Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5255
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht premies werknemersverzekeringen. Verweerder maakt niet aannemelijk dat (middellijk) directeuren-grootaandeelhouders in dienstbetrekking waren bij eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1172
V-N 2018/32.2.4
NLF 2018/1376 met annotatie van Ferhat Aksoy
Viditax (FutD), 05-06-2018
FutD 2018-1564
NTFR 2018/1752 met annotatie van mr. E. Alink RB
Belastingadvies 2018/16-17.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/5255 t/m SGR 17/5258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2018 in de zaken tussen

[B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Annegarn),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2012, 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 en 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd. Bij alle naheffingsaanslagen is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juni 2017 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018.

Namens eiseres is verschenen gemachtigde, bijgestaan door [persoon 1] en

[persoon 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[persoon 3] en [persoon 4].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 4 oktober 2001 opgericht. De ondernemingsactiviteiten van eiseres bestaan uit de groot- en commissiehandel in, alsmede im- en export van groente, aardappelen fruit, snijbloemen, droogbloemen, planten, en aanverwante artikelen.

2. [B.V. Y] (de holding) is op 4 oktober 2001 opgericht en is sinds die datum enig aandeelhouder in eiseres. [persoon 5] ([persoon 5]), [persoon 6] ([persoon 6]) en [persoon 7] ([persoon 7]) zijn sinds 2001 middels hun personal holdings middellijk aandeelhouder in de holding. De aandeelverhouding in de holding is diverse malen gewijzigd, voor het laatst op 26 januari 2012. [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] zijn sinds laatstgenoemde datum voor respectievelijk 50%, 25% en 25% middellijk aandeelhouder in de holding. Daarvoor waren zij vanaf 15 september 2006 voor respectievelijk 44%, 29% en 27% middellijk aandeelhouder in de holding.

3. [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] waren volgens de gegevens in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 4 oktober 2001 tot 27 oktober 2009 bestuurder van de holding en van 4 oktober 2001 tot 1 januari 2009 bestuurder van eiseres. Sinds 1 januari 2009 is de holding bestuurder van eiseres. Sinds 27 oktober 2009 zijn de personal holdings van [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] bestuurder van de holding. Op 27 oktober 2009 heeft er een statutenwijziging bij de holding plaatsgevonden. Daarbij is in artikel 18 opgenomen dat een aandeelhouder die 50% of meer van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, recht heeft op het uitbrengen van 6 stemmen en een aandeelhouder die minder dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt op het uitbrengen van 3 stemmen. Bij het nemen van een besluit tot ontslag van een minderheidsaandeelhouder of een persoon die zitting heeft in de organen van een minderheidsaandeelhouder, heeft de betreffende minderheidsaandeelhouder recht op het uitbrengen van zes stemmen.

4. [persoon 6] is op 1 juli 2001 voor onbepaalde tijd als commercieel directeur bij de holding in dienst getreden voor een salaris van ƒ 120.000 (€ 54.454) per jaar. [persoon 6] heeft in 2008 € 127.074 en in de periode van 1 januari 2009 tot 1 oktober 2009 € 84.964 aan loon van de holding ontvangen.

5. [persoon 7] is op 1 juli 2001 voor onbepaalde tijd als logistiek directeur bij de holding in dienst getreden voor een salaris van ƒ 90.000 (€ 40.840) per jaar. [persoon 7] heeft in 2008

€ 127.687 en in de periode van 1 januari 2009 tot 1 oktober 2009 € 84.964 aan loon van de holding ontvangen.

6. Tot de gedingstukken behoort een op 23 augustus 2017 door de holding, [persoon 6] en [persoon 7] ondertekende “verklaring einde dienstverband”, waarin zij verklaren dat [persoon 6] en [persoon 7] met ingang van 1 januari 2009 uit dienst zijn getreden bij de holding en dat de arbeidsovereenkomst met de holding is beëindigd.

7. Tot de gedingstukken behoren de arbeidsovereenkomsten tussen [persoon 6] en [persoon 7] met hun personal holdings. Daarin staat dat zij met ingang van 1 januari 2009 als directeur bij hun personal holding in dienst zijn getreden tegen een salaris van € 9.300 per maand

(€ 111.600 per jaar), waarbij zij mede zijn belast met het bestuur van de door hun personal holdings gehouden deelnemingen. [persoon 6] heeft in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 € 24.940 en in 2010 € 127.126 aan loon van zijn personal holding ontvangen. Op 1 januari 2012 is het salaris van [persoon 6] verhoogd naar € 11.200 per maand. [persoon 7] heeft in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009

€ 24.940 in 2010 € 124.402 van zijn personal holding ontvangen. Op 20 december 2011 hebben [persoon 7] en zijn personal holding een aanvulling op de arbeidsovereenkomst met [persoon 7] gesloten, inhoudende dat [persoon 7] recht heeft op een tantième van twee bruto maandsalarissen bij een positief resultaat van zijn personal holding.

8. Eiseres heeft op 3 november 2009 een managementovereenkomst met de holding gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat met ingang van 1 januari 2009 de holding is belast met het management van eiseres en dat de holding tegen een vergoeding van € 70.000 per maand exclusief omzetbelasting daartoe haar directeur ter beschikking zal stellen. De holding heeft op 3 november 2009 drie managementovereenkomsten met de personal holdings van [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat met ingang van 1 januari 2009 de personal holdings van [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] zijn belast met het management van de holding en dat elke personal holdings tegen een vergoeding van € 22.170 per maand exclusief omzetbelasting daartoe haar directeur ter beschikking zal stellen.

9. In de onderhavige tijdvakken heeft eiseres management fees aan de holding betaald en heeft de holding management fees aan de personal holdings [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] betaald. Voor de jaren 2009 tot en met 2011 is aan elke personal holding een bedrag van

€ 266.040 per jaar betaald. Voor de jaren 2012 tot en met 2015 is aan de personal holdings van [persoon 6] en [persoon 7] een bedrag van € 319.200 per jaar betaald. Aan de personal holding van [persoon 5] is in die jaren een bedrag van respectievelijk € 180.000 (2012), € 144.000 (2013) en € 99.600 (2014 en 2015) betaald.

10. Verweerder heeft de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd, waarbij hij [persoon 6] en [persoon 7] als verplicht verzekerd heeft aangemerkt voor de premies werknemersverzekeringen.

Geschil
11. In geschil is of [persoon 6] en [persoon 7] als verzekeringsplichtigen voor de premies werknemersverzekeringen dienen te worden aangemerkt.

Beoordeling van het geschil

12. Op grond van de werknemersverzekeringswetten - artikel 3 van de Werkloosheidswet (WW), artikel 3 van de Ziektewet (ZW), artikel 8 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en artikel 3 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) - is verzekerd hij die als werknemer - voor zover hier van belang - in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is.

13. Voor de beantwoording van de vraag of [persoon 6] en [persoon 7] voor de toepassing van de werknemersverzekeringswetten tot eiseres in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staan, is maatgevend of tussen hen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (vgl. Hoge Raad

17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

14. Op grond van artikel 7:610 van het BW is sprake van een arbeidsovereenkomst indien er een verplichting bestaat tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende een zekere tijd, er sprake is van een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, op wie op dit punt de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat [persoon 6] en [persoon 7] gedurende de onderhavige tijdvakken bij eiseres in dienstbetrekking waren. Verweerder stelt dat er nadat [persoon 6] en [persoon 7] managementwerkzaamheden via hun personal holdings zijn gaan verrichten feitelijk niets in veranderd ten opzichte van de tijd dat zij nog statutair bestuurder waren van eiseres. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Verweerder miskent dat er reële wijzigingen hebben plaatsgevonden: (de hoogte van) de managementbeloning is gewijzigd (eiseres betaalt een managementvergoeding aan de holding die op haar beurt een managementvergoeding betaalt aan de personal holdings, welke managementvergoeding aanzienlijk hoger ligt dan het salaris dat de holding eerst aan [persoon 6] en [persoon 7] betaalde), de positie van [persoon 6] en [persoon 7] is gewijzigd (zij zijn niet als natuurlijk persoon gecontracteerd), de privéaansprakelijkheid van [persoon 6] en [persoon 7] is gewijzigd en er worden facturen met omzetbelasting in rekening gebracht over de managementvergoedingen. Daarbij komt dat [persoon 6] en [persoon 7] vóór 1 januari 2009 geen arbeidsovereenkomst hadden met eiseres maar met de holding. Eiseres was en is niet verplicht loon te betalen; dat was voorheen de holding. Anders dan verweerder stelt is dus niet alleen de betaling van salaris vervangen door betaling van een managementvergoeding. Ook uit hetgeen verweerder verder heeft aangevoerd volgt niet dat tussen eiseres en [persoon 6] en [persoon 7] sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Van een fictieve dienstbetrekking voor gelijkgestelden als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 acht de rechtbank, anders dan verweerder eerst ter zitting heeft gesteld, evenmin sprake.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen gegrond en dienen de naheffingsaanslagen alsmede de beschikkingen belastingrente te worden vernietigd. De overige stellingen behoeven geen behandeling.

Proceskosten

17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.876,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1,5).

18. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit is dan ook niet gebleken. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de naheffingsaanslagen alsmede de daarbij gegeven beschikkingen

belastingrente;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.876,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.