Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4942

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
NL18.6486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding, geen procesbelang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.6486


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 april 2018 in de zaak tussen


[de man] , eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Zevenbergen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring van 31 maart 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Motivering

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring op 6 april 2018 is opgeheven in verband met vormfouten. De gemachtigde van eiser voert aan dat de bewaring van begin af aan onrechtmatig is geweest en verzoekt op grond van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) over de periode van 31 maart 2018 tot 6 april 2018 om schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet ter zitting aanwezig is. Nu de bewaring is opgeheven en eiser niet op zitting aanwezig is, heeft de rechtbank op zitting aan de gemachtigde van eiser de vraag voorgelegd of eiser nog prijs stelt op het voortduren van deze beroepsprocedure en, in dat verband, of hij nog contact heeft gehad met eiser hierover. De gemachtigde heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij sinds de opheffing van de bewaringsmaatregel geen contact meer heeft gehad met eiser. De gemachtigde heeft daarbij aangegeven dat hij eiser een kaartje heeft gegeven met daarop zijn contactgegevens, maar dat eiser geen contact met hem heeft opgenomen. Verder heeft de gemachtigde verklaard niet te weten waar eiser is en dat hij geen telefoonnummer van hem heeft zodat hij ook geen contact met eiser kan opnemen. De mededeling van verweerder ter zitting dat uit het dossier blijkt dat eiser vaak in het [park] in Amsterdam verblijft is voor de gemachtigde van eiser onvoldoende concreet om daar op zoek te gaan naar eiser. De gemachtigde heeft desgevraagd ook naar voren gebracht dat hij geen schorsing van het onderzoek ter zitting wenst om te bezien of hij nog contact met eiser zou kunnen verkrijgen. Volgens de gemachtigde heeft hij geen mogelijkheden om contact met eiser op te nemen.

Gelet op al het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen prijs meer stelt op het voortzetten van deze beroepsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit tot de conclusie dat hangende de beroepsprocedure het procesbelang van eiser aan het verder voeren van deze procedure is komen te ontvallen. De rechtbank verklaart het beroep van eiser dan ook niet-ontvankelijk.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van M.M.J. Mooijer, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Dit document is digitaal ondertekend. U kunt controleren of het daadwerkelijk van de Rechtspraak afkomstig is en of het niet is aangepast. Heeft u het digitaal ontvangen, dan controleert u dit via https://validatie.justid.nl. Heeft u het document op papier, dan kunt u dit navragen bij de balie van de rechtbank.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen [*]termijn na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.