Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5146

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3751
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen omgevingsvergunning bouwplan oprichting OCC en verbouwing van bestaande parkeergarages op de locatie. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3751

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2018 in de zaak tussen

[Stichting X] , [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] ,

[persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 11] ,

[persoon 12] en [persoon 13] ( [Werkgroep] ), [persoon 14] , [persoon 15] ,

[persoon 16] , [persoon 17] , [persoon 18] , [persoon 19] , [persoon 20] , [persoon 21] ,

[persoon 22] en [persoon 23] , te [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [plaats 1] , vergunninghoudster (gemachtigde: mr. A.M.M. Ferwerda).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een onderwijs- en cultuurcomplex (het OCC) en het verbouwen van de bestaande parkeergarages op de percelen, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie [sectie] , nr. [nummers] , plaatselijk bekend [plek] te [plaats 1] .

Bij besluit van 20 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar van eisers, voor zover ingediend namens [persoon 13] , [persoon 12] en de [Werkgroep] , niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar van eisers, voor zover ontvankelijk, gegrond verklaard in die zin dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift wordt toegevoegd en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft het verzoek van eisers om vergoeding van de kosten van deskundige rechtsbijstand op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Van eisers is verschenen [persoon 12] , bijgestaan door gemachtigde voornoemd en vergezeld door

[persoon 24] en [persoon 25] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door

[persoon 26] en [persoon 27] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [persoon 28] en [persoon 29] .

Overwegingen

1. Ter zitting is het beroep, voor zover dat is ingesteld door eisers [Werkgroep] , [persoon 12] en [persoon 13] ingetrokken. Wanneer de rechtbank hierna spreekt over “eisers”, wordt daarmee bedoeld de eisers die hun beroep hebben gehandhaafd.

2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van het OCC aan de [plek] . Tevens wordt voorzien in de verbouwing van de bestaande parkeergarages op die locatie. De omgevingsvergunning bevat toestemming voor activiteiten, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en c, van de

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eisers hebben het bestreden besluit gemotiveerd bestreden.

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Ingevolge deze bepaling wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.1

Zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is overwogen in haar uitspraak van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:737) moet, wil er sprake zijn van belanghebbendheid, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden vanwege de toegestane activiteiten. In haar uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271) heeft de Afdeling een nadere invulling van het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gegeven en daartoe onder meer overwogen dat uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit (zoals een bestemmingsplan of een vergunning) toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.

3.2

[persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 11] , [persoon 14] , [persoon 15] , [persoon 16] , [persoon 17] , [persoon 18] , [persoon 19] , [persoon 20] , [persoon 21] , [persoon 22] en

[persoon 23] wonen tot een afstand van ongeveer 210 meter van het bouwplan. Zij zijn naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken, omdat het bouwplan en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor het verkeer en parkeren een verslechtering van hun woon- en leefklimaat kunnen meebrengen.

3.3

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1869).

3.4

De [Stichting X] (de stichting) stelt zich blijkens haar statuten ten doel het behoud, de versterking en de reconstructie van het gewaardeerd stadsgezicht in het algemeen en dat van de stad Den Haag in het bijzonder, alsmede van de fysieke en sociale stedelijke omgeving, het behartigen van de belangen, veiligheid en gezondheid van haar inwoners, omwonenden en andere belanghebbenden ter bescherming van waarden van stadsgezicht, groen, stedenbouw, woon- en werkklimaat, de goede stedenbouwkundige, architectonische en ruimtelijke inrichting van de stad en het bewaken van een zorgvuldig en transparant besluitvormingstraject op deze terreinen.

3.5

Gelet op haar statutaire doel en feitelijke werkzaamheden, waaronder het voeren van overleg met bestuursorganen en organisaties en het inspreken tijdens raads- en commissievergaderingen, kan ook de stichting naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge het vijfde lid kan de bestuursrechter het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

5. Het is de rechtbank gebleken dat vergunninghoudster op 8 november 2017 een aanvraag heeft ingediend voor een gewijzigde omgevingsvergunning. De wijzigingen hebben met name betrekking op de indeling van de gevel (vooral in de plintzone) van het OCC en de herverdeling van de verschillende gebruiksfuncties binnen het gebouw. Eisers hebben de rechtbank bij brief van 2 maart 2018 meegedeeld dat verweerder bij besluit van

9 februari 2018 (het wijzigingsbesluit) aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de vergunning van 21 december 2016.

6. Verweerder heeft onder het wijzigingsbesluit de bezwaarclausule vermeld en heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat dit besluit niet aan te merken is als een wijzigingsbesluit, als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Eisers hebben desgevraagd verklaard dat het besluit van 9 februari 2018 wel een artikel 6:19-besluit is. Vergunninghoudster heeft verklaard dat dit besluit in elk geval wijzigingen van ondergeschikte aard betreft.

7. Gelet op het belang van een goede rechtspleging, dat met een voortvarende behandeling van de zaak is gediend, zal de rechtbank het wijzigingsbesluit niet betrekken in de onderhavige procedure. Redengevend hiervoor is dat de rechtbank pas in een laat stadium kennis heeft genomen van (de inhoud van) het besluit van 9 februari 2018. Om dit besluit bij het beroep te kunnen betrekken zou, uit een oogpunt van behoorlijke procesvoering, de procedure moeten worden verlengd om de relevante processtukken in het geding te laten brengen en partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunt over het besluit schriftelijk uiteen te zetten. Partijen hebben ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben wanneer de rechtbank het wijzigingsbesluit in deze procedure buiten beschouwing laat.

Gelet hierop kan het antwoord op de vraag of de aanvraag van 8 november 2017 al dan niet ziet op wijzigingen van ondergeschikte aard ten opzichte van de eerdere aanvraag van

15 juli 2016, en daarmee de vraag of het besluit van 8 februari 2018 is aan te merken als besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, in het midden blijven. Een kwalificatie als 6:19-besluit laat immers onverlet dat het de rechtbank ook dan vrij staat het besluit niet te betrekken in haar beoordeling en het beroep van rechtswege van eisers tegen dat besluit met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Eisers hebben in dat kader ter zitting verklaard nog bezwaar te zullen maken tegen het wijzigingsbesluit, voor het geval dat besluit niet zou zijn aan te merken als een 6:19-besluit.

5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

(..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet een omgevingsvergunning worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - het bouwbesluit (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) of de redelijke eisen van welstand (d). In dat geval wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel de aanvraag om een omgevingsvergunning mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

6. Ter plekke geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan).

Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de voor 'Gemengd - 3' aangewezen gronden bestemd voor onder meer een cultuur- en onderwijscluster, één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, groen, water, parkeervoorzieningen met bijbehorende in- en/of uitritten, expeditie en overige voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.2, lid 5.2.1, aanhef en onder a van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen dat de gebouwen zich moeten bevinden binnen het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak.

Ingevolge artikel 15, onder b, van de planregels (algemene gebruiksregels) moet, indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in de bijlage(n) van de regels ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto's en fietsen alsook voor het laden of lossen van goederen, ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge artikel 16.1, aanhef en onder b van de planregels kan met een omgevingsvergunning , tenzij dit in de regels elders is uitgesloten, worden afgeweken van de regels van het plan ten behoeve van geringe afwijkingen van bestemmingsgrenzen, bouwvlakken en maatvoeringsvlakken tot een maximum van 3 meter.

Ingevolge artikel 16.2, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, van de planregels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels van het plan ten behoeve van parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto's, fietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien

1.op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien;

2.nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de in de bijlage van de regels opgenomen parkeernormen;

7. Vast staat dat het bouwplan grotendeels in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan op enkele ondergeschikte punten het bestemmingsvlak overschrijdt en om die reden in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Daarnaast is –in strijd met het bestemmingsplan– niet voorzien in voldoende ruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto’s en fietsen, in, op of onder dat gebouw, dan wel onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in de bijlage van de regels. Verweerder heeft besloten om, met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 16.1, onder b, van de planregels, artikel 16.2, aanhef en onder c, onder 1 en 2, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, af te wijken van de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de voorwaarden om af te wijken van het bestemmingsplan is voldaan en dat de omgevingsvergunning kon worden verleend.

8. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om in dit geval een omgevingsvergunning te verlenen.

9. Eisers betogen dat de bij de omgevingsvergunning gevoegde tekeningen en bijlagen onderling tegenstrijdig zijn en onduidelijk laten wat er nu feitelijk gebouwd gaat worden. Er zijn drie sets bouwtekeningen: van juli 2016 (indieningsset), december 2016 (welstandsset) en januari 2017 (definitief ontwerp ruwbouw). Zij wijzen hiertoe op de op

19 januari 2017 als ‘Definitief Ontwerp Ruwbouw’ (DO Ruwbouw) aan de Raad gepresenteerde tekeningen. Verder is gebruikelijk dat een aanvraag moet worden aangevuld als er sprake is van een wijziging. Bij dit project mag vergunninghoudster het ontwerp telkens aanpassen.

Eisers betogen verder dat met de vergunde aanvraag van 8 november 2017 voor een gewijzigde omgevingsvergunning vaststaat dat het bouwplan nooit meer conform de eerste aanvraag zal worden gerealiseerd. In dergelijke gevallen is het, naar eisers ter zitting naar voren hebben gebracht, gebruikelijk dat de omgevingsvergunning wordt ingetrokken. Het bestreden besluit komt volgens eisers reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.

9.1

Tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder onweersproken toegelicht dat alle bouwkundige tekeningen die deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning in december 2016 zijn ingediend. Anders dan eisers stellen, is de oorspronkelijke aanvraag dan ook niet gewijzigd of aangevuld vóór 8 november 2017, de datum van de aanvraag voor een gewijzigde omgevingsvergunning. Dat het OCC mogelijk niet gerealiseerd zal worden in overeenstemming met de eerste aanvraag, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de omgevingsvergunning niet in rechte stand kan houden. Het is immers niet uitgesloten dat alsnog uitvoering aan de onderhavige omgevingsvergunning zal worden gegeven. Voorts is verweerder bevoegd om op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in te trekken als geen gebruik is gemaakt van (een deel van) de vergunning gedurende 26 weken, maar is hij hiertoe niet gehouden. De beroepsgronden slagen niet.

10. Eisers voeren aan dat de ruimtes in het OCC ook gebruikt mogen worden voor evenementen, concerten en feesten. Verweerder had de gevolgen van het bouwplan voor de geluidsbelasting rondom hun woningen en die van andere omwonenden van muziek vanuit het OCC moeten onderzoeken.

10.1

De rechtbank volgt eisers hierin niet en overweegt dat het onder 5. weergegeven wettelijk kader met zich brengt dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet alleen mag, maar ook moet worden verleend indien aan alle vereisten hiervoor is voldaan. Door eisers wordt niet betwist dat aan alle vereisten is voldaan, behoudens de onder 7. genoemde overschrijding van het bestemmingsvlak en het voorzien in voldoende parkeerruimte. Het bestemmingsplan voorziet al in de mogelijkheid tot het realiseren van een cultuur- en onderwijscluster. Zoals volgt uit het bepaalde in de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo en zoals de Afdeling meermaals heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:763), kan de omgevingsvergunning bij toepassing van de binnenplanse afwijkingsregeling slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter zitting zich terecht op het standpunt gesteld dat de voornoemde overschrijding van het bestemmingsvlak en het (niet kunnen) voorzien in voldoende parkeerruimte niet tot gevolg heeft dat sprake is van een toename van de geluidsbelasting die niet reeds bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is betrokken. Om die reden hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen onderzoek naar bedoelde geluidsbelasting te doen. Dat sprake zal zijn van een dergelijke toename is overigens ook niet door eisers met objectieve gegevens onderbouwd. Het betoog slaagt niet.

11. Eisers bestrijden dat de aanvraag in overeenstemming is met het
Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Zij verwijzen daarbij onder meer naar aspecten van veiligheid (constructieve veiligheid en brandveiligheid), de gezondheid (de berekeningswijze van de toets van de daglichttoetreding) en de bruikbaarheid (afmetingen verblijfsruimte, buitenruimte, bereikbaarheid en toegankelijkheid).

11.1

Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

11.2

De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus dat zij een beroep doen op bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het Bouwbesluit, dat technische voorschriften bevat uit het oogpunt van de bruikbaarheid van bouwwerken.

Daarnaast beroepen eisers zich op artikel 3.75 van hoofdstuk 3, waarvan de bedoeling is te bereiken dat er uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte (nota van toelichting, blz. 276; Stb. 2011, 273). Deze normen uit het Bouwbesluit waarop eisers een beroep doen, hebben betrekking op de bescherming van de gebruikers van het pand en strekken kennelijk niet tot bescherming van hun belang, te weten het belang van de stichting bij een goede en verantwoorde stedenbouw en architectuur in Den Haag respectievelijk het belang van de overige eisers bij behoud van een goed woon- en leefklimaat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1645, onder 12 en volgende, en haar uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1628, onder 7 en volgende). Dat er eisers zijn die, naar ter zitting is gesteld, tevens het OCC zullen bezoeken maakt dit niet anders. Een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat deze eisers zich niet kunnen beroepen op deze normen van het Bouwbesluit omdat die kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen als omwonenden. Toepassing van het relativiteitsvereiste leidt hier dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden vernietigd op de door eisers aangevoerde beroepsgronden.

11.3

Vorenstaande is niet onverkort van toepassing op de beroepsgronden die betrekking hebben op de constructieve veiligheid en de brandveiligheid (hoofdstuk 2 van het Bouwbesluit). Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de al genoemde uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1645, en de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1796) blijkt dat deze wettelijke normen mede strekken tot bescherming van eigenaren van belendende gebouwen. Niet gebleken is dat de stichting eigenaresse is van een belendend pand. De woningen van de overige eisers staan op geruime afstand van het OCC, zodat dit geen belendende gebouwen betreffen. De veiligheidseisen strekken kennelijk niet ter bescherming van hun belangen als omwonenden. Gelet hierop staat ook hier artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met deze eisen. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.

12. Eisers voeren - kort samengevat - aan dat de door verweerder berekende parkeerbehoefte veel te laag is en dat de parkeermogelijkheden in de directe omgeving beperkter zijn dan verweerder stelt. Ten aanzien van het fietsparkeren hebben eisers aangevoerd dat volgens het beleid bij een tekort een storting in het gemeentelijke fietsenstallingsfonds moet worden gedaan.

12.1

Verweerder heeft de totale parkeerbehoefte van het bouwplan berekend op 455 parkeerplaatsen. Bij het berekenen van de parkeerbehoefte heeft verweerder de bruto vloeroppervlakte naar verschillende (sub)functies, zoals “schouwburg/theater”, “onderwijs”, “horeca”, “bedrijf” en “magazijn” gedifferentieerd. De reden hiervoor is volgens verweerder dat de parkeerbehoeften en -normen van de verschillende functies uiteenlopen en voorkomen moet worden dat er een te hoge parkeerbehoefte wordt berekend. Deze berekeningswijze, waarbij binnen de formele bestemming die in het bestemmingsplan aan een perceel is toegekend, onderscheid naar functies wordt gemaakt, wordt naar verweerder heeft verklaard vaker gehanteerd bij grotere projecten, zoals het Westeinde Ziekenhuis en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

12.2

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de gehanteerde berekeningswijze in strijd is met de Nota Parkeernormen Den Haag 2011 (Nota Parkeernormen) dan wel de CROW-berekeningssystematiek. Naar het oordeel van de rechtbank is de gehanteerde berekeningswijze op dit punt in overeenstemming met de Nota Parkeernormen. Zoals verweerder, in navolging van de Adviescommissie bezwaarschriften, in het bestreden besluit heeft overwogen, vermeldt de Nota Parkeernormen dat voor het berekenen van de parkeerbehoefte benodigdegegevens per functie verschillen en het daarom van groot belang is om zo concreet mogelijk te bepalen om wat voor ontwikkeling het gaat en/of hoe het gebouw gebruikt gaat worden (p. 28). Weliswaar wordt in de CROW-berekeningswijze niet gesproken over een onderverdeling van oppervlakte naar verschillende (sub)functies, maar gezien de bedoeling daarvan - aan de hand van gebruiksfuncties te komen tot een zo precies mogelijke vaststelling van de parkeerbehoefte – valt niet in te zien waarom deze systematiek op gespannen voet staat met de CROW-berekeningswijze.

12.3

De rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij de berekening van de parkeerbehoefte tot onjuiste uitkomsten is gekomen door ten onrechte een functie –met de daarbij behorende parkeernorm - aan een bepaalde ruimte te koppelen. Ter zitting is wel gebleken dat het verweerschrift ten onrechte vermeldt dat het podium onderdeel uitmaakt van de totale oppervlakte met de functie “schouwburg/theater”. Dit leidt echter niet tot een andere uitkomst van de parkeerbehoefte, nu daarbij onweersproken is gesteld dat deze oppervlakte ook niet in aanmerking is genomen bij de berekening met de parkeernorm voor “schouwburg/theater” maar met de parkeernorm die geldt voor de functie “bedrijf”.

12.4

Dit leidt tot het oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat de parkeerbehoefte op 455 plaatsen is te stellen. Dat eisers een parkeerbehoefte hebben berekend van 718 plaatsen kan niet tot een ander oordeel leiden, nu zij bij hun berekening niet zijn uitgegaan van de onderverdeling in (sub)functies met de daarbij behorende uiteenlopende parkeernormen, zoals verweerder heeft gedaan. Ook de verwijzing door eisers naar de (hoge) aantallen gebruikers/bezoekers van het pand die worden genoemd in het Rapport Brandveiligheid en in de MER Beoordelingsnotitie, alsmede naar verweerders uitgangspunt dat 30% daarvan met de auto komt, leidt niet tot het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat de berekende parkeerbehoefte met de werkelijke parkeerbehoefte overeenkomt. Verweerder heeft uiteengezet dat de in deze documenten genoemde aantallen gebruikers/bezoekers verspreid over de dag in het gebouw aanwezig zijn en dat vaak meer personen tegelijk gebruikmaken van een auto.

12.5

In het plan is onder het OCC een garage opgenomen met 275 plaatsen, waarvan 40 plaatsen bestemd zijn voor het huidige [hotel].

In de parkeergarage die onderdeel is van het bouwplan zijn aldus 235 parkeerplaatsen beschikbaar zodat het tekort aan parkeerplaatsen 220 bedraagt.

12.6

Ten aanzien van het standpunt van eisers dat van de 235 parkeerplaatsen in de garage onder het OCC 75 parkeerplaatsen niet beschikbaar zijn voor dubbelgebruik, omdat deze zijn geoormerkt voor het conservatorium heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat dubbelgebruik overal geldt behalve ten aanzien van de 40 plaatsen die bestemd zijn voor [hotel]. Dat betekent dat de rechtbank met verweerder zal uitgaan van 235 beschikbare plaatsen als onderdeel van het bouwplan.

12.7

Verweerder heeft aanleiding gezien voor de resterende 220 parkeerplaatsen afwijking toe te staan van de eis dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte moet worden voorzien. Daarbij heeft verweerder gewezen op het gemeentelijk parkeerbeleid, waarin wordt uitgegaan van een zo optimaal mogelijk gebruik van de beschikbare parkeervoorzieningen in de stad. In dat kader wordt dubbelgebruik van plaatsen in garages aangemoedigd om inefficiënt gebruik te voorkomen. Voor de piekmomenten van het bezoek kan volgens verweerder voor het tekort aan parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van de omliggende garages. In de omgeving van het OCC zijn er ongeveer 3.600 parkeerplaatsen aanwezig. Op basis van de indicatieve bezettingsgegevens van de parkeerexploitanten en tellingen is bekend dat het gebruik daarvan op de piekmomenten voor het parkeren van het OCC, grofweg tussen 2.000 en 2.300 plaatsen bedraagt.

12.8

Verweerder is wat betreft de beschikbare parkeercapaciteit in de directe omgeving van het OCC uitgegaan van cijfers uit de periode 2013-2015, waaruit blijkt dat de bezettingsgraad van de parkeergarages [parkeergarage 1], [parkeergarage 2], [parkeergarage 3] en [parkeergarage 4] onder de 20% bleef. Eisers hebben aangevoerd dat volgens de wijziging/aanvulling van de Nota Parkeernormen van maart 2016 het gebruik van cijfers die ouder zijn dan twee jaar nader gemotiveerd dient te worden. Volgens de gewijzigde Nota Parkeernormen kan van gegevens ouder dan twee jaar gebruik worden gemaakt. Een nadere motivering wordt gevergd wanneer daar aanleiding voor is, bijvoorbeeld wanneer belanghebbenden stellen dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Evenals verweerder ziet de rechtbank geen reden waarom verweerder niet van deze cijfers uit mocht gaan. Zoals de Adviescommissie bezwaarschriften heeft overwogen, is niet gebleken van ontwikkelingen waardoor de bezettingsgraad inmiddels aanmerkelijk is gestegen. Ook overigens ziet de rechtbank geen omstandigheden op grond waarvan verweerder volgens de gewijzigde Nota Parkeernormen gehouden was een nadere motivering voor het gebruik van bedoelde cijfers te geven. Dat een nadere specificatie ontbreekt van de gegevens van de exploitant van de parkeergarages over de bezettingsgraad maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder deze gegevens niet kon gebruiken. Eisers hebben niets aangevoerd waaruit blijkt dat zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de genoemde bezettingsgraad.

12.9

Eisers hebben aangevoerd dat de aanwezige parkeermogelijkheden in de directe omgeving al in het aangrenzende bestemmingsplangebied “[bestemmingsplangebied]” zijn toegerekend aan de kantoren en woningen in dat plangebied. Verweerder heeft toegelicht dat fase 1 van dit plangebied ontwikkeld is en dat er geen signalen zijn dat er een tekort aan parkeerplaatsen is. De parkeerbehoefte is indertijd gebaseerd op de toenmalige parkeernormen. Inmiddels zijn de normen op basis van het feitelijke autobezit substantieel lager. Gelet op verweerders toelichting, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat gebruik gemaakt kan worden van nog beschikbare parkeercapaciteit in omliggende parkeergarages.

12.10

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat aannemelijk is dat kan worden voorzien in de parkeerbehoefte door de voorziene parkeergarage onder het OCC en door gebruikmaking van parkeergarages in de directe omgeving daarvan.

13. Dat de aanvrager op grond van het bestemmingsplan moet zorgen voor 2.540 fietsstallingsplaatsen ten behoeve van het OCC hebben eisers niet betwist. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat het bouwplan voor het OCC een fietsenstalling omvat met 1.500 plaatsen, die ook gerealiseerd zullen worden. Tijdens de behandeling ter zitting is door gemachtigde van verweerder nog eens toegelicht dat de resterende 1.040 stallingsplaatsen in bestaande openbare stallingen in de directe omgeving kunnen worden gevonden, met uitzondering van de stallingen op [plaats 2] en [plaats 3], gelet op de afstand hiervan van ongeveer 300 meter tot het OCC. Het betreft een capaciteit van in totaal 2.150 plaatsen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat het niet vaak zal voorkomen dat 1.040 plaatsen tegelijk nodig zijn en dat in hoge mate dubbelgebruik van stallingsplaatsen mogelijk is. Dit hebben eisers niet weersproken, zodat niet valt in te zien waarom verweerder hiervoor geen afwijking mocht toestaan van de eis in de Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016 (Beleidsregels), dat in de benodigde stallingsruimte op eigen terrein wordt voorzien. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder in dit geval heeft mogen afwijken van de in de Beleidsregels opgenomen eis van storting in het parkeerfonds indien de benodigde stallingsplaatsen niet op eigen terrein worden voorzien, omdat er ten behoeve van het OCC, buiten de nieuw te bouwen stalling en het gebruik van de bestaande stallingen, géén extra stallingscapaciteit hoeft te worden gerealiseerd. De beroepsgronden slagen niet.

14. Eisers betogen dat het nader welstandsoverleg nog niet is afgerond en de goedkeuring van de Welstands- en Monumentencommissie (welstandscommissie) dus nog niet is verkregen, terwijl dit voorwaarden zijn voor vergunningverlening.

14.1

Ingevolge artikel 2.5 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet:

a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;

d. opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking.

Ingevolge artikel 2.7, derde lid, van de Mor kan, indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de artikelen 2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met h, en tweede tot en met zesde lid, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd.

14.2

De rechtbank stelt vast dat de welstandscommissie op 5 oktober, op 2 november en op 14 december 2016 heeft beoordeeld of het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12a, eerste lid onder a, van de Woningwet en op laatstgenoemde datum positief heeft geadviseerd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies op inhoudelijk vlak gebrekkig is en dat verweerder dat advies daarom niet aan zijn welstandsoordeel ten grondslag heeft kunnen leggen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat sommige onderdelen van het bouwplan nog nader moeten worden beoordeeld door de welstandscommissie, voordat vergunninghoudster kan starten met de desbetreffende bouwwerkzaamheden.

14.3

Zoals vermeld in 14.1 geeft de Mor verweerder de bevoegdheid om in de omgevingsvergunning te bepalen dat gegevens en bescheiden op het gebied van de welstand uiterlijk drie weken voor de start van de bouw mogen worden aangeleverd. In de omgevingsvergunning zijn daarnaast diverse voorwaarden opgenomen die voortkomen uit het advies van de welstandscommissie. In het kader van de beslissing op bezwaar is nog een extra voorwaarde aan de vergunning verbonden. De voorwaarden hebben betrekking op de materialisering en definitieve detaillering van de gevels. Aan deze voorwaarden dient tijdig, dat wil zeggen binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling te worden voldaan. In wat eisers in beroep hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze werkwijze de toets in rechte niet doorstaat.

15. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat er geen gebruiksvergunning kan worden afgegeven, omdat de horecaruimten geen geluiddempende waarde hebben. Het gaat hier echter om een omgevingsvergunning en niet om een exploitatievergunning, zodat dit betoog naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom moet falen.

16. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder in zoverre het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd en in redelijkheid de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo heeft kunnen verlenen.

17. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de door hen in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand.

17.1

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

17.2

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder een van de bezwaren gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en aan de omgevingsvergunning alsnog een voorschrift over de materiaalkeuze voor de plint heeft toegevoegd. Daarmee heeft hij het primaire besluit gedeeltelijk gewijzigd en herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een herroeping van het primaire besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, nu uit het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegen advies van de Adviescommissie bezwaarschriften naar voren komt dat een opmerking uit het advies van de welstandscommissie die ook als voorbehoud moest worden opgevat, ten onrechte niet als voorschrift is verwerkt in de omgevingsvergunning. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de kosten te vergoeden die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken. Op dit onderdeel kan het bestreden besluit dan ook niet in stand blijven.

17.3

De rechtbank ziet aanleiding om op dit onderdeel zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder de door eisers in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand vergoedt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.002,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

18. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit, voor zover daarbij het verzoek van eisers om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is afgewezen, zal worden vernietigd.

19. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het verzoek van eisers om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is afgewezen;

- bepaalt dat verweerder de door eisers gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoedt ten bedrage van € 1.002,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 1.002,-;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, en mr. A.L. Frenkel en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. Weel, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 26 april 2018.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.