Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5071

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
C/09/546171 / JE RK 18-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ots en muhp tb 2

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/546171 / JE RK 18-80

Datum uitspraak: 10 april 2018

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 6 april 2018 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Gelderland (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2016,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2017,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd,

advocaat: mr. M.L. van Leer, te Amsterdam.

Het procesverloop

Bij beschikking van 23 januari 2018 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de minderjarigen onder toezicht gesteld van 24 januari 2018 tot 12 april 2018 en voor dezelfde periode een machtiging verleend om de minderjarigen uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. van 23 januari 2018;

- een brief van de Raad d.d. 5 april 2018 met bijlagen waaronder een raadsrapport d.d.

4 april 2018 en het nadere verzoekschrift d.d. 5 april 2018;

- het verweerschrift van de zijde van de moeder d.d. 9 april 2018;

- een bepaling jeugdhulp d.d. 5 april 2018 betreffende [minderjarige 2] , ter zitting overgelegd;

- een brief d.d. 10 april 2018 van de Raad met als bijlagen bepalingen jeugdhulp d.d. 5 april

2018 betreffende beide kinderen, na de zitting ontvangen.

Op 10 april 2018 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- de heer [A] namens de Raad;

- mevrouw [B] , namens Stichting Jeugdbescherming Gelderland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling)

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. E.T. Panneflek, namens mr. Van Leer.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt, na mondelinge wijziging hiervan, tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van een jaar, maar om te beginnen voor zes maanden met aanhouding van het verzoek voor het overige, en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. De minderjarigen hebben vermoedelijk tijd doorgebracht in IS-gebied en zijn daar waarschijnlijk blootgesteld aan oorlogsgeweld. Tot dusver zijn er nog geen signalen van een eventueel opgelopen trauma, maar dit is moeilijk vast te stellen bij zulke jonge kinderen. Inmiddels verblijft [minderjarige 1] bij de grootouders moederszijde en [minderjarige 2] bij de moeder in detentie. Beide minderjarigen zijn goed gehecht en zowel de moeder als de grootouders hebben voldoende pedagogische vaardigheden om de minderjarigen te bieden wat zij op dit moment nodig hebben. Desondanks is het zorgelijk dat de moeder in detentie verblijft, de vader niet in Nederland is en dat het onduidelijk is of de ouders en de grootouders met de ideeën van IS sympathiseren. Mocht de moeder veroordeeld worden, dan dient er opnieuw gekeken te worden naar de leefomgeving van de minderjarigen en of deze schade oplevert voor hun ontwikkeling. Er is een zeer ingewikkelde combinatie van problemen waar nog duidelijkheid over verkregen moet worden. Hulpverlening is nodig om alles in goede banen te leiden en om de betrokkenen te ondersteunen in hoe zij hiermee om dienen te gaan. Over zes maanden moet er een toetsmoment ingelast worden om samen met de moeder, de grootouders en de gecertificeerde instelling te bezien wat de situatie dan is en om tot een vervolgadvies te komen. Over de echtheid van de trouwakte, het identiteitsbewijs van [minderjarige 1] en de geboorteakte van [minderjarige 2] is nog geen duidelijkheid verkregen. Het OM kan hier nog geen uitsluitsel over geven, omdat ingeschat wordt dat navraag hierover risico’s met zich brengt voor het gezin.

De gecertificeerde instelling heeft hierop aangevuld dat vier van de vijf onderzoeksvragen nog steeds niet beantwoord zijn. Het is belangrijk om nu termijngericht aan de slag te gaan om zo de concrete doelen te behalen. De situatie in het gezinssysteem is nu heel onduidelijk, waardoor een ondertoezichtstelling op dit moment een meerwaarde heeft. De gecertificeerde instelling is het met de Raad eens dat er een officieel toetsmoment ingelast moet worden omdat er nu nog te veel onduidelijk is. De gecertificeerde instelling is door de politie benaderd en kan de geboorteakte van [minderjarige 2] overhandigd krijgen.

Mr. Panneflek heeft, namens de moeder, het volgende aangevoerd. De moeder is positief over de samenwerking met het netwerkpleeggezin en voert geen verweer tegen het verzoek van de Raad. Namens de moeder zijn nadere stukken overgelegd aan het OM over de geboorteakte van [minderjarige 1] en de vermoedelijke bevallingsdatum van [minderjarige 2] .

De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige 1] bij de grootouders en dat de samenwerking met de Raad en de gecertificeerde instelling goed verloopt. Mocht de moeder op de aanstaande strafzitting niet geschorst worden uit de voorlopige hechtenis, dan kan [minderjarige 2] , vanaf het moment dat hij te groot wordt voor verblijf bij de moeder in detentie, ook naar de grootouders. Wat betreft de echtheid van de documenten heeft de moeder aangegeven dat [minderjarige 1] met zijn identiteitskaart en paspoort heeft kunnen reizen. Als deze documenten vals waren geweest, was dit opgemerkt op de luchthaven van Turkije. [minderjarige 1] heeft aan de hand van zijn geboorteakte reisdocumenten gekregen en de trouwakte is gelegaliseerd en vertaald.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarigen bestaan uit het hierna volgende. De moeder van de kinderen verblijft momenteel in detentie en de vader in het buitenland. De moeder kan op dit moment wegens haar detentie niet voor [minderjarige 1] zorgen en zal op enig moment ook [minderjarige 2] niet meer bij haar in detentie kunnen laten verblijven. Er is bovendien nog veel onduidelijkheid over het verleden van het gezin. Het is niet duidelijk of de kinderen in IS-gebied hebben verbleven en in hoeverre zij hiervan op termijn schade hebben ondervonden. Er moet nog onderzoek worden gedaan naar de achtergrond van de moeder en naar de vraag of zij en de grootouders met IS sympathiseren en wat voor invloed dit heeft op de opvoeding van de minderjarigen. De kinderrechter gaat dan ook mee met het verzoek van de Raad om over zes maanden een toetsmoment in te lassen, zodat er in te tussentijd meer duidelijkheid kan komen en hier een vervolgbeslissing op gebaseerd kan worden. Vooralsnog dienen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders te worden gecontinueerd.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt de minderjarigen van 10 april 2018 tot 10 oktober 2018 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Gelderland;

en

machtigt Stichting Jeugdbescherming Gelderland om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten netwerkpleegzorg in het gezin van de grootouders moederszijde, van 10 april 2018 tot 10 oktober 2018, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen terechtzitting gelegen vóór 10 oktober 2018 bij voorkeur bij mr. Van Wezel;

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voor die nader te bepalen terechtzitting een schriftelijke update over de situatie van de minderjarigen en de moeder aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te zenden;

gelast de griffier tegen de nieuwe zitting op te roepen:

- de Raad;

- de gecertificeerde instelling;

- de moeder en haar advocaat mr. Van Leer.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M. Nijhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.