Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:52

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
NL17.7841
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nepalese nationaliteit, gedwongen rekrutering ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7841


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis).


Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Nepalese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft verklaard [eiser] te heten, afkomstig te zijn uit [plaats] te Nepal, hindoe van geloof te zijn en te behoren tot de Chhetri kaste. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door een beweging dat tegen de Nepalese grondwet is, Madhesi Morcha, is gedwongen deel te nemen aan activiteiten voor deze beweging, zoals stakingen en het uitdelen van pamfletten. Toen eiser na verloop van tijd weigerde bij de bijeenkomsten van deze beweging aanwezig te zijn, werd hij gedwongen deze partij financieel te blijven ondersteunen. Eiser heeft dit geweigerd en heeft bij de politie aangifte gedaan van afpersing en daarbij de namen doorgegeven van de twee mannen die eiser hebben benaderd, [persoon 1] en [persoon 2]. Deze mannen zijn vervolgens opgepakt door de politie maar kort daarna weer vrijgelaten. Eiser is kort na de vrijlating van de twee mannen ontvoerd. De ontvoerders namen eiser mee naar een olifantenwachttoren met het doel om eiser te doden. Met een list en een sprong van de olifantenwachttoren wist eiser echter te ontsnappen aan zijn ontvoerders. Eiser is vervolgens bij zijn zus ondergedoken en heeft wederom aangifte bij de politie gedaan, nu van ontvoering. Omdat de politie had aangegeven dat eiser zichzelf moet beschermen en eiser van zijn vader had vernomen dat onbekende personen van Madhesi Morcha naar hem op zoek waren en zijn zoon en vrouw hebben bedreigd, heeft eiser besloten zijn land te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser door Madhesi Morcha aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling te worden onderworpen.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- de rekrutering en daaruit voortgevloeide problemen met de beweging Madhesi Morcha.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder hecht echter geen geloof aan de verklaringen van eiser over zijn gedwongen rekrutering door de beweging Madhesi Morcha en de daaruit voortgekomen problemen, omdat eiser naar het oordeel van verweerder hierover vaag, wisselend en in strijd met hetgeen uit openbare bronnen over de situatie in Nepal naar voren komt, heeft verklaard.

3. Eiser stelt zich op het standpunt, kort samengevat, dat hij wel degelijk consistente en geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. De door verweerder geconstateerde vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen vallen allemaal onder de categorie spijkers op laag water zoeken. Volgens eiser dient hem het voordeel van de twijfel te worden gegund. Eiser verwijst in dit kader naar artikel 4 en artikel 5 van de Richtlijn 2011/95/EU, de kwalificatierichtlijn.

4. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1.

Ingevolge artikel 29 van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

5.2.

Volgens paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000)

beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de relevante elementen. Relevante elementen zijn feiten en omstandigheden die in de volgende twee categorieën worden onderscheiden: a) de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling; en

b) de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gebeurtenissen.

5.3.

Verder blijkt uit paragraaf C1/4.4.1 van de Vc 2000 dat als de IND een relevant element niet als geloofwaardig beoordeelt, de vreemdeling op basis van dit element geen aanspraak kan maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Vw. Uit paragraaf C1/4.4.2 van de Vc 2000 blijkt voorts dat er een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt. Hierbij worden alle relevante omstandigheden van het geval betrokken en in onderlinge samenhang gewogen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel, enigszins terughoudend toetsend, dat verweerder het asielrelaas van eiser in redelijkheid vanwege bevreemdingwekkende, vage, summier inconsistente verklaringen op essentiële onderdelen ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser verklaringen heeft afgelegd die niet rijmen met informatie die over Nepal uit openbare bronnen naar voren komt. Zo is de verklaring van eiser dat de politie hem geen bescherming kan bieden vreemd, omdat uit algemene informatie blijkt dat de politie in Nepal juist hard optreedt tegen de Madhesi Morcha. Verder is de verklaring van eiser dat de Madhesi de grootste bevolkingsgroep is in Nepal in strijd met hetgeen uit het Algemeen ambtsbericht Nepal van 5 maart 2012 naar voren komt. Dat eiser voor deze tegenstrijdigheid in de zienswijze met een verklaring komt, heeft verweerder als te laat kunnen aanmerken.

Voorts heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat eiser niet concreet weet te vertellen wat hij bedoelt met de beweging Madhesi Morcha. Verweerder mag van eiser in redelijkheid verwachten dat hij gedetailleerd en consistent kan vertellen over de beweging die hem gedwongen zou hebben gerekruteerd, afgeperst, ontvoerd en hem zou hebben geprobeerd te doden, zoals hij stelt. Eiser kan echter niet vertellen waar Madhesi Morcha nu precies voor staat, hoe groot de beweging is en wie de leiders zijn. Ook weet eiser niet te vertellen wie de leden zijn van deze beweging, tot welke kasten ze behoren of wanneer de beweging is opgericht. Het vorenstaande klemt temeer nu eiser heeft verklaard gedwongen te zijn deel te nemen aan meerdere activiteiten van de beweging, zoals stakingen en het uitdelen van pamfletten, en eiser tijdens een bijeenkomst zo’n twintig a dertig minuten lang is verteld over de beweging Madhesi Morcha. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook de verklaringen over de ontsnapping van eiser aan kunnen merken als ongeloofwaardig. Niet valt in te zien dat eiser zo makkelijk heeft kunnen ontsnappen aan zijn ontvoerders en van zo’n hoge toren heeft kunnen springen zonder daaraan noemenswaardig letsel over te houden.

7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt in aanmerking te komen voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.