Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5226

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
NL18.5016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, onderzoeksresultaten Bureau Documenten eerst bij voornemen bekend, geen gelegenheid geboden om contra-expertise uit te voeren,

beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.5016


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 maart 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift uitgebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.5017, plaatsgevonden op 11 april 2018.Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Als tolk is verschenen Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Zijn twee eerdere asielaanvragen zijn afgewezen, welke beslissingen in rechte vast staan.

2. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag gedaan. De schriftelijk kennisgeving M35-O dateert van 20 november 2017. Daarbij heeft eiser ter onderbouwing van zijn gestelde herkomst uit Kirkuk onder meer een woonverklaring overgelegd. Op 25 november 2017 heeft verweerder eiser een herstelverzuimbrief gestuurd. Op 7 december 2017 heeft eiser een volledig ingevulde schriftelijk kennisgeving M35-O ingediend. Op 27 november 2017 heeft Bureau Documenten (hierna: BD) in zijn onderzoeksrapport gesteld dat er gelet op het ontbreken van (voldoende) betrouwbaar vergelijkings-/referentiemateriaal voor wat betreft de echtheid van de woonverklaring geen uitspraak kan worden gedaan. Verweerder heeft eiser eerst bij zijn voornemen van 8 maart 2018 deelgenoot gemaakt van deze uitkomst. In de zienswijze van 9 maart 2018 heeft eiser gevraagd om in de gelegenheid te worden gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Nu de authenticiteit van de woonverklaring niet kan worden onderzocht stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet kan worden aangemerkt als een nieuw element of bevinding. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het de verantwoordelijkheid van eiser om de authenticiteit van documenten aan te tonen. Hoewel de onderzoeksresultaten van BD van 27 november 2017 pas bij het voornemen van 8 maart 2018 aan eiser bekend zijn gemaakt, doet dat niet af aan deze verantwoordelijkheid.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij eerst op 8 maart 2018 is geconfronteerd met de onderzoeksresultaten van BD van 27 november 2017 en daardoor niet de gelegenheid heeft gehad om een contra-expertise te starten naar de authenticiteit van de overgelegde woonverklaring. Hierdoor is hij in zijn belangen geschaad.

5. Verweerder heeft op 10 april 2018 ter voorbereiding op de zitting van 11 april 2018 en in reactie op de gronden van beroep twee dossierstukken opgestuurd uit de tweede asielprocedure van eiser, die niet in het toegezonden procesdossier waren opgenomen. Het betreft een voornemen van 30 mei 2012 en een besluit van 23 juli 2012. Verweerder heeft daarbij verwezen naar pagina 4 en 5 van het voornemen waarin een subsidiair standpunt is ingenomen. In dit subsidiaire standpunt is er vanuit gegaan dat eiser wel van 2003 tot 2008 in Kirkuk zou hebben verbleven. Gelet hierop kan de door eiser overgelegde woonverklaring niet tot een ander oordeel leiden dan reeds in de eerdere procedure is ingenomen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. De rechtbank acht het aanvullen van het bestreden besluit één dag voor de zitting en het geven van een nadere toelichting op de zitting in strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat de brief van verweerder van 10 april 2018 met de daarbij gevoegde stukken daarom buiten beschouwing.

7. De rechtbank is verder van oordeel dat het bij een opvolgende aanvraag op de weg van eiser ligt om met nieuwe elementen en bevindingen te komen. Volgens vaste rechtspraak is het aan de vreemdeling om zijn identiteit aannemelijk te maken, alsmede de authenticiteit van de in dat verband overgelegde documenten. Ook is het vaste rechtspraak dat verweerder zijn oordeel over de authenticiteit van documenten mag baseren op het deskundigenoordeel van BD. De vreemdeling dient dan naar het oordeel van de rechtbank op zijn of haar beurt een reële gelegenheid te krijgen om dat deskundigenoordeel te weerleggen met deskundig tegenbewijs, voordat op de aanvraag wordt beslist. Dat geldt niet alleen voor het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel, maar ook voor het regelen van de financiering. De handelwijze van verweerder in dit geval is daarmee in strijd. Eiser heeft geen gelegenheid gehad om een contra-expertise te starten.

8. Gelet hierop is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank ziet gelet op het daarbij benodigde onderzoek geen basis voor verdere geschillenbeslechting.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.002,-, te betalen aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.