Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:489

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
C/09/536460 / HA ZA 17-777
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intellectuele Eigendom. Incident tot niet-ontvankelijkheid en incident tot vrijwaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/536460 / HA ZA 17-777

Vonnis in incident van 17 januari 2018

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] (Zwitserland),

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. J.C. Hulsebosch te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLAVOURZ MENSWEAR B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. [B],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [C],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. J.C. Duvekot te Amsterdam.

Eiser in de hoofdzaak, tevens verweerder in het incident zal verder [A] worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak, tevens eisers in het incident zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Flavourz c.s. en ieder afzonderlijk als Flavourz, [B] en [C] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 juni 2017, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de incidentele conclusie tot vrijwaring en (niet-)ontvankelijkheid, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Vonnis in het incident is nader bepaald op heden.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert [A] , zakelijk weergegeven, Flavourz c.s. te gebieden iedere inbreuk op de in de dagvaarding vermelde Uniemerken te staken en gestaakt te houden, met bevel tot het doen van opgave van de in de dagvaarding vermelde gegevens, tot afgifte van inbreukmakende producten en tot afdracht van de met de inbreuken genoten winst, een en ander zoveel mogelijk op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Flavourz c.s. in de proceskosten conform het bepaalde in artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.2.

Kort samengevat legt [A] aan deze vorderingen ten grondslag dat hij houder is van diverse Uniemerken en dat hij aan de hand van diverse proefaankopen heeft geconstateerd dat Flavourz diverse producten voorzien van deze merken aanbiedt die niet door of vanwege hem zijn geproduceerd en/of niet door hem of met zijn toestemming in het verkeer zijn gebracht. Hiermee pleegt Flavourz merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 van de UMVo 20171. Voor deze inbreuk kunnen [B] en [C] , de bestuurders van Flavourz, medeverantwoordelijk worden gehouden, nu aannemelijk is dat beiden direct betrokken zijn (geweest) bij de handel in de inbreukmakende producten. Gelet op dit een en ander heeft [A] recht op en belang bij oplegging van het door hem gevorderde verbod en de nevenvorderingen.

2.3.

Flavourz c.s. hebben in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend, maar voor alle weren de hierna te bespreken incidenten opgeworpen.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Evenals [A] leest de rechtbank de incidentele conclusie van Flavourz c.s. aldus, dat daarin twee incidentele vorderingen worden geformuleerd.

3.2.

Naar de rechtbank begrijpt, strekt de eerste van deze vorderingen ertoe dat [A] in de hoofdzaak aanstonds niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen in de hoofdzaak. Flavourz c.s. voeren daartoe aan dat [A] misbruik van recht maakt door de hoofdzaak door te zetten ondanks het feit dat zij inmiddels de door hemzelf opgestelde onthoudingsverklaring hebben ondertekend. Daarmee dwingt [A] Flavourz c.s. nodeloos kosten te maken.

3.3.

De tweede incidentele vordering van Flavourz c.s. strekt ertoe dat het hen wordt toegestaan ene heer [X] te [plaats] in vrijwaring op te roepen. Aan deze vordering leggen zij ten grondslag dat zij vermoeden dat Flavourz de in de hoofdzaak bedoelde inbreukmakende producten in 2015 heeft gekocht (uit het faillissement) van [X] en dat [X] daarbij destijds heeft verzekerd dat de desbetreffende kleding afkomstig was van [A] en met diens toestemming in het verkeer was gebracht. Flavourz c.s. wensen [X] daarom thans “voor deze garantie” in vrijwaring op te roepen.

3.4.

[A] voert gemotiveerd verweer tegen de incidentele vorderingen van Flavourz c.s.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Met betrekking tot de eerste incidentele vordering, die er als gezegd toe strekt dat [A] in de hoofdzaak direct niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen, rijst allereerst de vraag in hoeverre daarop aanstonds kan en moet worden beslist. Dienaangaande stelt de rechtbank voorop dat het hier niet gaat om een in de wet geregeld incident. Bij gebreke van een bijzondere wettelijke regeling geldt op dit punt dan ook de maatstaf van artikel 209 Rv, die inhoudt dat de rechter telkens aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, dient na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding (vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4008).

4.2.

Hiervan uitgaande overweegt de rechtbank als volgt. Flavourz c.s. baseren hun incidentele vordering op de stelling dat [A] misbruik maakt van (proces)recht door deze procedure door te zetten, ondanks het feit dat Flavourz c.s. inmiddels een onthoudingsverklaring hebben getekend. [A] heeft deze stelling (die in wezen een vooruitgeschoven verweer in de hoofdzaak betreft) gemotiveerd bestreden en aangevoerd dat de onthoudingsverklaring lang na zijn sommatie, pas nadat nieuwe inbreuken waren geconstateerd en ook pas na het uitbrengen van de dagvaarding is afgelegd en dat Flavourz c.s. (ook na het afleggen van die verklaring) niet zijn overgegaan tot het doen van de door [A] gewenste opgave. Gelet op dit verweer en op het feit dat vooralsnog uit niets blijkt dat [A] op enigerlei wijze het vertrouwen heeft gewekt dat deze procedure in de gegeven omstandigheden niet zou worden aangebracht, kan het beroep van Flavours c.s. op misbruik van recht niet dadelijk, zonder nader onderzoek, leiden tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing van de vorderingen van [A] . Op dit verweer dient in de hoofdzaak te worden beslist.

4.3.

Met betrekking tot de tweede incidentele vordering van Flavourz c.s. wordt als volgt overwogen. Voor de toewijsbaarheid van een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring is vereist dat tussen die derde en de partij die hem in vrijwaring wil oproepen een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Het bestaan van deze rechtsverhouding moet daarbij voldoende gemotiveerd en concreet worden gesteld.

4.4.

De rechtbank acht de stellingen van Flavourz c.s. ontoereikend om de gevorderde vrijwaring toe te staan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.5.

In de eerste plaats zijn Flavourz c.s. er volgens hun eigen stellingen bepaald niet zeker van dat de door [A] gewraakte kleding afkomstig is van [X]. Zij vermoeden, maar waarop dit vermoeden is gebaseerd, wordt verder niet onderbouwd. Dit betekent dat het bestaan van de in 4.3 bedoelde rechtsverhouding onzeker is. Daar komt bij dat Flavourz c.s. met de vrijwaring kennelijk niet beoogt om eventuele nadelige gevolgen van een uitspraak in de hoofdzaak te verhalen, maar om [X] te laten garanderen dat de merkproducten met toestemming van [A] in het economisch verkeer waren gebracht. Dit laatste is evenwel geen grond voor vrijwaring. Deze vordering moet daarom worden afgewezen.

4.6.

Slotsom van het voorgaande is dat de incidentele vorderingen van Flavourz c.s. moeten worden afgewezen. De rechtbank zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaken zal worden beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

In het incident:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

In de hoofdzaak:

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van 28 februari 2018 voor conclusie van antwoord;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door J.A. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.

1 Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (zoals van kracht vanaf 1 oktober 2017).