Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4991

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
C/09/505046 / HA ZA 16-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Milieuschadeverzekering. Uitleg begrip "emissie"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/505046 / HA ZA 16-152

Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] PARTNERS V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. K. Kroon te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. M.D. Spruit te Ermelo.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Reaal genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 1 februari 2016 met producties 1 t/m 30;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 15 juni 2016, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de verzoeken van partijen van 19 oktober 2016, 23 november 2016 en 15 maart 2017 om de zaak aan te houden tot het moment waarop het vonnis in de hierna in 2.7 te noemen procedure zal zijn gewezen;

  • -

    de akte overlegging productie van de zijde van [eiseres] met productie 31;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 januari 2018 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. [eiseres] en Reaal hebben bij brieven van 31 januari 2018, respectievelijk 2 februari 2018 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. [eiseres] heeft vervolgens bij brief van 6 februari 2018 gereageerd op de opmerkingen van Reaal. Deze brieven maken onderdeel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een onderneming die onroerend goed exploiteert. Zij is onder meer de eigenaar van de grond, opstallen en loodsen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . [eiseres] heeft een aantal loodsen op het terrein verhuurd, waaronder de loodsen die zij aanduidt met de nummers 5 en 9 (hierna: de loodsen).

2.2.

Op 12 december 2013 heeft [eiseres] bij Reaal een milieuschadeverzekering afgesloten voor het terrein. Het verzekerd bedrag is € 500.000. De dekkingsomschrijving luidt als volgt:

“In geval van verontreiniging zijn verzekerd:

  1. kosten van sanering van de verzekerde locatie en de locatie van derden;

  2. schade en kosten die het gevolg zijn van de sanering;

  3. zaakschade die het gevolg is van de verontreiniging;

een en ander als en voor zover de verontreiniging het gevolg is van een emissie die zich voordoet tijdens de looptijd van de verzekering en de verwezenlijking van deze emissie zijn oorsprong vindt op de verzekerde locatie. In dit verband wordt een reeks van emissies geacht zich te hebben voorgedaan op het moment waarop de eerste emissie zich heeft voorgedaan.

(…)”

2.3.

Het begrip “emissie” is in de begripsomschrijvingen gedefinieerd als

“Het onvoorzien vrijkomen van gassen, vloeistoffen en/of fijn verdeelde vaste stoffen. (…)”

2.4.

De daken van de loodsen bestonden (onder andere) uit asbestplaten. Op 6 oktober 2014 heeft [eiseres] aan [X] Montage B.V. (hierna: [X] ) opdracht gegeven om de asbesthoudende dakbedekking van de loodsen te saneren en te vervangen door metalen dakplaten.

2.5.

Nadat de werkzaamheden van [X] bijna waren afgerond en de loodsen weer in gebruik waren genomen, zijn in de loodsen op verschillende plaatsen asbestdeeltjes aangetroffen. Daarop heeft [eiseres] een risicobeoordeling laten uitvoeren door RPA-Advies. RPA heeft het volgende vastgesteld:

“Het visueel onderzoek is in de gehele loods uitgevoerd, zowel op de vloer als op de voorraad in de stellingen. Visueel zijn op de grond en op de dozen in de stellingen grote hoeveelheden mos en restanten asbesthoudend plaatmateriaal waargenomen, variërend van kleine brokjes tot filters golfplaat tot 3 centimeter groot. De restanten asbesthoudend materiaal zijn verspreid in beide loodsen aangetroffen. Dit duidt er op dat het asbestverwijderingsbedrijf geen deugdelijke afscherming heeft aangebracht tijdens de asbestverwijdering en verzuimd heeft de loodsen te reinigen. (...)"

2.6.

De loodsen zijn op advies van RPA afgesloten en zijn, inclusief de daarin opgeslagen goederen, gesaneerd. De kosten van asbestsanering bedroegen € 338.247,66, exclusief BTW. Daarnaast is [eiseres] huurinkomsten misgelopen, heeft zij haar huurders schadeloos moeten stellen voor de periode waarin zij geen gebruik konden maken van de loodsen en heeft zij juridische bijstand ingeschakeld om met [X] tot een oplossing te komen. [eiseres] heeft haar totale schade voorlopig begroot op € 816.160,46.

2.7.

De rechtbank Gelderland heeft in een door [eiseres] tegen [X] aangespannen procedure bij vonnissen van 20 april 2016 en 25 januari 2017 geoordeeld dat de asbestbesmetting is ontstaan door een ondeugdelijke asbestsanering door (de onderaannemer van) [X] en dat [X] jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [X] is vervolgens veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van € 543.790,18 aan schadevergoeding te betalen.

2.8.

[eiseres] en [X] hebben ter voorkoming van een hoger beroepsprocedure een vaststellingsovereenkomst gesloten, op basis waarvan [X] aan [eiseres] een bedrag van € 556.787,60 heeft betaald.

2.9.

[eiseres] heeft Reaal verzocht dekking te verlenen onder de milieuschadeverzekering voor de door haar geleden (naar de rechtbank begrijpt: aanvullende) schade. Reaal heeft vervolgens EMN Expertise opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de oorzaak en de omvang van de schade. Over de oorzaak van de schade concludeert EMN het volgende (zinsbouw conform expertiserapport, rechtbank):

“De stellages in de loodsen waren aan de bovenzijde met kunststof folie afgedekt. Deze afdekking diende er voor om stof, rommel en asbest, dat tijdens de sloop van de dakplaten naar beneden zou vallen, niet tussen de in de stellages opgeslagen goederen terecht zou komen. Tijdens de sanering zijn stukjes asbest, stof en mos naar beneden gevallen. Dit is tijdens dit soort saneringen onvermijdelijk. De saneerder dient daarom ook het onderliggende deel zoals de afdekking en de vloer te saneren en geheel vrij te maken van asbest.

Bij het verwijderen van deze afdekking van de stellingen is, naar mag worden geconcludeerd, alsnog asbest in de ruimte verspreid. Dit asbest moet op de afdekking hebben gelegen. Na het verwijderen van de afdekking is geen verdere (eind)controle meer uitgevoerd. (…)”

2.10.

Bij brief van 30 april 2015 heeft Reaal [eiseres] bericht dat de schade van [eiseres] niet is gedekt onder de milieuschadeverzekering, omdat de schade niet is veroorzaakt door een “emissie” in de zin van de polisvoorwaarden.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat sprake is van dekking onder de milieuschadeverzekering, een en ander met veroordeling van Reaal in de proceskosten, buitengerechtelijke kosten en nakosten.

3.2.

Reaal voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen strijden over de vraag of de asbestverontreiniging het gevolg is geweest van een “emissie” in de zin van de polisvoorwaarden van de milieuschadeverzekering. Daarbij doet – anders dan [eiseres] lijkt aan te nemen – Reaal geen beroep op een uitsluiting van de dekking, maar voert zij het verweer dat geen sprake is van een gedekt voorval. Nu [eiseres] stelt dat dit wel het geval is, rusten de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat sprake is van verontreiniging als gevolg van een emissie op [eiseres] .

4.2.

Om te beoordelen of er sprake is van dekking onder de polis, moet eerst worden vastgesteld hoe het asbest in de loodsen terecht is gekomen. Ter zitting heeft [eiseres] (voor het eerst) het standpunt ingenomen dat niet valt uit te sluiten dat het asbest niet tijdens de werkzaamheden is vrijgekomen, maar dat het al voorafgaand aan de werkzaamheden op de grond en de stellingen in de loodsen lag. Reaal heeft de juistheid van deze stelling gemotiveerd betwist.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] – hoewel dat wel op haar weg ligt – haar stelling dat het asbest mogelijk al vóór de werkzaamheden op de grond en stellingen lag, op geen enkele manier heeft onderbouwd. De enkele suggestie dat niet is uitgesloten dat er al eerder asbest in de loodsen terecht is gekomen, is een onvoldoende onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een gedekt voorval. Overigens geeft ook de feitelijke gang van zaken geen aanleiding om aan te nemen dat het asbest al vóór de werkzaamheden is vrijgekomen. Vast staat immers dat geen van de gebruikers van de loodsen ooit heeft geklaagd over de aanwezigheid van asbest, terwijl zij al snel na de vrijgave van de loodsen aanzienlijke hoeveelheden asbest waarnamen. Volgens het rapport van RPA zijn na de werkzaamheden grote hoeveelheden mos en asbesthoudende stukken tot drie centimeter groot aangetroffen (zie 2.5). Het ligt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand dat (het mos en de) stukken asbest van deze omvang voorafgaand aan de werkzaamheden door alle gebruikers van de loodsen over het hoofd zijn gezien. Aan bewijslevering komt de rechtbank daarom niet toe. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het asbest tijdens de werkzaamheden aan het dak in de loodsen terecht is gekomen.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het voor [eiseres] voorzienbaar was dat er asbest zou vrijkomen bij het demonteren van de asbestplaten op het dak. Zij zijn het er ook over eens dat het vrijkomen van asbest tijdens die werkzaamheden niet een “emissie” is in de zin van de polisvoorwaarden. [eiseres] stelt echter dat het demonteren van de asbestplaten niet de gebeurtenis is waaraan het begrip “emissie” moet worden getoetst. Zij betoogt dat normaal gesproken bij een sanering het vrijkomende asbest wordt opgeruimd. [eiseres] ging er vanuit dat dat ook in haar geval zou gebeuren. Het was voor haar dan ook onvoorzien dat zij na de werkzaamheden zou worden geconfronteerd met een asbestverontreiniging. Daarom is sprake van een emissie in de zin van de polisvoorwaarden en valt haar schade onder de dekking van de verzekering, aldus [eiseres] .

4.5.

Op grond van de polisvoorwaarden is de schade van [eiseres] als gevolg van de asbestverontreiniging gedekt, als die verontreiniging het gevolg is van een onvoorzien vrijkomen van asbest. Met Reaal is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is, omdat de oorzaak van de verontreiniging is gelegen in de werkzaamheden aan het dak. Bij die werkzaamheden is asbest vrijgekomen, en dat asbest is uiteindelijk in de loodsen terecht gekomen. Of het asbest is gevallen op het folie dat over de stellingen in de loodsen was gespannen en bij het verwijderen daarvan naar beneden is gedwarreld (zoals EMN aanneemt), of wellicht via het openliggende dak naar binnen is gewaaid (zoals [eiseres] suggereert), is daarbij niet relevant. In alle gevallen zijn de asbestvezels en asbeststukjes immers van de dakplaten losgekomen door de werkzaamheden. Nu in het algemeen voorzienbaar is (en het ook voor [eiseres] voorzienbaar was) dat tijdens de werkzaamheden asbest zou vrijkomen, is de asbestverontreiniging niet het gevolg van een “emissie” in de zin van de polisvoorwaarden. Dat [eiseres] ervan uit mocht gaan dat [X] het vrijgekomen asbest zou opruimen en dat dus de schade voor haar onvoorzien was, maakt dat niet anders.

4.6.

[eiseres] beroept zich nog op de zogenaamde “contra proferentemregel”. Deze regel, die is neergelegd in artikel 6:238 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, houdt in dat als er twijfel bestaat over de uitleg van een bepaling, de voor de consument gunstigste uitleg moet worden gehanteerd. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu de polisvoorwaarden naar haar mening duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Het verweer van Reaal dat [eiseres] geen beroep kan doen op de contra proferentemregel, omdat zij geen consument is en bovendien bij het afsluiten van de verzekering werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon, kan daarom onbesproken blijven.

4.7.

De stelling van [eiseres] dat verzekeraar Allianz deze schade onder de door haar aangeboden milieuschadeverzekering wel zou uitkeren, maakt het voorgaande niet anders. Nog afgezien van het feit dat Reaal er terecht op heeft gewezen dat niet bekend is welke vraag [eiseres] aan Allianz heeft voorgelegd en of de contactpersoon van [eiseres] bij Allianz bevoegd is een dekkingsstandpunt in te nemen, geldt dat het geschil tussen Reaal en [eiseres] moet worden beoordeeld aan de hand van de in dit geval toepasselijke polisvoorwaarden. Op basis van die polisvoorwaarden hoeft Reaal niet tot uitkering over te gaan.

4.8.

Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

4.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Reaal worden begroot op € 7.089 (€ 1.929 aan griffierecht en € 5.160 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 2.580)).

4.10.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Reaal tot op heden begroot op € 7.089,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.1

1 type: coll: