Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5050

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 15367
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 8 EVRM, mttnet, additonal elements of dependancy

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/15367

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde mr. J.E. de Poorte),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 oktober 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig Fouad Asaad, referent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Arabi. De rechtbank heeft na de zitting de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.
Eiseres bezit de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Op

5 oktober 2017 heeft zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ ingediend. Zij vraagt verblijf bij haar meerderjarige zoon, referent. Referent is geboren op [geboortedatum], in het bezit van een asielvergunning en ten tijde van de aanvraag ongehuwd. Op 24 februari 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 februari 2017 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de band tussen eiseres en referent zo bijzonder is, dat moet worden aangenomen dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar meerderjarige zoon. Verweerder kent aan het algemeen belang meer gewicht toe dan aan de persoonlijke belangen van eiseres, zodat volgens verweerder geen aanleiding bestaat om eiseres op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verblijf in Nederland toe te staan. Verweerder is van mening dat eiseres terecht een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) is geweigerd.

3. Eiseres is van mening dat er tussen haar en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Zij heeft daartoe in beroep het volgende aangevoerd. Eiseres is [leeftijd] jaar oud is en al sinds [jaar] weduwe. Referent heeft sinds het overlijden van zijn vader op jonge leeftijd al voor zijn moeder gezorgd en haar onderhouden. Hij was ongehuwd en heeft in Syrië altijd met haar samengeleefd. Daarbij komt dat eiseres ernstige psychische problemen heeft en niet zelfstandig kan functioneren. Na het vertrek van referent uit Syrië in september 2015 heeft zijn zus tijdelijk voor eiseres gezorgd, maar zij is onlangs getrouwd en kan vanwege gezondheidsproblemen van haar man niet meer voor haar moeder zorgen. Bovendien woont zij op enkele kilometers afstand en moet zij dagelijks door gevaarlijk gebied reizen om haar moeder mantelzorg te verlenen. Doordat eiseres last heeft van aanvallen van agressie kunnen en willen buurtgenoten haar evenmin meer ondersteunen. Met de tweede zoon in het gezin bestaat geen contact meer. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stellingen twee medische verklaringen van een Syrische arts, dr. Fawaz, (van 4 juni 2016 en van onbekende datum) overgelegd, de uitnodiging voor de bruiloft van haar dochter op 23 september 2016, de bijbehorende huwelijksakte en een brief van haar dochter. Eiseres wijst erop dat verweerder bij zijn besluitvorming niet is ingegaan op de door haar overgelegde (medische) bewijsstukken. Eiseres verwijst verder onder meer in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 13 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7470) en van zittingsplaats Middelburg van 14 juli 2016 (AWB 16/4573), de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2016, (AWB 16/14315) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2016 (201505943/1/V1 en van 25 mei 2016 (201600097/1/V1).

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 2p, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan verweerder een mvv verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

5. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is voor een ieder het recht op respect voor zijn privé-, familie- en gezinsleven, neergelegd. Op grond van het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6. Het is vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat pas kan worden gesproken van een beschermenswaardig gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties); er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid (additional elements of dependancy). Het EHRM heeft dat bijvoorbeeld overwogen in rechtsoverweging 32 van het arrest in de zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk1. De uitzondering daarop is als sprake is van jongvolwassen, nog thuiswonende kinderen, zoals aan de orde in de zaak Maslov tegen Oostenrijk2. In die gevallen is het uitgangspunt dat sprake is van beschermenswaardig gezinsleven, net als in het geval van minderjarige kinderen. Maar daarvan is in dit geval geen sprake. Referent kan immers gezien zijn leeftijd niet als een jongvolwassene worden aangemerkt. Als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van beschermenswaardig gezinsleven, hoeft ook geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan geen sprake kan zijn van schending van artikel 8 van het EVRM.

7. De rechtbank dient daarom allereerst te onderzoeken of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

8. Uit vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder het arrest van Kopf en Liberda tegen Oostenrijk3, volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, en daarmee van een beschermenswaardig gezinsleven, onvoldoende heeft onderbouwd. Zij overweegt daartoe als volgt.

10. Referent heeft tijdens het eerste gehoor van 31 mei 2016 (p. 4) in zijn asielprocedure verklaard dat zijn vader is overleden toen hij acht maanden oud was, dat hij kostwinnaar was en dat hij voor zijn moeder en zus zorgde. Referent, thans 47 jaar oud, heeft derhalve zijn hele leven, tot zijn vertrek uit Syrië in 2015, samengeleefd met zijn moeder. Referent was destijds ongehuwd en heeft in Syrië geen eigen gezin gesticht. Verweerder heeft dit element niet kenbaar betrokken in zijn besluitvorming en gaat eraan voorbij dat samenwoning een van de factoren is die volgens het EHRM bij de beoordeling van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie betrokken dient te worden. Daarbij komt dat eiseres op leeftijd is en in een regio woont waar de veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden als gevolg van de aanhoudende oorlogssituatie slecht zijn.

11. Uit de door eiseres overgelegde verklaringen van dr. Fawaz, neurochirurg, blijkt verder dat eiseres lijdt aan een zware obsessieve stoornis, dat zij sinds het overlijden van haar echtgenoot in [jaar] depressief is en dat zij medicatie voorgeschreven krijgt. De arts acht de steun van haar zoon zowel in financieel als in moreel opzicht nodig om haar met de behandeling te helpen. Desgevraagd heeft referent ter zitting toegelicht dat de obsessieve stoornis zich onder meer uit doordat eiseres verbaal agressief kan zijn en ze dingen kapot maakt als ze boos is. Hij is naar zijn zeggen de enige persoon die eiseres kan sussen en geruststellen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder onvoldoende ingegaan op de medische verklaringen en heeft hij zich ten onrechte niet uitgelaten over de vraag of eiseres als gevolg van de ernstige psychische problemen nog zelfstandig kan functioneren en feitelijk is aangewezen op de zorg van naasten. Van belang is daarbij dat de aard van de geschetste psychische problemen het aannemelijk maakt dat buurtgenoten niet gedurende langere tijd bereid zullen zijn eiseres te ondersteunen.

12. Daarnaast is uit de jurisprudentie van het ERHM niet af te leiden dat voor het aannemen van beschermenswaardig gezinsleven vereist is dat eiseres uitsluitend afhankelijk zou moeten zijn van haar zoon. Dat de dochter na het vertrek van referent tijdelijk de zorg voor eiseres op zich genomen heeft, maar hiertoe niet langer in staat is vanwege de hartproblemen van haar man en de slechte veiligheidssituatie in de regio, die het dagelijkse reizen naar de moeder gevaarlijk maakt, doet geen afbreuk aan het bestaan van zeer hechte, persoonlijke banden tussen eiseres en referent.

13. Dit alles betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd (schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Verweerder zal, uitgaande van een beschermenswaardig gezinsleven tussen referent en eiseres, opnieuw een afweging van belangen moeten maken, resulterend in een fair balance tussen het belang van eiseres en referent enerzijds, en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

14. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;
    - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 (honderdachtenzestig
    euro) aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.002 (duizendentwee
    euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, 12 juni 2010, no. 47486/06, www.echr.coe.int.

2 Zaak Maslov tegen Oostenrijk, 23 juni 2008, no. 1638/03, www.echr.coe.int.

3 Zaak Kopf en Liberda tegen Oostenrijk van 17 april 2012 (no. 1598/06), www.echr.coe.int.