Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4953

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
NL18.5196 en NL18.5197
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Asiel met meetoets 8 EVRM. Asiel terecht kennelijk ongegrond. Bij 8 EVRM ten onrechte belangenafweging achterwege gelaten en ten onrechte niet ingegaan op stelling dat echtgenote uitgenodigd vluchtelinge in Nederland is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.5196 (beroep)

NL18.5197 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 26 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedatum], van Rwandese nationaliteit, eiser/verzoeker

(gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker),

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 25 februari 2018 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Daarnaast heeft verweerder eiser niet ambtshalve in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Op 14 maart 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door S. Munyemanzi als tolk in de taal Kinyarwanda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Asiel

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft in 2004 Congo verlaten vanwege de oorlog. Na 2004 tot zijn vertrek was eiser woonachtig in Rwanda. Op 5 mei 2017 woonde eiser samen met zijn broer in Rwanda. Op deze dag is zijn broer meegenomen door onbekende personen. De volgende dag

heeft de echtgenote van de broer van eiser haar echtgenoot proberen te bellen, maar een onbekende man heeft de telefoon opgenomen, die zei ‘Jouw man is toch een Tutsi’, en daarna ophing. Daaropvolgend is de echtgenote van eisers broer samen met eiser naar het politiebureau gegaan. De politie gaf aan dat zij naar de zaak zouden kijken. Rond 7 mei 2017 kwamen er onbekende personen bij de woning van eiser. Eiser was op dat moment zelf niet aanwezig. Deze personen hebben aan de echtgenote van zijn broer gevraagd of eiser daar verbleef en wat zijn telefoonnummer is. Om die reden is eiser angstig geworden en verbleef hij continu op verschillende plekken. Rond 8 mei 2017 heeft eiser een telefoontje ontvangen van een onbekend persoon die met hem wilde afspreken. Eiser heeft geantwoord hier niet mee in te gaan. Op 9 mei 2017 werd eiser wederom gebeld maar eiser heeft niet opgenomen. Op 10 mei 2017 is eiser gebeld en onbekende personen wilden met hem afspreken bij ‘[naam 1]’, hierna is eiser niet meer gebeld. Op 25 januari 2018 is eiser door onbekende personen gebeld maar hij nam niet op. Op 30 januari 2018 werd eiser opnieuw gebeld, dit keer nam hij wel op. Eiser vermoedt dat dit dezelfde personen zijn als die hem in mei 2017 hebben bedreigd. Deze personen hebben eiser bedreigd omdat hij een Tutsi is. Zij gaven ook aan dat zij eiser overal zullen vinden. Gelet op al het voorgaande vreest eiser dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden gedood vanwege zijn etniciteit.

2. Verweerder heeft in het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen onderkend:

a. a) de identiteit, nationaliteit en herkomst van betrokkene;

b) problemen in Rwanda.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder acht de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit geloofwaardig. Verweerder acht de problemen die eiser in Rwanda zou hebben ondervonden echter ongeloofwaardig. Verder legt verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser aan de Koninklijke Marechaussee (KMar) valse informatie heeft verstrekt en dat hij heeft achtergehouden dat hij vanuit Bangkok is gereisd en niet vanuit Kampala, zoals hij heeft verklaard. Ook legt verweerder aan het besluit ten grondslag dat eiser kennelijk inconsequente en tegenstrijdige en kennelijk valse verklaringen heeft afgelegd, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

4. Eiser is het met de afwijzing van zijn asielaanvraag niet eens. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte de verklaringen die hij bij de KMar heeft afgelegd bij de beoordeling heeft betrokken. Eiser had stress en was in de war. Bovendien zat eiser nog in de rust- en voorbereidingstijd op de asielprocedure. Verweerder meent bovendien ten onrechte dat door het afleggen van tegenstrijdige en inconsequente verklaringen elke overtuigingskracht aan zijn asielrelaas is ontnomen. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn asielrelaas ongeloofwaardig heeft geacht.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser hem heeft misleid. Zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht, heeft eiser aan de KMar valse informatie verstrekt over zijn reisroute, identiteit en zijn visumaanvraag bij de Belgische ambassade. Verweerder heeft de hiervoor door eiser gegeven verklaring, te weten dat hij stress had en in de war was, niet afdoende mogen achten. Het is ook volstrekt onaannemelijk dat deze verklaringen zijn afgelegd doordat eiser te weinig rust- en voorbereidingstijd had. Ter zitting is daarover door eiser ook desgevraagd geen nadere toelichting gegeven. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. De beroepsgrond dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte ook op grond van artikel 30b, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 kennelijk ongegrond heeft verklaard, behoeft daarom geen bespreking meer.

6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het asielrelaas geloofwaardig had moeten achten. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt dat zijn broer vanwege het zijn van Tutsi is ontvoerd. Ook op dit punt heeft eiser ter zitting desgevraagd geen nadere toelichting gegeven, terwijl dat wel van belang is. Eisers broer kan immers ook om een andere reden zijn ontvoerd.

Verweerder heeft ook in aanmerking mogen nemen dat niet valt in te zien dat de personen die eiser op 7 mei 2017 telefonisch zouden hebben bedreigd, ruim acht maanden wachten om vervolgens eiser wederom telefonisch te bedreigen. Daarbij komt ook nog dat de personen die eiser hebben bedreigd op de hoogte waren van het woonadres van eiser, waar hij overdag verbleef.

Meetoetsen 8 EVRM

7. Eiser heeft verklaard dat hij op 3 juli 2015 is getrouwd met [naam 2], van Congolese nationaliteit, uit welk huwelijk op 31 oktober 2017 [naam 3] is geboren. [naam 2] is uitgenodigd vluchteling en zij verblijft samen met [naam 3] op basis van een verblijfsvergunning asiel in Nederland.

8.1

Met het bestreden besluit heeft verweerder eiser niet ambtshalve in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het bestreden besluit is daartoe het volgende overwogen:

Betrokkene heeft verder aangevoerd dat hij aanspraak maakt op een ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM. Ter onderbouwing van de gezinsband die betrokkene zegt met een in Nederland verblijvende vrouw en een in Nederland verblijvend kind heeft [de rechtbank begrijpt: te hebben], heeft betrokkene verschillende originele documenten overgelegd. De verschillende huwelijksdocumenten zijn naar Bureau Documenten van de IND gestuurd. Deze documenten zijn op dit moment nog niet onderzocht, wel wordt voor alsnog van de authenticiteit van deze documenten uitgegaan voor de ambtshalve beoordeling van artikel 8 EVRM.

In onderhavige zaak is weliswaar gesteld dat betrokkene een vrouw en kind in Nederland heeft waarmee hij familieleven wenst uit te oefenen, maar niet is gebleken dat er sprake is van een inmenging in de zin van artikel 8 EVRM. Immers, betrokkene heeft eerder, terwijl hij zijn vrouw al in oktober 2014 heeft leren kennen en met haar is getrouwd in juli 2015, ook geen gezinsleven met haar uitgeoefend in Nederland. Dit geldt eveneens voor de in oktober

2017 geboren zoon van betrokkene, die heeft betrokkene immers zelfs nog nooit in het echt ontmoet. Omdat er eerder ook geen hecht gezinsleven is geweest en betrokkene klaarblijkelijk de afgelopen jaren ook zonder zijn gezin heeft geleefd in Rwanda, kan in de onderhavige zaak niet gesproken worden van inmenging in de zin van artikel 8 EVRM. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het betrokkene vrij staat om het recht op gezinsleven in Rwanda (of eventueel elders in de wereld) uit te oefenen. In Rwanda kan betrokkene immers ook voor zijn vrouw en kind een verblijfsvergunning aanvragen.

Het is voor de vrouw (en het kind) van betrokkene mogelijk om een verblijfsvergunning, een zogeheten m1-vergunning, aan te vragen in Rwanda, op grond van het huwelijk met zijn Rwandese echtgenoot. De vrouw van betrokkene kan immers worden aangemerkt als ‘afhankelijk van een Rwandees’. Voor de exacte voorwaarden wordt verwezen naar de website van de Rwandese overheid. Ook wordt hier verwezen naar de Rwandese

vreemdelingenwet en het Ministerieel Decreet (waarin die wet wordt uitgelegd). Nu betrokkene ook met zijn gezin in Rwanda, het land waarvan hij de nationaliteit heeft, kan wonen, wordt aan betrokkene derhalve ook geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM verleend.

Wel wordt in dit kader gebruik gemaakt van de in het achtste lid van artikel 66a van de Vreemdelingenwet neergelegde mogelijkheid om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

8.2

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de primaire stellingname van verweerder is dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote en evenmin tussen eiser en zijn zoon. Subsidiair levert het weigeren van verblijf aan eiser geen strijd op met artikel 8 van het EVRM. Ter onderbouwing van dat subsidiaire standpunt verwijst verweerder naar pagina 8 van het bestreden besluit, waar is ingegaan op de mogelijkheden voor de echtgenote en zoon van eiser om een verblijfsvergunning aan te vragen in Rwanda op grond van het huwelijk tussen eiser en zijn echtgenote. Dat de echtgenote van eiser een uitgenodigd vluchtelinge is, heeft eiser niet onderbouwd. Verweerder heeft ook nog opgemerkt dat de asielprocedure niet de geëigende weg is om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM aan te vragen.

9. Eiser voert aan dat verweerder zich tot taak heeft gesteld ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder mag zich daar niet makkelijker van afmaken indien hij de vreemdeling ervan verdenkt dat de asielaanvraag is ingediend om toegang tot Nederland te verkrijgen. De beoordeling van artikel 8 van het EVRM behoeft een zelfstandige afweging. Eiser heeft in de zienswijze en in de gronden van het beroep benadrukt dat zijn echtgenote een uitgenodigd vluchtelinge is. Daar is verweerder ten onrechte in het geheel niet op ingegaan. Volgens eiser heeft verweerder de relevante feiten en omstandigheden onvoldoende onderzocht en gewogen, waardoor schending van artikel 8 van het EVRM aan de orde is.

10. De rechtbank stelt voorop dat het beoordelingskader bij een meetoets niet afwijkt van dat bij een reguliere aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM.

In het bestreden besluit is verweerder uitgegaan van het huwelijk tussen eiser en zijn echtgenote en dat [naam 3] zijn biologische kind is. Gelet op de toelichting ter zitting trekt verweerder niet (meer) in twijfel dat sprake is van family-life, maar is verweerder van oordeel dat dat niet beschermenswaardig is.

De rechtbank kan verweerder daarin echter niet volgen, indien op basis van de overgelegde akten moet worden aangenomen dat eiser de biologische vader van [naam 3] is. Eiser heeft bovendien ook ter zitting benadrukt dat het huwelijk tussen [naam 2] en hem wel degelijk feitelijk invulling heeft gekregen tijdens hun gezamenlijk verblijf in Oeganda, waar [naam 3] is verwekt.

Waarom dan van beschermenswaardig familieleven geen sprake is, blijkt nergens uit.

11. Dat betekent dat verweerder onder artikel 8 van het EVRM een afweging dient te maken. Daarbij kan van belang zijn of al dan niet sprake is van een inmenging, maar ook andere elementen kunnen van gewicht zijn, zoals bijvoorbeeld de vraag of en zo ja hoe de [naam 2] en [naam 3] een verblijfsvergunning kunnen aanvragen in Rwanda op grond van het huwelijk tussen eiser en diens echtgenote.

Van de zijde van eiser is er echter herhaaldelijk met name gewezen dat zijn echtgenote in Nederland verblijft als uitgenodigd vluchteling vanuit Rwanda. Dat element is door verweerder in het geheel niet in de afweging betrokken. Aan dit punt kan echter bepaald niet op voorhand alle relevantie worden ontzegd. Voor zover verweerder meent dat dit element niet relevant is omdat het door eiser niet is onderbouwd, had het op de weg van verweerder gelegen om ten minste aan eiser duidelijk te maken dat een onderbouwing hiervan noodzakelijk was, nog daargelaten dat verweerder ook zelf mogelijkheden heeft tot onderzoek van de feitelijke juistheid van dit punt.

Verweerder heeft ten onrechte nagelaten hiernaar verder onderzoek te doen.

Conclusie

12. Gelet op wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 10 en 11 heeft overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

13. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL18.5196,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL18.5197,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

griffier rechter, tevens voorzieningenrechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.