Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4936

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6371
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven, 'eigen aandeel'

Wetsverwijzingen
Wet schadefonds geweldsmisdrijven 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6371

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),

en

het Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigden: M. Smajic en M.K. Kanselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 4 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 15 januari 2016 is eiser mishandeld voor de woning van zijn toenmalige vriendin. Eiser heeft daarbij breuken aan de oogkas, neus en kaakholte opgelopen. De dader is wegens deze mishandeling strafrechtelijk veroordeeld wegens poging tot doodslag.

2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser een eigen aandeel had in de aanleiding van het geweldsmisdrijf aangezien hij in conflict raakte met zijn vriendin en deze laatste in het bijzijn van de dader heeft bespuugd en uitgescholden, waardoor de dader hierin betrokken is geraakt. Voorts speelde de situatie zich af tegen de achtergrond van stevig drugsgebruik door eiser, zijn vriendin en de dader. Voorts is gebleken dat eiser als eerste geweld gebruikte tegen de dader door met sleutels naar hem te gooien.

Een korting op de uitkering acht verweerder niet passend, omdat geen sprake is van zeer ernstig letsel.

3.1

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) kunnen uitkeringen uit het fonds worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

3.2

Op grond van artikel 5 van de Wsg kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.

4 De rechtbank stelt voorop dat uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg door de rechtbank terughoudend moet worden getoetst, aangezien een beslissing over een uitkering uit het schadefonds berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit geldt tevens voor de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5 van de Wsg.

5 Verweerder heeft het beleid ten aanzien van ‘eigen aandeel’ vastgelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ten tijde van het bestreden besluit gold de Beleidsbundel van 1 maart 2017.

Paragraaf 1.4.1 van de Beleidsbundel luidt voor zover van belang als volgt.

Een uitkering kan achterwege blijven of op een lager bedrag worden bepaald, als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer is toe te rekenen. Dit wordt het ‘eigen aandeel’ van het slachtoffer genoemd en staat in artikel 5 van de Wet.

De gedachte achter deze bepaling is dat het Schadefonds is opgericht om mensen, die buiten hun schuld slachtoffer worden van geweld, een financiële tegemoetkoming te bieden in hun schade. Als het slachtoffer een eigen aandeel heeft in het geweld is deze tegemoetkoming in principe niet passend, omdat deze moet worden gezien als een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. De tegemoetkoming wordt namelijk gefinancierd uit gemeenschapsgeld.

Voor de beoordeling van het eigen aandeel gaat het Schadefonds na of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten voorkomen. Hierbij kijkt het of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten.

Als sprake is van een eigen aandeel, kan het Schadefonds een aanvraag volledig afwijzen of de uitkering op een lager bedrag vaststellen. Als het Schadefonds de uitkering op een lager bedrag vaststelt, kan het 25%, 50% of 75% toekennen van de uitkering die het slachtoffer had gekregen als hij geen eigen aandeel zou hebben gehad.

(…) Of het Schadefonds een aanvraag volledig afwijst of de uitkering op een lager bedrag vaststelt, bepaalt het uiteindelijk aan de hand van de aard en de ernst van het verwijt dat het slachtoffer kan worden gemaakt, bezien in het licht van het geweld dat tegen hem is gebruikt. Hierbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval.

Als het slachtoffer als eerste geweld heeft gebruikt, en de dader hier een gelijkwaardige reactie op heeft gegeven (dus geen disproportioneel geweld van de dader), dan wijst het Schadefonds een aanvraag volledig af. Als het geweld van de dader niet in verhouding staat tot wat het slachtoffer te verwijten valt en het slachtoffer zeer ernstig letsel heeft opgelopen (in beginsel letselcategorie 4 of hoger), dan wordt het geweld van de dader als disproportioneel aangemerkt. Het uitgangspunt is dan dat 50% van de uitkering wordt toegekend.

De rechtbank acht dit beleid van verweerder in beginsel niet onredelijk.

6 De rechtbank stelt voorop dat een uitkering uit het schadefonds een financiële tegemoetkoming is die niet tot doel heeft het slachtoffer volledig schadeloos te stellen, maar vooral een uiting is van solidariteit van de samenleving naar het slachtoffer. Voorts geldt dat de rechtbank het besluit van verweerder slechts terughoudend kan toetsen, nu het toekennen van uitkeringen uit het Schadefonds een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft.

Niet in geschil is dat voorafgaand aan het tegen eiser gepleegde geweld in de woning van zijn toenmalige vriendin een hoogoplopende ruzie tussen eiser en deze vriendin heeft plaatsgevonden, waarbij hij haar onder meer heeft bespuugd en uitgescholden. De dader was daarbij als derde persoon aanwezig, maar greep niet direct in. Eiser heeft er niet voor gekozen de woning eerder te verlaten tijdens de ruzie met zijn vriendin. Terwijl de ruzie enige tijd voortduurde en de dader hem uiteindelijk (verbaal) maande ermee te stoppen is eiser overgegaan tot het gooien van een sleutelbos naar de dader en wilde hij de woning verlaten. Daarop heeft de dader hem aangevallen en op de galerij voor de woning mishandeld. Vervolgens is de dader de woning weer binnen gegaan. De vriendin heeft daarop de politie gebeld. Eén en ander vond plaats na uitgebreid harddruggebruik (cocaïne en alcohol) door zowel eiser, de dader, als eisers toenmalige vriendin.

De rechtbank is gezien deze omstandigheden in samenhang bezien van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan eiser is toe te rekenen en hij derhalve hierin een eigen aandeel heeft gehad.

Door verweerder wordt niet betwist dat het door de dader gebruikte geweld disproportioneel was. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er voor een (gedeeltelijke) uitkering sprake moet zijn van zeer ernstig letsel, te weten letsel in de letselcategorie 4 of hoger.

Niet is gebleken van letsel in categorie 4. Er is door eiser geen medische informatie overgelegd die onderbouwt dat er ander of ernstiger letsel is op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat indeling in categorie 4 op haar plaats is.

Dat het - gezien de aard van het door de dader toegepaste geweld - veel erger had kunnen uitpakken voor eiser, doet daar niet aan af.

7 Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in overeenstemming met haar beleid de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Omstandigheden die maken dat verweerder had moeten afwijken van dit beleid, zijn de rechtbank niet gebleken.

8 Het beroep is ongegrond.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.