Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5060

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
SGR 17/4175
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Datum functietoewijzing reservist. Afwijzing schadevordering inkomstenderving gemiste carrièrekansen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/4175 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.E.P. van Zandbergen),

en

de Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. A.J. Verdonk ).

Procesverloop

Bij besluiten van 16 januari 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder de vorderingen van eiser om schadevergoeding afgewezen, respectievelijk het verzoek om uitstel van het functioneel leeftijdsontslag en de door eiser gevraagde werk- en inkomensgarantie afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is vanaf 2000 als reservist aangesteld bij het reservepersoneel van de Koninklijke Luchtmacht.

Bij Koninklijk Besluit (KB) van 20 juni 2006 is eiser eervol ontslag verleend als reserve officier.

Bij besluit van 15 juli 2008 is eiser geen aanstelling bij [bataljon] (hierna: [bataljon]) aangeboden. Zijn sollicitatie is door verweerder niet in behandeling genomen. Het door eiser hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser volgens verweerder na het KB niet meer de hoedanigheid van ambtenaar had.

Het besluit van 1 december 2008 is bij uitspraak van 22 juli 2009 vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geloofwaardig ontkend dat hij het (niet-aangetekende) KB waarbij hij is ontslagen als reservist heeft ontvangen en heeft verweerder het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze in rechte vast staat. Het KB heeft door gebreken bij de bekendmaking derhalve geen rechtskracht gekregen.

Op 6 oktober 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden met eiser voor de functie ‘[functie]’ waaraan (destijds) de rang van kapitein was verbonden (hierna: de functie). Er heeft geen functietoewijzing plaatsgevonden.

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 oktober 2010. Het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 23 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6816) gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 4 maart 2010 vernietigd, omdat verweerder eiser er op had moeten wijzen dat de bij de functie behorende rang na het gesprek op 6 oktober 2009 was verhoogd naar de rang van majoor. De CRvB heeft daarbij bepaald dat verweerder deze functie alsnog aan eiser diende aan te bieden om vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Naar aanleiding van een gesprek op 22 maart 2012 heeft verweerder laten weten voornemens te zijn eiser de betreffende functie aan te bieden per 1 april 2012. Dit voornemen is tenuitvoergelegd in de beslissing op bezwaar van 18 oktober 2012 en daarbij is het besluit van 15 juli 2008 door verweerder herroepen.

Op 13 november 2012 is eiser de functie toegewezen per 1 april 2012.

Eiser heeft tegen het besluit van 18 oktober 2012 beroep ingesteld voor wat betreft de ingangsdatum van de functietoewijzing en de daaraan verbonden rang. Dit beroep is bij uitspraak van 18 februari 2015 ongegrond verklaard. De CRvB heeft deze uitspraak bevestigd bij uitspraak van 25 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3255).

Eiser heeft bij brief van 24 januari 2014 van verweerder schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 194.262,-- (hierna: schadevordering).

In een gesprek op 26 oktober 2016 heeft eiser verweerder verzocht om een schikkingsvoorstel te aanvaarden. Eiser is bereid af te zien van schadevorderingen indien hem op 1 augustus 2019 geen functioneel leeftijdsontslag zal worden opgelegd en hem een werk- en inkomensgarantie wordt gegeven tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Bij brief van 31 oktober 2016 heeft eiser zijn schadevordering nader onderbouwd, daarbij uitkomend op een bedrag van € 300.000,--.

Bij besluiten van 16 januari 2017 heeft verweerder de schadevordering en het verzoek om uitstel van het functioneel leeftijdsontslag en de door eiser gevraagde werk- en inkomensgarantie afgewezen.

Tegen de besluiten van 16 januari 2017 heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

2 Het beroep richt zich, zoals eiser desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, alleen tegen het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij de afwijzing van de schadevordering heeft gehandhaafd.

3 Eiser stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat, indien het initiële functietoewijzingsproces rechtmatig was verlopen, hem reeds in 2008 de functie met de rang van (minimaal) majoor zou zijn toegekend en hij vervolgens op enig moment vanaf 2014 een functie had kunnen vervullen waaraan de rang van luitenant-kolonel was verbonden. Eiser stelt daarom schade te hebben geleden in de vorm van inkomstenderving, alsmede reputatieschade. Eiser heeft voorts betoogd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en dat een mandaatbesluit ontbreekt. Het lijkt erop dat zowel in de primaire fase als in de fase van bezwaar sprake is geweest van dezelfde behandelaar, hetgeen in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4 De rechtbank overweegt het volgende.

Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden zoals deze waren voorafgaand aan het besluit van 18 oktober 2012 tot functietoewijzing, niet de conclusie rechtvaardigen dat indien het initiële functietoewijzingsproces rechtmatig was verlopen, hem reeds in 2008 de functie met de rang van (minimaal) majoor zou zijn toegekend. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen en afgezet tegen de capaciteiten van (mogelijke) medekandidaten. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid en is de toetsing door de rechter terughoudend.

Bij uitspraak van 23 februari 2012 heeft de CRvB weliswaar de (tweede) beslissing op bezwaar van 4 maart 2010 vernietigd, doch daarbij het primaire besluit van 15 juli 2008 – waarbij eiser geen aanstelling bij [bataljon]-bataljon is aangeboden en zijn sollicitatie door verweerder niet in behandeling genomen – niet herroepen.

Eerst in de (derde) beslissing op bezwaar van 18 oktober 2012 is het primaire besluit van 15 juli 2008 door verweerder herroepen.

Voorts zij er op gewezen dat het door eiser tegen het besluit van 18 oktober 2012 ingestelde beroep voor wat betreft de ingangsdatum van de functietoewijzing en de daaraan verbonden rang door de rechtbank op 18 februari 2015 ongegrond is verklaard, welke uitspraak door de CRvB is bevestigd. De CRvB heeft daarbij geoordeeld dat uit zijn eerdere uitspraak van 23 februari 2012 niet blijkt dat de functie met de rang van majoor met terugwerkende kracht aan eiser had moeten worden toegewezen.

Gezien het voorgaande komt de schadevordering van eiser vanwege inkomstenderving over de periode dat de functie hem nog niet was toegewezen, niet voor inwilliging in aanmerking. Dit impliceert dat zijn schadevordering voor inkomstenderving vanwege gemiste carrièrekansen en omdat hij, indien hem de functie reeds in 2008 zou zijn toegewezen, in 2014 geplaatst had kunnen zijn in een hogere rang – wat hier verder van zij – evenmin voor toewijzing in aanmerking komt.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij schade heeft geleden door de (eerste) beslissing op bezwaar van 1 december 2008 die door deze rechtbank bij uitspraak van 22 juli 2009 is vernietigd, overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar zijn. De aanvang van deze termijn ligt bij het moment waarop de benadeelde met betrekking tot die schade in actie had kunnen komen. Nu appellant eerst in 2014 een schadevordering heeft ingediend, heeft hij de termijn van vijf jaren overschreden.

Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij als reservist door verweerders toedoen minder inkomsten heeft gegenereerd. Daarbij is van belang dat het inkomen van een reservist per definitie afhankelijk is van de mate waarin hij wordt opgeroepen, hetgeen van meerdere factoren afhankelijk is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 2012 door de door hem gevoerde juridische procedures en/of tegenwerking door verweerder minder is opgeroepen dan anders het geval zou zijn geweest.

De door eiser gestelde reputatieschade is ten slotte niet nader onderbouwd, zodat zijn schadevordering op die grond reeds daarom dient te worden afgewezen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat namens verweerder in het verweerschrift en ter zitting voldoende is onderbouwd dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig c.q. zonder het vereiste mandaat is genomen.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. A.E. Dutrieux, lid van de rechtbank, en kapitein ter zee (A) b.d. mr. H.T. Wagenaar, militair lid, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.