Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
NL18.6637, NL18.6639, NL18.6641 en NL18.6643
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenwet, asiel, asielrelaas ongeloofwaardig, Georgië veilig land van herkomst, artikel 64 (behandeling feitelijk toegankelijk)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.6637, NL18.6639, NL18.6641 en NL18.6643


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], eiser 1, V-nummer [V-nummer],

[eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer [V-nummer],

[eiseres 2] , eiseres 2, V-nummer [V-nummer],

en

[eiser 2] , eiser 2, V-nummer [V-nummer],

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 maart 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) afgewezen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten gezamenlijk beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2018.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M.K. Abashidze. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser 1 (vader) is geboren op [geboortedatum] 1969 , eiseres 1 (moeder) is geboren op [geboortedatum] 1976, eiser 2 (zoon) is geboren op [geboortedatum] 1995 en eiseres 2 (dochter) is geboren op [geboortedatum] 1999. Eisers zijn allen Burger van Georgië.

2. Eiser 1 heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser 1 is in Georgië lastiggevallen door de criminele bende van de gebroeders [naam] die hem wilde afpersen. Dit begon in mei 2014. Nadat eiser 1 herhaaldelijk heeft geweigerd hen geld te geven, is hij door één van de bendeleiders neergestoken. Ook nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen bleef de bende hem en zijn familie bedreigen en intimideren. Na een tijdje ondergedoken te hebben gezeten, is hij samen met zijn gezin op 16 oktober 2015 uit Geogië vertrokken, aldus eiser 1.

Eiser 2 heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De dag nadat zijn vader, eiser 1, was opgenomen in het ziekenhuis, is eiser 2 door de broer van diegene die eiser 1 heeft neergestoken, gebeld om ergens af te spreken. Hij is daar door die broer en diens vrienden in elkaar geslagen, nadat hij had aangegeven dat hij het niet eens was met het feit dat zijn vader geen aangifte zou moeten doen. Eiser 2 is daarna in het ziekenhuis behandeld aan een gebroken neus en gesprongen lip. Een week later is zijn vader ontslagen uit het ziekenhuis. In januari 2015 is eiser 2 twee keer bezocht bij de universiteit door de gebroeders [naam], danwel door vrienden van hen, met de vraag waarom zijn vader nog niet had betaald en wanneer hij dat ging doen. Omdat eiser 1 van de politie had gehoord dat aangifte weinig nut zou hebben, is besloten dat eiser 2 en eiseres 2 bij hun oom en opa zouden verblijven in het dorp [dorp]. In de tussentijd bereidden eiser 1 en eiseres 1 hun vertrek uit Georgië voor. In oktober 2015 hebben zij Georgië verlaten en bij terugkeer vreest eiser 2 wederom slachtoffer te worden van dezelfde criminelen, aldus eiser 2.

3. Verweerder heeft met toepassing van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw de aanvragen als kennelijk ongegrond afgewezen. Als relevante elementen van het asielrelaas van eiser 1 worden door verweerder onderscheiden:

- eiser 1 heeft verklaard dat hij de Georgische nationaliteit heeft en dat hij van 1995 tot 2015 in [stad] heeft gewoond;

- eiser 1 heeft verklaard dat hij in [stad] is bedreigd en neergestoken door twee criminele broers, [broer 1] en [broer 2].

Als relevante elementen van het asielrelaas van eiser 2 worden door verweerder onderscheiden:

- eiser 2 stelt dat hij [eiser 2] heet, de Georgische nationaliteit bezit en in [stad], Georgië is geboren;

- eiser 2 stelt dat hij problemen zou hebben gehad met de gebroeders [naam]. Eiser 2 zou zijn mishandeld door [broer 2] en de andere broer, [broer 1], zou zijn vader hebben neergestoken.

Als relevante elementen van de asielrelazen van eiseressen 1 en 2 worden door verweerder onderscheiden:
- eiseres 1 heeft verklaard te zijn geboren [geboortedatum] 1976 en Burger van Georgië te zijn;

- eiseres 2 is genaamd [eiseres 2], geboren op [geboortedatum] 19999 en Burger van Georgië;

- eiseres 1 en 2 hebben hun land van herkomst verlaten vanwege de problemen van eisers 1 en 2.

Verweerder heeft de gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de gestelde bedreiging en mishandeling van zowel eiser 1 als van eiser 2 ongeloofwaardig geacht.

Verweerder heeft voorts aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat Georgië wordt aangemerkt als een veilig land van herkomst. Er bestaat derhalve een algemeen rechtsvermoeden dat in Georgië geen vervolging dreigt of andere risico’s als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval niet van dat rechtsvermoeden kan worden uitgegaan.
Verweerder heeft verder geen aanleiding gezien eisers uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw, in verband met de medische situatie van eiseres 2. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voor eiseres 2 benodigde medische zorg in Georgië niet voor haar toegankelijk is, aldus verweerder.

4. Eisers hebben de bestreden besluiten gemotiveerd betwist.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het asielrelaas.

5.1

Voor zover eisers medische stukken ten aanzien van de ziekenhuisopname van eiser 1 in Georgië hebben overgelegd, wordt overwogen dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat daaraan, nu dit kopieën zijn en daarom niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, niet de waarde kan worden gehecht die eisers daaraan wensen te zien. Anders dan eisers betogen blijkt daaruit niet dat verweerder de stukken niet conform Werkinstructie 2014/10 bij de beoordeling heeft betrokken. Daarin staat immers dat bij de beoordeling welke waarde aan documenten gehecht kan worden, onder andere de vraag of het een origineel, echt bevonden document betreft, een rol speelt.

Ten aanzien van het Nederlandse patiëntendossier, waarin staat dat eiser 1 in 2014 links onder in zijn buik is gestoken, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat deze informatie is opgenomen op aangeven van eiser 1 en dat de enkele omstandigheid dat eiser een verwonding aan zijn buik heeft, niets zegt over de toedracht daarvan.

5.2

Eisers hebben verklaard grote angst te hebben voor de gebroeders [naam] en dat niemand, zelfs niet collectief, aangifte tegen hen durft te doen. Verweerder heeft het dan ook niet ten onrechte ongerijmd geacht dat eiser 2, gelet op die gestelde vrees, een dag nadat zijn vader zou zijn neergestoken door [broer 1], een afspraak zou maken met diens broer, [broer 2]. Eiser 2 zou toen door [broer 2] en diens handlangers zijn mishandeld, waarbij eiser 2 een gebroken neus heeft opgelopen. Voorts heeft verweerder de verklaringen van eiser 1 dat [broer 1] zich na het steekincident een tijdje zou hebben schuilgehouden en dat eiser 1 bij een ontmoeting daarna verwachtte dat [broer 1] zijn verontschuldigen zou willen aanbieden, ongerijmd mogen achten met het door eiser 1 geschetste beeld over de verstrekkende macht van de gebroeders [naam]. De omstandigheid dat eiser 1 hem onder andere door zijn ziekenhuisopname en herstel een tijd niet had gezien, maakt dat, gelet op de gestelde vrees en ervaringen met de gebroeders [naam], niet anders. Ook de omstandigheid dat verweerder heeft gesproken van ongerijmde ‘wendingen’, terwijl wendingen volgens eisers alleen kunnen zien op gebeurtenissen en niet op veronderstellingen, doet aan de ongerijmdheid van die verklaringen niet af.

Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de asielrelazen van eisers tegenstrijdigheden bevatten. Zo hebben eisers verschillende verklaringen gegeven over de al dan niet gedane aangifte door eiser 1 nadat hij was neergestoken. Zo heeft eiser 1 verklaard dat hij de politie heeft verteld wat hem is overkomen, maar dat hem door de politieagenten zou zijn geadviseerd om zijn verklaring aan te passen en dat de politie vervolgens zelf een verklaring heeft verzonnen. Terwijl eiser 2 heeft verklaard dat eiser 1 zou hebben gezwegen en niet zou hebben verteld wat de reden was van zijn verwondingen. Ook ten aanzien van het taxivervoer naar het ziekenhuis hebben eisers tegenstrijdig aan elkaar verklaard. Zo heeft eiser 1 eerst verklaard dat een kennis een taxi heeft aangehouden, maar daarna verklaard dat hij zelf een taxi heeft gebeld. Eiseres 1 heeft verklaard dat ze in de wijk een taxi hebben gestopt en eiser 2 heeft eerst verklaard dat eiser 1 zelf een taxi heeft aangehouden en daarna dat eiser 1 een bevriende taxi zou hebben gebeld. Voorts heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat in het Georgische patiëntendossier van eiser 1 staat dat hij door naasten naar de kliniek is gebracht. Verder heeft eiser 1 verklaard dat eiser 2 door [broer 2] zou zijn mishandeld na een toevallige ontmoeting, terwijl eiser 2 heeft verklaard dat dit is gebeurd nadat zij telefonisch een afspraak hadden gemaakt. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eisers mag worden verwacht dat zij, mede gelet op het tijdsverloop, onderling hebben gesproken over de oorzaak van hun vertrek uit Georgië en daar dan ook eenduidig over kunnen verklaren. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheid dat de verklaringen van eisers op de hoofdlijnen wellicht overeenkomen, maar dat de genoemde tegenstrijdigheden, die essentiële onderdelen betreffen, afbreuk doen aan de geloofwaardigheid.

5.3

Gelet op voorgaande heeft verweerder de asielrelazen van eisers niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hetgeen eisers daar verder tegen hebben aangevoerd kan daaraan niet afdoen.

5.4

Nu uit voorgaande blijkt dat verweerder de gestelde problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Georgië ten aanzien van hen niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst en bestond er voor verweerder voorts geen aanleiding te beoordelen of er een risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer van eisers naar Georgië.

Nu Georgië ook voor eisers heeft te gelden als veilig land van herkomst heeft verweerder de aanvragen als kennelijk ongegrond mogen afwijzen, als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Hetgeen eisers hebben betoogd ten aanzien van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, behoeft dan ook geen bespreking.

Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres 2.

6. Verweerder heeft aan de weigering eisers op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te verlenen in verband met de medische situatie van eiseres 2 het medisch advies van 15 september 2017 van Bureau Medische Advisering (hierna: BMA-advies) ten grondslag gelegd. Daarin staat dat eiseres 2 klachten heeft van angst en paniek in de nacht, wakker worden met hartkloppingen, gevoel te stikken en moeite hebben met de ademhaling te controleren. Eiseres 2 klaagt over concentratie- en geheugenproblemen en is verder alert, prikkelbaar, trekt zich terug en heeft eetbuien. Men noemt als diagnose primair de identiteits- en levensfase problematiek alsmede angst- en paniekstoornis. Men overweegt PTSS. Eiseres 2 heeft tijdens een eerder verblijf in Zweden haar polsen gekrast, verder in augustus 2016 tabletten ingenomen en in juni 2017 weer haar pols gesneden. Na de intake in november 2016 is behandeling in februari 2017 gestart. Bij uitblijven van de genoemde behandeling wordt verwacht dat een medische noodsituatie zich op korte termijn zal voordoen, maar de noodzakelijke medische behandeling is in het land van herkomst aanwezig, aldus het BMA‑advies.

6.1

Ten aanzien van het beroep op het arrest Paposhvili wijst de rechtbank op het volgende. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in drie uitspraken van 28 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017: 2627, ECLI:NL:RVS:2017:2628 en ECLI:NL:RVS:2017:2629) een nadere uitleg gegeven van dit arrest en hoe de toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg bij de beoordeling dient te worden betrokken. De Afdeling leidt uit r.o. 186 van het arrest Paposhvili af dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken ('to adduce evidence capable of demonstrating') dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Indien de vreemdeling dit bewijs heeft geleverd is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen ('to dispel any doubts', r.o. 187), door de algemene situatie in het land van herkomst en de individuele omstandigheden waarin de vreemdeling verkeert zorgvuldig te onderzoeken in het licht van de gezondheidszorg in het land van herkomst in het algemeen en de individuele omstandigheden waarin de vreemdeling verkeert. In r.o. 190 van het arrest Paposhvili is overwogen dat de nationale autoriteiten ook de mate van daadwerkelijke toegang voor de vreemdeling tot de in de ontvangende staat beschikbare zorg moeten bezien. Bij de inschatting daarvan moeten de specifieke omstandigheden, zoals de kosten van medicatie en behandeling, de aanwezigheid van een sociaal netwerk en de reisafstand om de benodigde zorg te verkrijgen, worden betrokken. Indien na het verrichten van dit onderzoek serieuze twijfel blijft bestaan, is het aan de nationale autoriteiten om garanties te vragen aan het land van herkomst omtrent de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de medische zorg die toereikend zijn om een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie te voorkomen. Het EHRM benadrukt dat de toepasbaarheid van artikel 3 van het EVRM op zichzelf niet geactiveerd wordt door een gebrek aan medische voorzieningen in het land van herkomst en dat er geen verplichting is van de uitzettende staat om de ongelijkheid in het niveau van de zorg tussen die staat en het land van herkomst op te vangen door gratis en onbeperkte gezondheidszorg te verlenen aan alle vreemdelingen die zonder titel in eerstbedoelde staat verblijven (zie r.o. 191 en 192), zo heeft de Afdeling overwogen

6.2

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers met de door hen overgelegde verklaring van de voormalige werkgever van eiser 1 niet hebben aangetoond wat de hoogte van het inkomen van eiser 1 is geweest. Overige bewijsmiddelen ten aanzien daarvan hebben eisers niet overgelegd. De omstandigheid dat uit algemene informatie blijkt dat het gemiddelde maandinkomen in Georgië € 335,- (410 US Dollar) zou zijn en dat het gestelde inkomen van € 250,- per maand volgens eisers derhalve niet onaannemelijk is, doet daar niet aan af. Verweerder heeft ter zitting erop gewezen dat uit diezelfde algemene informatie blijkt dat het gemiddelde maandinkomen voor de beroepsgroep ‘Electricity, Gas and Water’, waarin eiser 1 werkzaam was, 491 US Dollar was en dat eiser tijdens zijn Eerste Gehoor bovendien heeft verklaard een leidinggevende functie te hebben gehad ([leidinggevende functie] op het [departement] van het internationale vliegveld van [stad]). Dit is door eisers ter zitting niet betwist. Ook heeft verweerder erop gewezen dat eisers in Georgië een koopwoning hadden. Bovendien heeft verweerder, voor zover eisers een lijstje met de behandelingskosten bij [bedrijf] hebben overgelegd, zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat behandeling ook bij andere dan in het BMA-advies genoemde instellingen mogelijk is. Verweerder heeft zich gelet op voorgaande dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de kosten voor de medische behandeling in Georgië niet zouden kunnen betalen, waardoor de medische behandeling feitelijk niet voor eiseres 2 toegankelijk is.

Verweerder heeft er voorts niet ten onrechte op gewezen dat, voor zover eisers hebben verklaard dat zij tot de categorie van mensen met de laagste inkomens van Georgië behoren, juist de arme inwoners zich kwalificeren voor de zogenaamde ‘Medical insurance for the poor’ en vallen onder de regeling die vrijwel alle kosten dekt. Voor zover eisers hebben betoogd dat niet duidelijk is in hoeverre de invoering van de ‘universal healthcare’ in de praktijk ertoe heeft geleid dat de geestelijke gezondheidszorg inderdaad toegankelijk is voor Georgiërs met lage inkomens, wordt overwogen dat daaruit evenmin blijkt dat eiseres 2 daarvoor niet in aanmerking zou komen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat eiseres 2 niet in aanmerking kan komen voor (financiering van) de benodigde zorg. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat, voor zover eisers hebben betoogd dat de psychiatrische gezondheidszorg in Georgië in slechte staat verkeerd, uit het BMA-advies blijkt dat die zorg in Georgië wel aanwezig is. Met de stelling van eisers dat de psychische gezondheidszorg in slechtere staat zou zijn dan de algemene gezondheidszorg hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de psychische gezondheidszorg niet bereikbaar is voor eiseres 2.

6.3

Eisers hebben verder betoogd dat uit de brief van 23 januari 2018 van GGZ [plaats] blijkt dat het aannemelijk is dat de situatie van eiseres 2 zal verslechteren wanneer zij terugkeert in de situatie welke haar eerder zoveel angstklachten heeft opgeleverd, met het gegeven dat zij dan niet direct kan terugvallen op een behandelaar die haar goed kent en de juiste zorg kan bieden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat er dan sprake zou kunnen zijn van mogelijke suicidaliteit. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat een gevoel van (on)veiligheid subjectief is en medisch gezien niet objectiveerbaar en dat het voor een BMA-arts niet mogelijk is om een medisch gefundeerde uitspraak te doen over de vraag of een vreemdeling een vertrouwensband zal opbouwen met een behandelaar in Georgië (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3398). Verweerder heeft er daarbij in redelijkheid op kunnen wijzen dat het in Nederland, ondanks de taalbarrière, ook gelukt is een vertrouwensband op te bouwen. Dat bij terugkeer de angstklachten volgens de behandelaars zullen toenemen, is volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (onder meer de beslissing van 18 september 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2335) onvoldoende. In de door eisers overgelegde jurisprudentie ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Verder volgt uit het BMA-advies dat geen sprake is van een actieve wens tot zelfdoding en dat na de poging in augustus 2016 geen psychiatrische opname heeft plaatsgevonden en dat kon worden volstaan met reguliere verwijzing. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder, gelet op de informatie van GGZ [plaats], een nader BMA-advies had moeten vragen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Dit document is digitaal ondertekend. U kunt controleren of het daadwerkelijk van de Rechtspraak afkomstig is en of het niet is aangepast. Heeft u het digitaal ontvangen, dan controleert u dit via https://validatie.justid.nl. Heeft u het document op papier, dan kunt u dit navragen bij de balie van de rechtbank.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.