Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
NL17.6483
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ongeloofwaardig relaas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6483


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzoui).

Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018 in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Mustafa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 10 juni 2016 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit de stad Sulaimaniyah, dat hij Koerd is en dat hij een niet praktiserend moslim is. Over zijn persoonlijke levenswijze heeft eiser verklaard dat hij vaak cafés bezocht en omgang had met muzikanten. Eiser heeft sinds 2002 problemen met zijn vader, een machtig man met hoge functies binnen de Peshmerga en het Iraakse leger. Eisers vader heeft hem, tegen eisers zin, ingeschreven bij het Iraakse leger, hetgeen zorgde voor constante ruzies. Tijdens zijn werk in de autohandel heeft eiser voor derden financieel garant gestaan, wat - mede omdat zijn vader hem niet wilde helpen - tot een rechtszaak heeft geleid. In het verleden is eiser door zijn vader meermalen het huis uitgezet. Eiser is daarbij steeds enige dagen later naar huis teruggekeerd. Na de laatste uithuiszetting heeft eiser besloten om niet terug te gaan naar zijn ouders en om Irak te verlaten. Eiser stelt verder dat zijn vader de politie, de Iraakse veiligheidsdienst, twee broers en een zwager heeft opgeroepen om hem op te pakken.

3. Verweerder heeft eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en persoonlijke levenswijze geloofwaardig geacht. Ook heeft hij geloofwaardig geacht dat eiser een persoonlijk conflict heeft met zijn vader. De aan eisers werk gerelateerde zaak waarvoor eiser bij de rechtbank moet verschijnen, acht verweerder eveneens geloofwaardig. Eisers veronderstelling dat zijn vader de politie, veiligheidsdienst, twee broers en een zwager heeft opgeroepen om eiser op te pakken, is volgens verweerder niet geloofwaardig.

4. Eiser stelt in beroep dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij niet door zijn vader kan worden gedwongen deel te nemen aan het leger of de Peshmerga. Ook is ten onrechte voorbijgegaan aan de invloedrijke positie van zijn vader. Verweerders motivering onderschrijft volgens eiser juist zijn relaas en verweerder acht ten onrechte vreemd en onlogisch dat eiser het messengerbericht van zijn broer Nashwan, waarin volgens eiser stond dat zijn vader de politie en de veiligheidsdienst op hem heeft afgestuurd, heeft gewist. Eiser wil niet worden herinnerd aan de gewelddadigheden van zijn vader, en hij realiseerde zich niet dat een dergelijk bericht van belang kan zijn in een asielprocedure. De veiligheidssituatie in Irak is slecht en terugkeer zou volgens eiser leiden tot een levensbedreigende situatie. Volgens eiser heeft hij medische problemen, op grond waarvan verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft ter zitting de beroepsgrond met betrekking tot zijn gestelde medische problemen ingetrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat eisers conflict met zijn vader persoonlijk is. Verweerder motiveert op steekhoudende wijze, en onder verwijzing naar objectieve bronnen en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de veiligheidssituatie in Irak van oktober 2015, dat verplichte deelname aan het leger, dan wel de Peshmerga niet aan de orde is in Irak. Eiser heeft niet (middels documenten) aannemelijk gemaakt dat verweerders standpunt hieromtrent onjuist is. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte voorbijgaat aan de invloedrijke positie van zijn vader slaagt niet, nu eiser – zoals ook toegelicht door verweerder ter zitting – wel in staat was op legale wijze het land te verlaten, hetgeen niet mogelijk was indien zijn vader daadwerkelijk zoveel invloed had. Ook heeft eiser naar eigen zeggen reeds vanaf 2002 problemen met zijn vader, terwijl het zijn vader niet eerder is gelukt om hem te dwingen om zich aan te sluiten bij de Peshmerga of het leger.

Verweerder heeft eiser verder niet ten onrechte tegengeworpen dat vreemd en onlogisch is dat eiser het voornoemde messengerbericht van zijn broer Nashwan heeft gewist en dat eiser niet weet wanneer hij het betreffende bericht heeft ontvangen. Eisers verklaring dat hij het bericht heeft gewist omdat hij niet voortdurend wilde worden geconfronteerd met de situatie met zijn vader slaagt niet, nu hij, zoals ook opgemerkt door verweerder ter zitting, ook zonder dit bericht voortdurend zal worden herinnerd aan zijn vader nu hij volgens eigen zeggen vanwege hem zelfs Irak is ontvlucht. Eiser stelt in beroep dat hij recent nog een nieuw messengerbericht heeft ontvangen met daarin een dreigende tekst, maar hij heeft hier geen bewijzen van overgelegd. Reeds daarom kan aan deze grond niet het gewicht worden toegekend dat eiser hieraan gehecht wenst te zien.

Verweerder werpt eiser ook niet ten onrechte tegen dat hij de vraag waarom zijn vader de politie en de veiligheidsdienst op hem af heeft gestuurd heeft ontweken bij het nader gehoor, door aanvankelijk geen concreet antwoord te geven. Eisers verklaring dat zijn twee andere broers en zwager het niet goed met hem voor hebben is te vaag. Zijn veronderstelling dat zijn vader hem bij terugkeer zou straffen en in de gevangenis zou stoppen, is ook niet onderbouwd met concrete aanwijzingen en past ook niet in de context van het asielrelaas, waaruit blijkt dat het huiselijk conflict in het verleden steeds is opgelost door naaste familie.

6. Gezien het voorgaande heeft verweerder de veronderstelling van eiser dat zijn vader de politie, de veiligheidsdienst, twee broers en een zwager heeft opgeroepen om eiser op te pakken om hem te straffen, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Dit betekent dat eiser ook niet kan worden gevolgd in zijn, niet onderbouwde, stelling dat hij vanwege zijn vader bij terugkeer naar Irak moet vrezen voor zijn leven. De rechtbank merkt hierbij op dat niet kan worden uitgesloten dat, als eiser zou worden gevolgd in zijn standpunt dat zijn vader naar hem op zoek is, dit geschiedt uit bezorgdheid, ondanks de problemen in het verleden. Immers, zoals eiser heeft verklaard, kwam hij na eerdere uithuiszettingen steeds na enige dagen terug. Na de laatste keer is eiser niet meer naar huis teruggekeerd.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom terecht afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.