Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5221

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
NL18.5984
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL18.5984

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2018 (bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2018. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig S.W. Mabhi, tolk. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Egyptische nationaliteit, heeft verklaard Egypte in 2014 te hebben verlaten. Eiser heeft verklaard dat hij op 29 mei 2017 in Italië is aangekomen, waar hij na het geven van vingerafdrukken weg moest gaan. In oktober 2017 heeft hij in Luxemburg asiel aangevraagd, waarop negatief is beslist. Op

3 februari 2018 heeft eiser in Nederland gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Italië heeft op het verzoek van 20 februari 2018 om eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening (aanvraag in behandeling) terug te nemen niet tijdig gereageerd. Het claimverzoek vermeldt dat eiser de grens met Italië illegaal heeft overschreden op 28 mei 2017, dat eiser zelf zegt dat hij daar geen asiel heeft aangevraagd en dat hij op 9 oktober 2017 asiel heeft aangevraagd in Luxemburg.

3. Bij het bestreden besluit is de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië daarvoor per 21 maart 2018 verantwoordelijk voor behandeling daarvan wordt geacht.

4. Eiser heeft daartegen samengevat het volgende aangevoerd:

- Eiser heeft in Italië nooit de benodigde opvang en medische verzorgen (wegens hepatitis C) gekregen.

- Eiser heeft in Italië nooit asiel gevraagd, zodat daar geen asielaanvraag in behandeling kan zijn en het claimakkoord dus gebaseerd is op een verkeerde grondslag. Dat blijkt ook uit het Eurodac resultaat in het dossier (‘IT2’). Verweerder had eiser bij Italië moeten claimen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening.

- Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening is Luxemburg verantwoordelijk voor behandeling van eisers asielaanvraag, nu dat de lidstaat is waar hij voor de eerste maal een asielaanvraag heeft ingediend. Verwezen wordt naar 6.4 van de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 29 augustus 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:9778).

- Indien voorgaande gronden niet slagen, dan geldt dat verweerder moet onderzoeken of Italië daadwerkelijk bereid is de asielaanvraag van eiser over te nemen nu het akkoord op een onjuist artikel is gebaseerd, de Italiaanse autoriteiten onjuist zijn geïnformeerd en Italië het verzoek niet expliciet heeft geaccepteerd.

5. De rechtbank stelt voorop dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat eiser in Italië asiel heeft aangevraagd. Dat betekent dat eiser terecht aanvoert dat het claimakkoord op een onjuiste grondslag is gebaseerd.

6. Eisers stelling in de pleitnota dat verweerder het claimverzoek had moeten baseren op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening, is juist. De hoofdregel in de Dublinverordening komt erop neer dat het land waar de vreemdeling het eerst het Dublingebied binnenkomt, verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Nu niet in geschil is dat eiser het Dublingebied op illegale wijze via Italië is binnengekomen, is Italië op grond van artikel 13 van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag (illegale grensoverschrijding).

7. De rechtbank concludeert dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit maar ziet aanleiding dit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu niet aannemelijk is dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

8. Voor zover eiser tevens stelt dat Luxemburg op grond van artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is nu eiser daar voor het eerst een asielaanvraag heeft gedaan, is dat niet juist. Uit artikel 7, eerste en tweede lid van de Dublinverordening volgt dat de volgorde waarin de criteria om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is in hoofdstuk III voorkomen, bepalend is. In het tweede lid wordt bepaald dat de verantwoordelijkheid wordt bepaald op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker het asielverzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient. Dat betekent, anders dan eiser stelt, niet dat de lidstaat waar voor het eerst een asielaanvraag wordt ingediend, de verantwoordelijke lidstaat is.

9. Anders dan eiser stelt is er geen aanleiding bij Italië te informeren of er bereidheid bestaat de asielaanvraag te behandelen nu sprake is van een fictief akkoord. De voor Italië relevante informatie over illegale grensoverschrijding met Italië en de asielaanvraag in Luxemburg is in het terugnameverzoek vermeld, zodat er geen aanleiding is aan te nemen dat Italië onjuist is geïnformeerd.

10. Geconcludeerd wordt dat het beroep ongegrond is. Wel zal de rechtbank verweerder (op na te melden wijze en conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 31 maart 2017, 201701582/1/V2 en 201701582/2/V2, ECLI:NL:RVS:2017:889) veroordelen in de proceskosten omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.