Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5048

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
NL18.5623
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA, nationaliteit van Syrië en Venezuela, kan terugkeren naar Venezuela, art. 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, paspoort te kwader trouw vernietigd, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.5623


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Toonder).


Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de behandeling van de zaken NL18.5620, NL18.5621, NL18.5624, NL18.5626 en NL18.5627, plaatsgevonden op 5 april 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolken zijn verschenen C.M.E. Begthel (Spaans) en H. Al Taie (Arabisch). Tevens waren aanwezig [moeder] en [zus], de moeder en zus van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit zowel de Syrische als de Venezolaanse nationaliteit. Op 4 februari 2018 heeft zij haar asielaanvraag ingediend.

2. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Syrië is geboren. Toen zij drie jaar oud was is zij met haar moeder, zus en broer naar Venezuela teruggekeerd.

Vanwege het escalerende geweld in Venezuela en het ontbreken van effectief overheidsoptreden is eiseres in januari 2017, samen met haar moeder, zus en neefje per vliegtuig vanuit Caracas, Venezuela teruggekeerd naar Syrië. Omdat de situatie in Syrië nog erger was dan in Venezuela heeft eiseres op 21 januari 2018 Syrië verlaten samen met haar moeder, zus en neefje.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, herkomst en Venezolaanse nationaliteit;

- de aangevoerde problemen in Venezuela.

4. Verweerder heeft deze elementen geloofwaardig geacht, maar stelt zich op het standpunt dat eiseres geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is. Eiseres bezit de Venezolaanse nationaliteit en heeft in Venezuela geen problemen ondervonden die aan het Vluchtelingenverdrag zijn gerelateerd. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico loopt op ernstige schade. In Venezuela wordt geen situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn aangenomen. Verder behoren personen met een etnische Arabische afkomst of alleenstaande vrouwen niet tot een groep die verhoogde aandacht behoeft, of tot een kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres zich voor haar reis naar Nederland zonder noodzaak heeft ontdaan van haar geldige Venezolaanse paspoort.

5. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft getoetst aan Venezuela als land van herkomst. Eiseres heeft immers zelf verklaard dat ze de Venezolaanse nationaliteit bezit. Ook heeft zij het grootste deel van haar leven (zeventien jaar) in Venezuela gewoond. Dat eiseres daarnaast ook de Syrische nationaliteit heeft, doet daar niet aan af.

7. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres voor haar vertrek uit Venezuela geen persoonlijke problemen heeft ondervonden, die internationale bescherming nodig maken. Dat eiseres in Venezuela haar leven niet kan leiden op dezelfde wijze als in Nederland maakt niet dat sprake is van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. De vrees van eiseres voor ontvoering is uitsluitend gebaseerd op de problemen en verhalen van anderen. Dat eiseres in 2015 het slachtoffer is geworden van een straatoverval en dat zij stelt naar aanleiding daarvan te zijn gestopt met haar studie, leidt niet tot een andere conclusie. Dit was een eenmalig incident dat niet tegen haar persoonlijk was gericht. Voor zover eiseres dit incident tijdens het nader gehoor in verband heeft gebracht met haar Arabische uiterlijk, wordt overwogen dat zij eveneens heeft verklaard dat mensen in Venezuela haar niet op voorhand aanzien voor een Arabische. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar Arabische uiterlijk problemen heeft ondervonden in Venezuela.

8. Voor zover is opgeworpen dat eiseres mogelijk problemen zal ondervinden als Arabische vanwege de nauwe banden die bestaan tussen de Syrische en de Venezolaanse overheid, heeft verweerder terecht overwogen dat dit niet concreet is onderbouwd. De enkele verwijzing naar de rapporten van het United States Department of States over Venezuela van 3 maart 2017 en 15 augustus 2017, en naar het internetartikel “The Syria-Venezuela Connection” van 11 september 2013 is hiervoor onvoldoende.

9. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom het feit dat zij een alleenstaande vrouw is, bij terugkeer van eiseres naar Venezuela zal leiden tot schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

10. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat er geen algemene vrees bestaat op vervolging of ernstige schade. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar informatie van de UNHCR van maart 2018 in de “Guidance note on the outflow of Venezueleans”. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dat rapport echter geen algemene vrees worden afgeleid. In het rapport wordt opgeroepen om ontheemde Venezolanen op te vangen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat Venezolanen hier toegang hebben tot de asielprocedure en in dat kader opvang genieten. Daarnaast wordt iedere asielaanvraag individueel getoetst op de noodzaak van internationale bescherming. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat van die noodzaak in het geval van eiseres niet is gebleken.

11. Nu niet is gebleken dat eiseres te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade, is de vraag of de Venezolaanse overheid bescherming kan bieden niet aan de orde. Gelet hierop komt eiseres niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

12. Daarnaast heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiseres moedwillig haar paspoort heeft vernietigd en dat niet is gebleken dat dit onder dwang is gebeurd. De door eiseres gestelde vrees op voorhand om te worden afgeperst door mensensmokkelaars hoefde verweerder niet te accepteren als reden om zich van het paspoort te ontdoen. Door zich van haar paspoort te ontdoen, heeft eiseres verweerder de mogelijkheid ontnomen om aan de hand van het paspoort vast te stellen dat zij in 2017 inderdaad naar Syrië is gereisd en waar zij sindsdien heeft verbleven. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geoordeeld dat eiseres zich te kwader trouw heeft ontdaan van haar paspoort. De aanvraag is dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.