterroriseerd door haar ex-man en op een geraffineerde wijze (gaslighting) geestelijk mishandeld. Het ouderlijk gezag dreigt haar nu ontnomen te worden. Een ongelijke strijd, zonder enig recht op juridische bijstand en in de steek gelaten door jeugdzorg.

“Je bent mijn vrouw [naam] . Als je bij me weggaat, dan zorg ik ervoor dat je de kinderen nooit meer ziet. Ik ontvoer ze naar Mexico. Ik zeg iedereen dat je gestoord bent. Ik ga het huis nooit uit. Ik maak je financieel kapot en ga daar mee door tot je zelfmoord pleegt. Je weet wat je te doen staat.” Hij zegt het fluisterend in mijn oor en streelt ondertussen mijn gezicht.”

2.4.

Het boek is geschreven in de ik-vorm. In het boek beschrijft [gedaagde 1] haar leven in vier plaatsen ( [plaats 1] , [plaats 4] , [plaats 2] en [plaats 3] ) met telkens voorafgaand aan beschrijvingen van voorvallen een datering. Zeer verkort weergegeven komen in het boek aan de orde de ontmoeting van [gedaagde 1] met haar latere echtgenoot – in het boek aangeduid als Brent –, hun contacten nadien, het verloop van hun relatie, hun samenwoning, hun huwelijk in 2002 en de geboorte van hun kinderen in juni 2003 en oktober 2005, die in het boek Zoë en Boaz worden genoemd. Hierbij beschrijft [gedaagde 1] diverse voorvallen tussen haar en Brent, waaronder de wijze waarop Brent haar heeft bedreigd en geestelijk mishandeld en haar reacties daarop en haar gevoelens daarbij. Na de geboorte van de kinderen spelen ook zij een belangrijke rol in de beschreven gebeurtenissen. Hierna komt aan de orde het vertrek van Brent uit de echtelijke woning in november 2012, hetgeen daarna is gebeurd met [gedaagde 1] en met de kinderen, wat er is voorgevallen in contacten tussen [gedaagde 1] en Brent, in contacten met hulpverleningsinstanties en er wordt verhaald over rechterlijke procedures tussen partijen en over de (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de) kinderen, een en ander tot begin 2018.

2.5.

Er zijn interviews met [gedaagde 1] verschenen in een dagblad en een online tijdschrift over de situatie waarin vrouwen een gewelddadig huwelijk proberen te ontvluchten en hoe zij na de echtscheiding proberen te overleven. [gedaagde 1] presenteert zich daarin als ervaringsdeskundige en vertelt haar verhaal. Zij is ook op deze wijze actief op social media, waaronder op Facebook en zij heeft een eigen website, [X] .nl.

2.6.

De uitgever heeft kort voor de mondelinge behandeling in deze procedure de tekst van een “disclaimer” in het geding gebracht, die naar haar zeggen ongeveer vanaf de zittingsdatum in de nog te verkopen boeken zal worden gevoegd. De tekst hiervan luidt:

“Dit boek is een verhaal gebaseerd op waargebeurde feiten, verteld vanuit de persoonlijke, subjectieve beleving van de auteur waarbij feit en fictie zijn vermengd. Voor zover wordt verwezen naar bestaande personen of situaties, worden deze (deels) fictief gebruikt. Het boek is een aanklacht tegen het systeem waarbij een moeder, zonder waarheidsvinding door de officiële instanties, haar kinderen kwijt kan raken.

De uitgever

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

1. [gedaagde 1] en de uitgever te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis:

  1. het drukken, vermenigvuldigen en op welke wijze dan ook verspreiden van het boek per direct te staken en gestaakt te houden, alsook (een deel van) de inhoud van het boek op andere wijze kenbaar te maken, onder meer door alle verkooppunten van het boek, waaronder maar niet beperkt tot bol.com, Bruna, managementboek.nl en libris.nl, te verzoeken de verkoop van het boek per direct te staken, zulks onder toezending van een afschrift van dit vonnis en onder toezending van een kopie van deze brief aan de advocaat van [eiser] ;

  2. een voor rekening van [gedaagde 1] en/of de uitgever door een registeraccountant gecontroleerde en akkoord bevonden opgave te doen toekomen van het totaal aantal exemplaren dat is vervaardigd van het boek;

  3. de nog aanwezige (handels)voorraden van het boek terug te halen en om die voorraden en de bij [gedaagde 1] en de uitgever zelf aanwezige voorraden van het boek voor eigen rekening te vernietigen of te doen vernietigen, zulks onder, voor rekening van [gedaagde 1] en/of de uitgever, door een registeraccountant gecontroleerde en akkoord bevonden schriftelijke opgave van de vernietigde aantallen;

  4. e reeds uitgeleverde exemplaren van het boek terug te halen en om deze exemplaren voor eigen rekening te vernietigen of te doen vernietigen, zulks onder, voor rekening van [gedaagde 1] en/of de uitgever, door een registeraccountant gecontroleerde en akkoord bevonden schriftelijke opgave van de vernietigde aantallen;

  5. de promotie van het boek, op welke wijze dan ook en via welk medium dan ook, waaronder, doch niet beperkt tot Facebook en de website [X] .nl, te staken en gestaakt te houden en per direct te verwijderen en verwijderd te houden van internet;

een en ander (a tot en met e) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;

aan [eiser] te voldoen een bedrag ad € 10.000,-- bij wege van voorschot op schadevergoeding, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot, zijnde een hoofdelijke veroordeling;

2. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis:

centraal op haar Facebookpagina en op de website [X] .nl, zonder verdere toevoegingen, in een zowel qua formaat als stijl als contrast goed leesbaar lettertype, de volgende tekst op te nemen en deze tekst op voornoemde wijze daar gepubliceerd te houden gedurende een periode van ten minste drie maanden:

“In februari 2018 heb ik een boek op de markt gebracht genaamd ‘ [naam boek] ’. Hoewel dit boek onder de noemer van een waargebeurd verhaal is uitgebracht, berust de inhoud van het boek niet op waarheid. In het boek staan een veelheid van onwaarheden. Met het personage Brent wordt mijn ex-echtgenoot beschreven en wordt deze beschuldigd van veel misdragingen, zoals geweld en bedreigingen. Een groot deel en de meest ernstige van deze beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het ter beschikking staande feitenmateriaal zodat de publicatie van het boek onrechtmatig is jegens mijn ex-echtgenoot. Ik verzoek u daarom ook het boek retour te zenden. Voor zover van toepassing ontvangt u van mij het aankoopbedrag terug.”

zich verder te onthouden, op welke wijze dan ook, en via welk medium dan ook, van uitspraken omtrent de persoon van [eiser] , dan wel die indirect tot zijn persoon herleidbaar zijn;

een en ander (g en h) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;

met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en de uitgever in de kosten van deze procedure en in de nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde 1] en de uitgever handelen onrechtmatig jegens hem, als ook tegen de kinderen, door het boek te (laten) publiceren en uitgeven. Het recht van [eiser] op bescherming van de eer en goede naam dient in deze zwaarder te wegen dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1] . Alhoewel in het boek gefingeerde namen worden gebruikt, is het om diverse redenen aanstonds duidelijk dat het gaat over [eiser] , over het huwelijk tussen [gedaagde 1] en [eiser] , over de kinderen en over de problemen die zij samen hebben, kennelijk met het doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Het boek wordt gepresenteerd als waargebeurd verhaal, maar de diverse ernstige en grievende aantijgingen en beschuldigingen van [eiser] die het boek bevat zijn in strijd zijn met de waarheid en ongefundeerd. [eiser] heeft zich nooit schuldig gemaakt aan het plegen van geweld, van welke aard dan ook en hiervoor is ook geen enkele steun te vinden in beschikbaar feitenmateriaal. Daar komt bij dat in het boek en ook in andere publicaties privacygevoelige informatie wordt gegeven, waaronder over de ondertoezichtstelling van de kinderen en het hulpverleningstraject. Dat dient geen enkel doel en vormt een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer en eer en goede naam van [eiser] en de kinderen. [gedaagde 1] heeft daartegenover geen enkel te respecteren belang bij de publicaties op de wijze waarop die zijn gedaan. De uitgever heeft bij het in omloop brengen van het boek niet de nodige zorgvuldigheid betracht.

3.3.

[gedaagde 1] en de uitgever voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

4.1.

Aan de betwisting door [gedaagde 1] en de uitgever van het spoedeisend belang van [eiser] wordt voorbijgegaan. Het moge zo zijn dat [gedaagde 1] eerder ook al publiekelijk beschuldigingen heeft geuit aan het adres van [eiser] en dat [eiser] daar geen juridische actie tegen heeft ondernomen, dit geding betreft de omstandigheid dat [gedaagde 1] ertoe is overgegaan om deze beschuldigingen te uiten in een boek dat door de uitgever recentelijk is uitgegeven. Dit is naar eigen zeggen van [eiser] ‘de druppel’ voor hem geweest en hij stelt verdere verspreiding van dit boek te willen voorkomen. Daarmee heeft [eiser] de aanwezigheid van een spoedeisend belang voldoende onderbouwd.

Toetsingscriterium

4.2.

Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, te weten enerzijds het door artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1] en anderzijds het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , waaronder het door hem ingeroepen recht op bescherming van de goede naam/reputatie is begrepen (EHRM 15 november 2007, no. 12556/03, Pfeifer/Oostenrijk, EHRC 2008, 6). Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht en voor de door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).

Beoordeling

4.3.

De hiervoor genoemde afweging/toetsing leidt tot het oordeel dat in dit geval het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het recht van [gedaagde 1] op vrijheid van meningsuiting. Aan de zijde van [gedaagde 1] heeft bij de afweging zwaar meegewogen dat zij met het boek maatschappelijke misstanden aan de orde heeft willen stellen, zoals de uitgever maar met name ook [gedaagde 1] (bij monde van haar advocaat) ter zitting uitvoerig heeft benadrukt. [gedaagde 1] heeft, zo leidt de voorzieningenrechter af uit haar stellingen, zowel geweld tegen vrouwen, met name in de huiselijke sfeer, aan de orde willen stellen als de omstandigheid dat “het systeem” zo werkt dat een moeder – waaronder met name ook moeders die “hun verhaal naar buiten brengen” – hun kinderen kwijtraken als gevolg van problemen in de jeugdbeschermingsketen. Ook indien dat het doel is van de publicatie, zijn er echter wel nog bepaalde grenzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn die hier overschreden. Dit is het geval door i) de wijze waarop [gedaagde 1] het boek presenteert, te weten als persoonlijk en waargebeurd verhaal, waarbij duidelijk kenbaar is dat de (ex-)echtgenoot in het boek [eiser] is en dat het tevens gaat over hun twee kinderen, ii) in het boek vele ernstige beschuldigingen te uiten aan het adres van [eiser] , die geen steun vinden in feitenmateriaal en iii) zeer persoonlijke en intieme zaken aangaande [eiser] en zeer privacygevoelige zaken over de kinderen te delen, zonder dat zij hierin vooraf zijn betrokken. Dit maakt dat de belangenafweging uitvalt zoals hiervoor vermeld. Nu de uitgever en [gedaagde 1] een aantal aspecten van het voorgaande hebben betwist, wordt ter nadere motivering nog het volgende overwogen.

4.4.

[gedaagde 1] heeft het boek onder haar eigen naam geschreven, met de vermelding van enkele wetenswaardigheden over haar, waaronder dat zij moeder is van twee kinderen, en met als beschrijving van het boek op de achterflap “ [gedaagde 1] is jarenlang geterroriseerd door haar ex-man en op een geraffineerde wijze (gaslighting) geestelijk mishandeld. Het ouderlijk gezag dreigt haar nu ontnomen te worden. Een ongelijke strijd, zonder enig recht op juridische bijstand en in de steek gelaten door jeugdzorg”. Het boek speelt zich af in de vier woonplaatsen van [gedaagde 1] , waaronder in [eiser] , waar partijen samen met de kinderen gewoond hebben. Het boek beschrijft het huwelijk van [gedaagde 1] met haar ex-man, die wordt omschreven als Mexicaanse Groninger, geboren te [land] , werkzaam als ingenieur bij Shell. Deze hele specifieke informatie is geheel op [eiser] van toepassing. Al de in het boek genoemde data stemmen voorts exact overeen met de data waarop bepaalde grote gebeurtenissen in het leven van [gedaagde 1] zich hebben afgespeeld, zoals haar huwelijk, de geboorte van haar kinderen, verhuizingen en de uithuisplaatsing van haar kinderen.

4.5.

Daarmee is overduidelijk dat [gedaagde 1] met het boek een waargebeurd verhaal heeft willen vertellen. [gedaagde 1] draagt dit buiten deze procedure om ook uit. Dat blijkt onder meer uit het bericht dat zij minder dan een week voor de zitting in dit geding korte tijd op haar Facebookpagina heeft geplaatst. Dit bericht houdt in, samengevat, dat zij het verhaal als non-fictie heeft geschreven en dat het op volledige waarheid berust. Deze boodschap wordt ook tot uiting gebracht in diverse andere publicaties die zijn verschenen van de hand van dan wel na medewerking van [gedaagde 1] . Het enkel ter zitting stellen dat er sprake is van een gefictionaliseerde weergave van de eigen persoonlijke ervaringen van [gedaagde 1] en het toevoegen van een inlegvel aan het boek, met de – weinig concrete – tekst als onder 2.6 vermeld, is onder die omstandigheden onvoldoende om anders te concluderen.

4.6.

Voor zover [gedaagde 1] en de uitgever stellen dat het boek weliswaar herleidbaar is tot [eiser] en de kinderen, maar slechts voor personen in de directe omgeving van [gedaagde 1] en [eiser] , heeft te gelden dat dit ook is wat [eiser] heeft betoogd. Hij stelt dat mensen uit de familie en kennissenkring en zakenrelaties van partijen, maar ook bijvoorbeeld ouders van klasgenoten van de kinderen, aan de hand van voormelde gegevens het boek eenvoudig kunnen herleiden naar hem en naar de kinderen. Dat is dan ook wat de voorzieningenrechter in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling.

4.7.

Dat er sprake is van ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiser] wordt door de uitgever en [gedaagde 1] niet betwist. Er is, onder andere en zeer verkort weergeven, sprake van veelvuldige beschuldigingen aan het adres van [eiser] van psychische mishandeling en van agressief gedrag jegens [gedaagde 1] in aanwezigheid van de kinderen, er wordt melding gemaakt van door hem geuite bedreigingen aan het adres van [gedaagde 1] en beweerd wordt dat psychiaters zouden hebben gezegd dat waarschijnlijk sprake is van narcistisch misbruik en dat er een onderzoek zou moeten komen naar een dergelijk misbruik door [eiser] . Ook beschrijft [gedaagde 1] hoe [eiser] in diverse opzichten en onder diverse omstandigheden niet handelt en reageert in het belang van de kinderen.

4.8.

Dergelijke beschuldigingen en uitlatingen dienen, gelet op voormelde conclusie dat het boek wordt gepresenteerd als waargebeurd verhaal, voldoende steun te hebben in feitenmateriaal. Daarvan is geen sprake. De uitgever heeft weliswaar gesteld dat zij stukken heeft gezien waaruit valt af te leiden dat de beschuldigingen van [gedaagde 1] wel degelijk een feitelijke grondslag hebben, maar wat voor stukken dat zijn, heeft zij niet nader geconcretiseerd. De door de uitgever en [gedaagde 1] in dit geding overgelegde stukken kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Dit lag wel op hun weg. Dat klemt temeer nu diverse door [eiser] overgelegde stukken, waaronder met name ook rechterlijke uitspraken, zijn stellingen over de handelwijze van [gedaagde 1] en over zijn handelwijze minst genomen aannemelijk maken. Zo heeft het Gerechtshof Den Haag in 2016 diverse handelingen van [gedaagde 1] aangeduid als ontoelaatbaar en malicieus, hetgeen reden is geweest om te oordelen dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en [gedaagde 1] geen onderhoudsbijdrage van [eiser] meer kan vorderen. Verder heeft de rechtbank het in het belang van de kinderen geacht om hun hoofdverblijfplaats bij [eiser] vast te stellen en te bepalen dat de omgang tussen [gedaagde 1] en de kinderen enkel begeleid kan plaatsvinden, waarbij de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op uitgebreide onderzoeksrapportages.

4.9.

Ten slotte is bij de hier te maken afweging ook zwaar meegewogen de inbreuk die het boek maakt op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de kinderen. Hun belangen vormen de eerste overweging. De voorzieningenrechter acht met [eiser] zeer kwalijk dat in het boek zeer privacygevoelige informatie wordt gegeven over hun jeugd, hun opvoedsituatie, maar ook hun ondertoezichtstelling en het hulpverleningstraject, zeker nu het boek eenvoudig tot hen herleidbaar is.

4.10.

Wat betreft de uitgever wordt nog overwogen dat zij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar had mogen verwacht. De uitgever verwijst in haar verweer met name naar het (deels) fictieve karakter van het boek, maar haar stellingen daaromtrent worden zoals vermeld niet gevolgd. De stelling dat uit door [gedaagde 1] verstrekte stukken blijkt dat [gedaagde 1] “de in het boek beschreven gebeurtenissen niet geheel uit haar duim heeft gezogen”, kan dit oordeel niet anders maken. Niet alleen heeft de uitgever niet geconcretiseerd om welke stukken het gaat, maar dit is ook niet het normenkader dat hier te gelden heeft voor de zorgvuldigheid die een uitgever moet betrachten.

Tegen [gedaagde 1] en de uitgever gevorderde veroordelingen

4.11.

Het vorenstaande in aanmerking nemende zijn de vorderingen sub 1a en 1e toewijsbaar als na te melden. Wat betreft de vorderingen sub 1c en sub 1d is de voorzieningenrechter niet geheel duidelijk welk onderscheid [eiser] met beide vorderingen voor ogen heeft. Hoe dan ook kunnen [gedaagde 1] en de uitgever slechts veroordeeld worden tot het terughalen van voorraden/van geleverde exemplaren van boeken bij derden indien zij daartoe in staat zijn en beschikken over een machtsmiddel daartoe. Dat geldt dus voor zover die boeken nog eigendom zijn van [gedaagde 1] en/of de uitgever. Zij zullen dan ook in zoverre daartoe worden veroordeeld, zoals hierna vermeld. [gedaagde 1] en de uitgever zullen ook worden veroordeeld om de teruggehaalde en bij hen nog aanwezige boeken te vernietigen, zoals eveneens gevorderd onder 1c. Voor de gevorderde opgave van aantallen door een registeraccount ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Dit deel van de vordering is door [eiser] ook onvoldoende onderbouwd en zal dus worden afgewezen. Dit geldt ook voor de vordering sub 1b, waarbij mede acht is geslagen op de door de uitgever reeds gegeven informatie en haar verweer tegen deze vordering.

4.12.

Wat betreft de vordering sub 1f heeft te gelden dat volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid is geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen –, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

4.13.

Bij immateriële schade is een prompte schadevergoeding geboden. Nu aannemelijk is dat het boek de eer en goede naam van [eiser] aantast en inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer, is eveneens aannemelijk dat hij door de publicatie van het boek immateriële schade lijdt. De omvang daarvan is vooralsnog onduidelijk, maar de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat deze schade, veroorzaakt door zowel [gedaagde 1] als de uitgever, in een bodemprocedure in ieder geval niet op een lager bedrag dan € 1.000,- zal worden begroot. Deze vordering is dan ook voor dit bedrag toewijsbaar in dit geding.

Tegen [gedaagde 1] gevorderde veroordelingen

4.14.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is ook de vordering sub 2g om [gedaagde 1] te veroordelen om een rectificatie te publiceren, toewijsbaar. De door [eiser] geformuleerde tekst is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende concreet en niet objectief genoeg. Deze vordering zal daarom worden toegewezen zoals hierna vermeld.

4.15.

De vordering sub 2h om [gedaagde 1] te gebieden om zich te onthouden van het doen van uitspraken omtrent de persoon van [eiser] zal worden afgewezen. Van uitlatingen die mogelijk in de toekomst over de persoon van [eiser] worden gedaan, kan thans nog niet worden vastgesteld of die onrechtmatig zullen zijn.

4.16.

Oplegging van een dwangsom bij de diverse veroordelingen, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van een geldsom, is aangewezen als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing. De op te leggen dwangsom zal echter voor wat betreft sommige veroordelingen worden gematigd en deze zal bij alle veroordelingen worden gemaximeerd, zoals hierna vermeld.

4.17.

[gedaagde 1] en de uitgever zullen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en de uitgever om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis het drukken, vermenigvuldigen en op welke wijze dan ook verspreiden van het boek per direct te staken en gestaakt te houden, onder meer door alle verkooppunten van het boek, waaronder maar niet beperkt tot bol.com, Bruna, managementboek.nl en libris.nl, te verzoeken de verkoop van het boek per direct te staken, zulks onder toezending van een afschrift van dit vonnis en onder toezending van een kopie van deze brief aan de advocaat van [eiser] , en verbiedt [gedaagde 1] en de uitgever tevens om de inhoud van het boek op andere wijze kenbaar te maken, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 10.000,-;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en de uitgever om de bij derden nog aanwezige voorraden van het boek dan wel aan derden geleverde exemplaren van het boek, voor zover die nog eigendom zijn van [gedaagde 1] en/of de uitgever, terug te halen en om die voorraden en de bij [gedaagde 1] en de uitgever zelf aanwezige voorraden van het boek voor eigen rekening te vernietigen of te doen vernietigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag, met een maximum van € 2.000,-;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en de uitgever om de promotie van het boek, op welke wijze dan ook, en via welk medium dan ook, waaronder, doch niet beperkt tot Facebook en de website [X] .nl, te staken en gestaakt te houden en per direct te verwijderen en verwijderd te houden van internet, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag, met een maximum van € 2.000,-;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis centraal op haar Facebookpagina en op de website [X] .nl, zonder verdere toevoegingen, in een zowel qua formaat als stijl als contrast goed leesbaar lettertype, de volgende tekst op te nemen en deze tekst op voornoemde wijze daar gepubliceerd te houden gedurende een periode van ten minste drie maanden:

“In februari 2018 is een door mij geschreven boek op de markt gebracht, genaamd ‘ [naam boek] ’. In dit boek, dat als een waargebeurd verhaal wordt gepresenteerd, wordt met het personage Brent mijn ex-echtgenoot beschreven en deze wordt beschuldigd van veel misdragingen, zoals geweld en bedreigingen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 3 mei 2018 geoordeeld dat die gedragingen onvoldoende steun vinden in het ter beschikking staande feitenmateriaal zodat de publicatie van het boek onrechtmatig is jegens mijn ex-echtgenoot.”

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 5.000,-;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] en de uitgever hoofdelijk om aan [eiser] te voldoen een bedrag ad € 1.000,-- als voorschot op schadevergoeding;

5.6.

veroordeelt [gedaagde 1] en de uitgever hoofdelijk om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan [eiser] te betalen, tot dusverre aan de zijde van aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.962,39,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 895,-- aan griffierecht en € 87,39 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.7.

bepaalt dat [gedaagde 1] en de uitgever bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2018.

ts