Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4989

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2912
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking aan ontkenner Zwitserse bankrekening is terecht. Verweerder heeft mbt het groepsverzoek niet in strijd met het Verdrag Nederland-Zwitserland dan wel in strijd met de algemene beginselen van bestuur gehandeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1104
Viditax (FutD), 25-05-2018
FutD 2018-1415
V-N 2018/40.19 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/2069 met annotatie van V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/2912

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 27 oktober 2016 ten aanzien van eiser voor de jaren 2004 tot en met 2015 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 maart 2017 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3].

Overwegingen

Feiten

1. Tot de gedingstukken behoort een brief van de UBS bank in Zwitserland (UBS) van 7 augustus 2014, waarin de UBS de betreffende rekeninghouder verzoekt aan te tonen dat hij aan zijn fiscale verplichtingen ten aanzien van zijn UBS-rekening heeft voldaan. De UBS geeft in die brief voorts aan dat tot sluiting van de rekening zal worden overgegaan indien niet aan het verzoek wordt voldaan.

2. De Belastingdienst heeft op 23 juli 2015 de Zwitserse autoriteiten verzocht om informatie te verstrekken van rekeninghouders bij de UBS in Zwitserland met een domicilie-adres in Nederland die niet afdoende op de voormelde brief van UBS hebben gereageerd en die in de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 december 2014 een UBS-rekening met een saldo van minimaal € 1.500 aanhielden (het groepsverzoek). Daarbij is verzocht om voor- en achternamen, domicilie-adressen, geboortedata, rekeningnummers en saldo-informatie per 1 februari 2013, 1 januari 2014 en 31 december 2014 te verstrekken. Bij brief van 16 september 2015 heeft UBS haar rekeninghouders geïnformeerd over het groepsverzoek.

3. Naar aanleiding van het groepsverzoek heeft verweerder bij brief van 18 december 2015 gegevens van de Zwitserse autoriteiten ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de UBS in Zwitserland (de renseignementen). De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [rekeningnummer] ten name van [eiser], geboortedatum [geboortedatum], met als adres [adres] te [woonplaats]. Het saldo op voormelde rekening bedroeg op 1 februari 2013 CHF 1.376.176 (€ 1.121.030) en op 1 januari 2014 CHF 1.365.659 (€ 1.135.778). Op 31 december 2014 is op die rekening geen saldo meer aanwezig. Verweerder heeft eiser als houder van die rekening geïdentificeerd.

4. Eiser, geboren op [geboortedatum], heeft als voornamen [voornamen] en woont op het adres [adres] te [woonplaats]. Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een UBS-rekening.

5. Bij brief van 4 februari 2016 heeft verweerder eiser verzocht om aan de hand van het formulier “verklaring vermogen in het buitenland” nadere gegevens over de hiervoor genoemde UBS-rekening te verstrekken, waaronder de saldigegevens op 1 januari van de jaren 2003 tot en met 2014 alsmede gegevens over de herkomst van het vermogen en gegevens over de besteding van dat vermogen.

6. Bij brief van 1 maart 2016 heeft eiser aangegeven dat hij geen buitenlandse bankrekening heeft. Verweerder heeft bij brief van 23 juni 2016 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie te verstrekken. Bij brief van 19 juli 2016 heeft eiser verwezen naar zijn eerdere brief van 1 maart 2016. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking gegeven.

Geschil
7. In geschil is of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft gegeven. Het geschil spitst zich daarbij in het bijzonder toe op de vraag of verweerder in de bezwaarfase in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en of verweerder met betrekking tot het groepsverzoek in strijd met het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Trb 2010, 98 (het Verdrag) dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Beoordeling van het geschil

Bezwaarfase

8. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder in de bezwaarfase in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. De omstandigheid dat verweerder niet meteen na ontvangst van het bezwaarschrift een ontvangstbevestiging heeft verzonden, als ook de omstandigheid dat verweerder na het verstrijken van de beslistermijn aan eiser een termijn heeft gesteld om aan te geven of hij wenst te worden gehoord, brengen niet mee dat verweerder hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld dan wel enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Hetzelfde heeft te gelden voor de omstandigheid dat verweerder in het onderhavige geval niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. De wet biedt de belastingplichtige in dergelijke gevallen de mogelijkheid om rechtstreeks beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift alsook om verweerder op straffe van het verbeuren van een dwangsom in gebreke te stellen. Van die mogelijkheden heeft eiser geen gebruik gemaakt. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser door de handelswijze van verweerder in de bezwaarfase in zijn processuele belangen is geschaad.

Verdragstoepassing uitwisseling inlichtingen

9. Op grond van artikel 26, eerste lid, van het Verdrag wisselen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten de inlichtingen uit die naar verwachting van belang zijn voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag of de tenuitvoerlegging van de nationale wetgeving met betrekking tot belastingen die worden geheven ten behoeve van de Verdragsluitende Staten, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met het Verdrag.

10. In paragraaf XVI van het bij het Verdrag behorende Protocol (het Protocol) zijn nadere voorwaarden gegeven waaraan een inlichtingenverzoek moet voldoen. In paragraaf XVI van het Protocol is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“b. Het is wel te verstaan dat de belastingautoriteiten van de verzoekende Staat de volgende informatie verstrekken aan de belastingautoriteiten van de aangezochte Staat wanneer zij uit hoofde van artikel 26 van het Verdrag verzoeken om inlichtingen:

i. voldoende gegevens om de persoon of personen op wie de controle of het onderzoek betrekking heeft te identificeren, in het bijzonder diens naam en, voor zover bekend, adres, rekeningnummer en andere gegevens om de identificatie van die persoon of personen te vergemakkelijken, zoals geboortedatum, burgerlijke staat, fiscaal nummer;

ii. het tijdvak waarvoor om de inlichtingen wordt verzocht;

iii. een verklaring omtrent de gewenste inlichtingen, met inbegrip van de aard en de vorm waarin de verzoekende Staat de inlichtingen van de aangezochte Staat wenst te ontvangen;

iv. het fiscale doel waarvoor om inlichtingen wordt verzocht;

v. de naam, en voor zover bekend, het adres van personen die mogelijk beschikken over de gevraagde inlichtingen.

c. Doel van de verwijzing naar inlichtingen die voorzienbaar relevant zijn is uitwisseling van inlichtingen bij belastingzaken in de ruimst mogelijke mate te bewerkstelligen zonder de Verdragsluitende Staten toe te staan „fishing expeditions” te verrichten of te verzoeken om inlichtingen waarvan niet aannemelijk is dat deze relevant zijn voor de fiscale aangelegenheden van een bepaalde belastingplichtige. Onderdeel 2 bevat belangrijke procedurele vereisten waarmee beoogd wordt te verzekeren dat „fishing expeditions” zich niet voordoen; de punten i tot en met v dienen evenwel zodanig te worden uitgelegd dat een effectieve uitwisseling van inlichtingen niet wordt gedwarsboomd.”.

11. Nederland en Zwitserland hebben op 31 oktober 2011 ter verduidelijking van paragraaf XVI, onderdeel b, van het Protocol een aanvullende overeenkomst, Mutual Agreement regarding the interpretation of subparagraph b) of paragraph XVI of the Protocol to the Convention between the Swiss Confederation and the Kingdom of the Netherlands for the Avoidance of Double Taxation with Respect to Taxes on Income, signed at the Hague on 26 februari 2010 (de aanvullende overeenkomst), gesloten. In de aanvullende overeenkomst is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“Subparagraph b) of paragraph XVI of the Protocol sets forth the information that the competent authority of the requesting State shall provide to the competent authority of the requested State when making a request for information under Article 26 of the Convention. According to this provision it is required that the requesting State provides among other information (i) information sufficient to identify the person(s) under examination or investigation, in particular name, and, to the extent known, address, account number, and other particulars facilitating that persons identification, such as date of birth, marital status, tax identification number as well as (v) the name and, if available, address of any person believed to be in possession of the requested information. Subparagraph c) clarifies that whilst these are important procedural requirements that are intended to ensure that, fishing expeditions do not occur, these requirements nevertheless need to be interpreted with a view not to frustrate effective exchange of information.

Therefore, such requirements are to be interpreted in a manner that an administrative assistance request is to be complied with if the requesting State, further to the information as required by (ii) to (iv) of subparagraph b) of paragraph XVI of the Protocol,

a. a) identifies the person under examination or investigation; such identification may be provided by other means than by indicating the name and address of the person concerned; and

b) indicates to the extent known, the name and address of any person believed to be in possession of the requested information,

provided the request is not a fishing expedition.”.

Groepsverzoek

12. De rechtbank leidt uit voormelde bepalingen af dat een inlichtingenverzoek ook betrekking kan hebben op een groep van belastingplichtigen. Een groepsverzoek is dan ook in beginsel op grond van het Verdrag mogelijk, tenzij sprake is van een fishing expedition, waarbij zonder een concreet aanknopingspunt met betrekking tot een groep van belastingplichtigen gegevens worden opgevraagd.

13. Naar het oordeel van de rechtbank staan artikel 26 van het Verdrag, paragraaf XVI van het Protocol en de aanvullende overeenkomst, anders dan eiser betoogt, aan het onderhavige groepsverzoek niet in de weg. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het groepsverzoek duidelijk naar voren komt wat de aanleiding is voor het groepsverzoek, dat de Belastingdienst voldoende reden heeft om aan te nemen dat de in het groepsverzoek opgenomen groep van belastingplichtigen de belastingwetgeving heeft overtreden en dat in het groepsverzoek een voldoende gedetailleerde beschrijving is gegeven van de betreffende groep van belastingplichtigen. De rechtbank acht het groepsverzoek dan ook voldoende concreet en onderbouwd, zodat van een fishing expedition geen sprake is. De omstandigheid dat in het groepsverzoek geen namen en adressen van belastingplichtigen staan vermeld, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Gelet op de aanvullende overeenkomst is het vermelden van naam en adres van een belastingplichtige geen noodzakelijk vereiste voor een inlichtingenverzoek, maar kan ook andere informatie, zoals in dit geval door de Belastingdienst is verstrekt, voldoen om een belastingplichtige te identificeren. Bovendien volgt uit paragraaf XVI, onderdeel c, van het Protocol dat de in paragraaf XVI, onderdeel b, van het Protocol opgenomen procedurele vereisten, waaronder het verstrekken van gegevens zoals naam, adres, rekeningnummer, geboortedatum, burgerlijke staat en fiscaal nummer, niet zodanig strikt dienen te worden geïnterpreteerd dat zij een effectieve uitwisseling van inlichtingen in de weg staan.

14. Voorts is niet gebleken dat verweerder met betrekking tot het groepsverzoek in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Verweerder mocht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het groepsverzoek doen. Daarnaast mocht verweerder de gegevens van de renseignementen, die hij naar aanleiding van het groepsverzoek had ontvangen, gebruiken om een nader onderzoek naar de onder 3 genoemde UBS-rekening in te stellen, nu de renseignementen op rechtmatige wijze van de Zwitserse Belastingdienst waren verkregen. Op 12 september 2016 heeft namelijk de hoogste Zwitserse gerechtsinstantie het Schweizerisches Bundesgericht, (H&I 2017/144), geoordeeld dat de Zwitserse autoriteiten de renseignementen aan de Belastingdienst mochten verstrekken.

Authenticiteit renseignement

15. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat er dagafschriften dan wel rekeningoverzichten van de UBS in de van de Zwitserse Belastingdienst verkregen renseignementen ontbreken geen aanleiding om aan de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de renseignementen te twijfelen. Bovendien valt ook naar verweerder heeft verklaard uit de informatie die van de meewerkende UBS-rekeninghouders is verkregen niet af te leiden dat er sprake zou zijn van onjuiste of onbetrouwbare informatie. De rechtbank heeft geen aanleiding aan die verklaring van verweerder te twijfelen. Derhalve dient naar het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de in de renseignementen opgenomen gegevens te worden uitgegaan.

Informatiebeschikking

16. De rechtbank stelt voorop dat artikel 47, eerste lid, van de Awr verweerder een ruime bevoegdheid geeft tot het inwinnen van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling een verplichting om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498).

17. De door verweerder ontvangen renseignementen bevatten (onder meer) - naar blijkt uit het zogenoemde BVR-systeem van de Belastingdienst - de correcte voornamen, achternaam, adres en geboortedatum van eiser als (vermeende) rekeninghouder. Gelet hierop, kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat hij een redelijk vermoeden had dat eiser houder van een UBS-rekening was/is en dat de door hem gevraagde informatie dan ook van belang kon zijn voor de belastingheffing ten aanzien van eiser. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van belang die een licht kunnen werpen op de vraag of eiser over niet door hem aangegeven vermogen beschikte. Van overbodige en disproportionele vragen is, zoals eiser heeft gesteld, daarom geen sprake. Verweerder was derhalve gerechtigd ter zake aan eiser informatie te vragen en om overlegging van de onder 3 genoemde UBS-rekening betrekking hebbende bescheiden te verzoeken.

18. De door verweerder gestelde vragen omtrent de onder 3 genoemde UBS-rekening leiden voorts niet, anders dan eiser heeft gesteld, tot een ongeoorloofde schending van de privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel ieder mens recht heeft op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie, mag het openbare gezag op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het EVRM hierop inbreuk maken, mits dit bij de wet is voorzien en onder meer van belang is voor het economisch welzijn van het land. Nu de ruime informatiebevoegdheden van de Belastingdienst zijn opgenomen in artikel 47 van de Awr en die bevoegdheden van belang zijn voor het verkrijgen van de gegevens die nodig zijn voor een correcte belastingheffing, dient naar het oordeel van de rechtbank de informatievergaring door de Belastingdienst dan ook te prevaleren boven de privacybescherming van eiser (vgl. Hoge Raad 10 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB4412 en Hoge Raad 28 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8017). Eisers grief op dit punt faalt derhalve.

19. Opmerking verdient, dat de bevoegdheid tot het vragen van de informatie reeds bestaat bij aanwezigheid van een redelijk vermoeden in de onder 17 bedoelde zin. Het is derhalve niet vereist dat verweerder in het kader van de onderhavige procedure aannemelijk maakt dat eiser houder van de onder 3 genoemde UBS-rekening was/is. De omstandigheid dat verweerder bevoegd was informatie omtrent (het aanhouden van) die rekening te vragen, betekent dan ook niet dat daarmee in rechte zou vaststaan dat eiser ook daadwerkelijk rekeninghouder was/is. Het behoort tot de mogelijkheden dat, mede op grond van de door de eiser te verstrekken informatie, die vraag uiteindelijk ontkennend wordt beantwoord.

20. Eiser was op grond van artikel 47, eerste lid, van de Awr gehouden de door verweerder verlangde informatie te geven en de door verweerder gevraagde bescheiden over te leggen. Eiser kon dan ook niet volstaan met de enkele ontkenning dat hij geen buitenlandse bankrekening heeft (gehad). Dat eiser, naar hij ter zitting heeft verklaard, onder ede wil verklaren dat hij geen UBS-rekening heeft (gehad), maakt dit niet anders. Van eiser mocht immers redelijkerwijs worden verwacht dat hij, na de herhaaldelijk gedane informatieverzoeken van verweerder, met enige inspanning nadere informatie bij de UBS zou opvragen omtrent de onder 3 genoemde UBS-rekening. Eiser heeft geen bewijsstukken ingebracht waaruit valt af te leiden dat hij dergelijke inspanningen heeft verricht. Aldus heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over de door verweerder gevraagde gegevens kon beschikken.

21. Gelet op het vorenstaande heeft eiser derhalve niet voldaan aan zijn informatieverplichting, zodat de informatiebeschikking, voor zover dat ziet op de jaren 2004 tot en met 2014, terecht is gegeven. Dat verweerder in de informatiebeschikking melding heeft gemaakt van nog op te leggen navorderingsaanslagen over de jaren 2004 tot en met 2014, brengt niet mee dat verweerder op enige wijze vooringenomen dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld. De beoordeling van de vraag of verweerder een nieuw feit heeft om over de jaren 2004 tot en met 2014 te kunnen navorderen, kan namelijk pas aan de orde komen in een eventuele (latere) bezwaar- en beroepsprocedure tegen de navorderingsaanslagen. De rechtbank zal eiser op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen over de jaren 2004 tot en met 2014 te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

22. Met betrekking tot het jaar 2015 maakt de rechtbank uit de gedingstukken op dat verweerder over dat jaar geen vragen heeft gesteld. De enkele verwijzing door verweerder naar punt 3 van de informatiebeschikking, waarin het jaar 2015 staat opgenomen, maakt dit niet anders. Het vorenstaande brengt dan ook mee dat de informatiebeschikking voor zover deze ziet op het jaar 2015 dient te worden vernietigd en dat het beroep op dit punt gegrond is.

Proceskosten

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vast op € 14,90 aan reiskosten. De overige door eiser genoemde kosten, te weten porti- en kopieerkosten, komen op grond van het Besluit niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op het jaar 2015;

- vernietigt de informatiebeschikking voor zover deze ziet op het jaar 2015;

- stelt eiser een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking over de jaren 2004 tot en met 2014 gevraagde informatie te verstrekken;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 14,90;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. drs. L.M. Brouwer-Harten, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.