Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4917

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
NL17.13382 en NL17.13384
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Relocatiebesluit herverdeling asielzoekers uit Italië en Griekenland.

Italië heeft Nederland verzocht de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers over te nemen ogv het Relocatiebesluit. Nederland heeft dat geaccordeerd, maar na het gehoor van eisers in Italië alsnog geweigerd ogv de openbare orde en nationale veiligheid. De weigering van het relocatieverzoek van Italië is geen besluit waar een rechtsmiddel voor eisers tegen openstaat. Eisers kunnen wel rechtsmiddelen wenden tegen het relocatiebesluit dat Italië heeft genomen, maar niet in Nederland. Het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Italië is ogv de Dublinverordening dus verantwoordelijk voor de asielaanvragen van eisers. Geen sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure.

Verweerder heeft in de medische omstandigheden van eiseres en de gang van zaken omtrent het relocatieverzoek in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de aanvragen vrijwillig aan zich te trekken ogv artikel 17 van de Dublinverordening.

Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.13382 ([eiser]) en NL17.13384 ([eiseres])


uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2018 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Eritrese nationaliteit, eiser,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 2] , van Eritrese nationaliteit, eiseres,

hierna tezamen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 22 november 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht aan Italië te verbieden totdat op de beroepen is beslist (zaaknummers NL17.13383 en NL17.13385).

De beroepen en de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn aan de orde gesteld op de zitting van de enkelvoudige kamer op 20 december 2017. Partijen waren niet aanwezig. De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen geschorst en de zaken verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Bij uitspraak van

21 december 2017 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. De beroepen van eisers zijn gevoegd behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk in de taal Tigrinya is verschenen A. Hidad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Aanloop naar de asielaanvraag in Nederland

1. Op 3 september 2016 zijn eisers Italië illegaal ingereisd en hebben daar op

7 september 2016 asiel gevraagd. Op 8 maart 2017 heeft Italië Nederland verzocht om eisers over te nemen in het kader van het Europese relocatieprogramma op grond van het Relocatiebesluit1. Op 30 maart 2017 heeft verweerder namens Nederland de Italiaanse verzoeken per e-mail geaccordeerd. Op 31 maart 2017 heeft Italië besluiten genomen tot herplaatsing van eisers naar Nederland. Deze besluiten zijn op 11 april 2017 aan eisers uitgereikt.

2. Op 21 april 2017 zijn eisers in Italië gehoord door een gehoormedewerker van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Op 22 april 2017 zijn de relocatieverzoeken van Italië alsnog afgewezen door verweerder op grond van de openbare orde en de nationale veiligheid (artikel 5, zevende lid, van het Relocatiebesluit). Verweerder heeft dit gemotiveerd onder verwijzing naar de verklaringen van eiser tijdens het gehoor dat hij, kort gezegd, gedurende tien jaar in het Eritrese leger heeft gediend, dat hij heeft gevochten in het door de internationale gemeenschap veroordeelde gewapende conflict tussen Eritrea en Ethiopië, dat hij de grens tussen Eritrea en Ethiopië heeft bewaakt waarbij er ‘shoot to kill’ bevelen waren voor mensen die de grens probeerden over te steken en dat gearresteerde grensoverstekers werden overgedragen aan de militaire politie, waarvan eiser aangaf dat die verantwoordelijk is voor marteling en mishandeling. Volgens verweerder kunnen eisers activiteiten mogelijk worden aangemerkt als misdaden tegen de menselijkheid en het faciliteren van marteling, wat gronden zijn voor uitsluiting van het Vluchtelingenverdrag. Daarom heeft verweerder de verzoeken van Italië alsnog afgewezen.

3. Eisers zijn door Italië niet overgedragen aan Nederland. Eisers zijn vervolgens op eigen gelegenheid naar Nederland gereisd. Op 3 augustus 2017 hebben zij in Nederland onderhavige asielaanvragen ingediend.

De bestreden besluiten

4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen van eisers op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit volgt uit de Dublinverordening2. Verweerder heeft de autoriteiten van Italië op 24 augustus 2017 gevraagd om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op

1 september 2017. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in Italië geen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen

die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, tweede volzin, van de Dublinverordening. Verweerder ziet ook geen aanleiding om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvragen van eisers aan zich te trekken. In het geval van eisers is geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt dan wel dat de behandeling van de asielaanvragen door Nederland in de rede ligt.

Het standpunt van eisers

5. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren samengevat het volgende aan. Eisers beroepen zich op het vertrouwensbeginsel. Zij hadden het gerechtvaardigde vertrouwen dat zij zouden worden overgedragen, waardoor Nederland volgens hen verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers, dan wel waardoor Nederland toepassing moet geven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verder voeren eisers aan dat verweerder het Italiaanse herplaatsingsverzoek niet alsnog heeft mogen weigeren op grond van openbare orde en nationale veiligheid. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat daar in het geval van eiser sprake van is. Ook is verweerder op grond van artikel 3, tweede lid, tweede volzin van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvragen, gelet op de tekortkomingen in de asielprocedure in Italië. Tot slot voeren eisers aan dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor overdracht aan Italië getuigt van een onevenredige hardheid. Eisers wijzen daarbij op de medische omstandigheden van eiseres, op de gang van zaken in het kader van het relocatieprogramma en op het feit dat de zus van eiseres in Nederland woonachtig is. Verweerder had hierin aanleiding moeten zien de behandeling van de aanvragen aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

Wettelijk kader

6. De relevante wet- en regelgeving is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen en maakt hiervan onderdeel uit.

Beoordeling door de rechtbank

7.1

Eisers hebben aangevoerd dat verweerder de herplaatsing van eisers ten onrechte heeft geweigerd. Gelet op deze beroepsgrond ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of deze weigering een appellabel besluit is.

7.2

De rechtbank stelt vast dat de Italiaanse autoriteiten op 31 maart 2017 ten aanzien van eisers herplaatsingsbesluiten hebben genomen in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Relocatiebesluit. Aan de besluiten ligt ten grondslag dat Nederland schriftelijk met de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag had ingestemd. In de besluiten staat verder dat eisers zullen worden overgedragen aan Nederland, zodra er een akkoord is van de desbetreffende liaison medewerker. Onder deze besluiten staat ook dat hiertegen rechtsmiddelen open staan in Italië. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder op 22 april 2017 op grond van de openbare orde en de nationale veiligheid alsnog heeft geweigerd om de verantwoordelijkheid voor de asielaanvragen van eisers over te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat mocht doen. Op grond van artikel 5, zevende lid, van het Relocatiebesluit mag verweerder herplaatsing weigeren op grond van openbare orde en nationale veiligheid. Uit overweging 26 van de preambule van het Relocatiebesluit volgt dat tijdens de gehele herplaatsingsprocedure, totdat de overbrenging van de verzoeker is voltooid, rekening dient te worden gehouden met de nationale veiligheid en openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verweerder de mogelijkheid heeft om de herplaatsing van eisers te weigeren op grond van de openbare orde en nationale veiligheid tot het moment dat eisers feitelijk zijn overgedragen aan Nederland. In het geval van eisers staat vast dat Nederland de herplaatsing heeft geweigerd voordat eisers zijn overgedragen aan Nederland.

7.3

De rechtbank is verder van oordeel dat uit het Relocatiebesluit niet blijkt dat het weigeren van de herplaatsing door Nederland een appellabele beslissing is. In overweging 30 van de preambule van het Relocatiebesluit is expliciet opgenomen dat eisers wel het recht hebben op een daadwerkelijk rechtsmiddel, maar alleen tegen het herplaatsingsbesluit, wat een overdrachtsbesluit vormt, doch slechts om de eerbiediging van hun grondrechten te waarborgen. In het geval van eisers zijn de herplaatsingsbesluiten genomen door Italië. Eventuele rechtsmiddelen tegen deze besluiten dienen dan ook in Italië te worden aangewend en niet in Nederland. De beroepsgronden van eisers over de gang van zaken in Italië dienen dan ook in eventuele beroepsprocedures aldaar te worden ingebracht. Een oordeel hierover staat ter discretie van de Italiaanse (rechterlijke) autoriteiten. Het is niet aan deze rechtbank om daar een oordeel over te geven. De beroepsgrond van eisers dat verweerder hun herplaatsing ten onrechte heeft geweigerd, zal de rechtbank daarom niet verder bespreken.

8.1

De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

8.2

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling3 volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als maatstaf geldt dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daarvan is in het geval van eisers geen sprake.

8.3

De herplaatsingsbesluiten van 31 maart 2017 zijn genomen door de Italiaanse autoriteiten, niet door verweerder. De stelling van eisers dat die besluiten gelezen moeten worden als een toezegging van de Italiaanse autoriteiten in samenspraak met verweerder en daarom aan verweerder zijn toe te rekenen, volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt nergens dat Italië deze herplaatsingsbesluiten heeft genomen mede namens verweerder. Dat de herplaatsingsbesluiten tot stand zouden zijn gekomen na intensieve communicatie tussen liaison medewerkers van Italië en Nederland, zoals eisers ter zitting hebben betoogd, voor zover hiervan moet worden uitgegaan, maakt nog steeds niet dat sprake is van een concrete, ondubbelzinnige toezegging van verweerder dat eisers zouden worden overgedragen aan Nederland. Daarbij komt dat in de herplaatsingsbesluiten een duidelijk voorbehoud is gemaakt, namelijk dat eisers pas zullen worden overgedragen aan Nederland, zodra er een akkoord is van de betreffende liaison medewerker. Aan dat voorbehoud is nimmer voldaan, omdat verweerder de herplaatsing van eisers heeft geweigerd.

8.4

De reactie van de medewerker van de IND aan het einde van het gehoor van eiser op

eisers woorden “Tot ziens in Nederland”, namelijk: “Dat is goed, ik zie u daar.” is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als een concrete, ondubbelzinnige toezegging van verweerder dat eisers worden overgedragen aan Nederland. Immers, aan het begin van het gehoor is eiser duidelijk gemaakt dat het relocatiegehoor ook zou kunnen leiden tot een afwijzing wanneer er sprake is van gevaar voor de nationale veiligheid. Dat eisers Nederlandse cultuurlessen hebben gevolgd, maakt dat niet anders. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder de herplaatsing van verzoekers de dag na het gehoor heeft geweigerd. Verweerder heeft dus adequaat gehandeld en de Italiaanse autoriteiten eigenlijk direct laten weten dat de herplaatsing geen doorgang zou vinden. Dat de Italiaanse autoriteiten zouden hebben nagelaten eisers hiervan op de hoogte te stellen, is niet iets wat aan verweerder kan worden toegerekend of tot de conclusie zou moeten leiden dat hierdoor door verweerder gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt bij eisers dat hun herplaatsing naar Nederland doorgang zou vinden. Deze gang van zaken is bij uitstek iets waarover eisers in Italië kunnen klagen.

9.1

Eisers voeren verder aan dat zij niet aan Italië kunnen worden overgedragen, omdat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eisers een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Eisers verwijzen ter onderbouwing hiervan naar de publicatie van Vluchtelingenwerk Nederland “Veel gestelde vragen Dublin Italië” van augustus 2017 en de in die publicatie aangehaalde rapporten.

9.2

Verweerder is in de bestreden besluiten uitvoerig ingegaan op de door eisers genoemde rapporten en heeft gemotiveerd waarom uit deze rapporten volgens verweerder niet volgt dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië.

9.3

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid van uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen (jegens eisers) nakomt. Het ligt daarom op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat Italië dit niet doet. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eisers hier niet in zijn geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9.4

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft in verschillende arresten4 geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM5 strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Ook de Afdeling heeft in meerdere uitspraken6 geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

9.5

Uit het door eisers overgelegde document van Vluchtelingenwerk van augustus 2017 komt geen wezenlijk ander beeld naar voren dan in voormelde arresten van het EHRM en de uitspraken van de Afdeling wordt geschetst. Weliswaar geven de in het document van Vluchtelingenwerk genoemde rapporten blijk van dezelfde zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp zoals die ook volgt uit de stukken die in voornoemde jurisprudentie zijn meegenomen, maar bieden de rapporten onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan overdracht aan Italië zonder meer in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De beroepsgrond slaagt niet.

10.1

De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de behandeling van de asielaanvragen van eisers vrijwillig aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar wat zij heeft overwogen ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel. De daar beoordeelde feiten en omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid niet hoeven aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in de rede had gelegen. Dit geldt eveneens voor het feit dat de zus van eiseres in Nederland woonachtig is.

10.2

Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres overweegt de rechtbank dat verweerder ook daarin in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de behandeling van de asielaanvragen aan zich te trekken. Medische omstandigheden zijn op zich onvoldoende om te spreken van een bijzondere omstandigheid. Immers, de medische voorzieningen mogen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten; het

interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat er eveneens vanuit dat de voorzieningen in de lidstaten – indien geïndiceerd- ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien eiseres aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in haar geval niet opgaat.

10.3

Op de zitting heeft eiseres een uitdraai van haar patiëntendossier overgelegd. Op grond daarvan heeft verweerder zich op zitting op het standpunt gesteld dat eiseres dient te worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon. Op grond van artikel 32 van de Dublinverordening zal informatie over de bijzondere behoeften en de fysieke en mentale gezondheidstoestand van eiseres met de Italiaanse autoriteiten worden uitgewisseld door middel van een gezondheidsverklaring. Deze gezondheidsverklaring wordt in opdracht van het Bureau Medische Advisering ingevuld door medisch personeel van FMMU en samen met de medische stukken van eiseres aan Italië gezonden, als eiseres daar toestemming voor geeft. Verder heeft verweerder toegelicht dat hij door de Italiaanse autoriteiten wordt geïnformeerd indien de feitelijke overdracht niet kan plaatsvinden omdat op dat moment niet kan worden voldaan aan de benodigde voorzieningen. Zolang verweerder niet de bevestiging krijgt dat aan de benodigde voorzieningen kan worden voldaan, wordt de overdracht opgeschort. Deze werkwijze is door de Afdeling geaccordeerd7. Er zijn verder geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eiseres te behandelen. Daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat de medische behandeling die zij nodig zou hebben in Italië niet voorhanden is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.G. Vos, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot en mr. D. Bode, leden, in aanwezigheid van mr. N. Vreede. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Relocatiebesluit

Preambule overweging 26:

Tijdens de gehele herplaatsingsprocedure, totdat de overbrenging van de verzoeker is voltooid, dient rekening te worden gehouden met de nationale veiligheid en de openbare orde. Met volledige inachtneming van de grondrechten van de verzoeker, met inbegrip van de relevante regels inzake gegevensbescherming, dient een lidstaat, wanneer hij redelijke gronden heeft om een verzoeker als een gevaar voor de nationale veiligheid of openbare orde te beschouwen, de andere lidstaten daarvan in kennis te stellen.

Preambule overweging 30:

De wettelijke en procedurele waarborgen waarin Verordening (EU) nr. 604/2013 voorziet, blijven van toepassing op de verzoekers op wie dit besluit betrekking heeft. Voorts moeten verzoekers op de hoogte worden gebracht van de in dit besluit omschreven herplaatsingsprocedure en in kennis worden gesteld van het herplaatsingsbesluit, dat een overdrachtsbesluit vormt in de zin van artikel 26 van Verordening (EU) nr. 604/2013. Aangezien een verzoeker krachtens het Unierecht niet het recht heeft om te kiezen welke lidstaat zijn verzoek zal behandelen, dient de verzoeker overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013 het recht te hebben op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen het herplaatsingsbesluit, doch slechts om de eerbiediging van zijn grondrechten te waarborgen. In overeenstemming met artikel 27 van deze verordening, kunnen de lidstaten in hun nationale recht bepalen dat het beroep tegen het overdrachtsbesluit niet automatisch tot de opschorting van de overdracht van de verzoeker leidt, maar dat de betrokkene de gelegenheid heeft om te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep.

Artikel 5, vierde lid:

Na goedkeuring van de lidstaat van herplaatsing nemen Italië en Griekenland in overleg met het EASO zo spoedig mogelijk een besluit tot herplaatsing van elk van de geselecteerde verzoekers in een specifieke lidstaat van herplaatsing en stellen zij de verzoeker daarvan in kennis overeenkomstig artikel 6, lid 4. De lidstaat van herplaatsing mag slechts besluiten tot niet-goedkeuring van de herplaatsing van verzoekers indien er redelijke gronden zijn als bedoeld in lid 7 van dit artikel.

Artikel 5, zevende lid:

De lidstaten behouden het recht om de herplaatsing van een verzoeker te weigeren uitsluitend indien er redelijke gronden zijn om hem als een gevaar voor hun nationale veiligheid of openbare orde te beschouwen of indien er ernstige redenen zijn om de bepalingen inzake uitsluiting als vastgelegd in de artikelen 12 en 17 van Richtlijn 2011/95/EU toe te passen.

Dublinverordening

Artikel 3, tweede lid, tweede volzin:

Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Artikel 17, eerste lid, eerste volzin:

In afwijking van artikel 3, lid 1, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

1 Het besluit van de raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland EU 2015/1523.

2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

3 Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1636, en 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:302.

4 Zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland.

5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6 Zie onder meer de uitspraken van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278, 16 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2533, 9 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3291, 16 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:73, 7 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:971 en van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454.

7 Zie de uitspraak van 17 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1304.