Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4846

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 298
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

visum kort verblijf, onvoldoende sociale en economische binding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/298

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde mr. J.J. Bronsveld,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde mr. R.P.G. Bel.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 december 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Referent, [naam 1] , is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiseres bezit de Filipijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Op 20 juli 2017 heeft eiseres een aanvraag tot afgifte van een visum kort verblijf ingediend. Op 31 juli 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard.

  2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet met objectiveerbare documenten aannemelijk zijn gemaakt en dat eiseres geen dusdanige sociale en economische binding met het land van herkomst heeft dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.

3. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat zij referent sinds 2016 kent en dat zij wensen te onderzoeken of zij hun relatie willen intensiveren. Verder is er sprake van een sterke sociale en economische band met het land van herkomst. Eiseres heeft immers een 9-jarig, schoolgaand dochtertje, dat niet met haar mee zal reizen naar Nederland maar in die periode verzorgd zal worden door een zus van eiseres. Daarnaast bezit eiseres een huis en voorziet zij in haar levensonderhoud door het drijven van een klein winkeltje en het rijden op een brommertaxi. Dat eiseres hiervan geen administratieve bewijzen kan overleggen, is omdat zaken op de Filipijnen op een andere manier dan in Nederland geregeld zijn. Eiseres wijst er ten overvloede op dat een aanvraag voor vestiging waarschijnlijk niet afgewezen zou worden omdat referent aan het inkomensvereiste voldoet. Zij heeft ter onderbouwing van haar stellingen foto’s van hen samen en kopieën van whatsapp-gesprekken overgelegd alsook de geboorteakte van haar dochtertje, een verklaring van haar zus, kopieën van bankafschriften van referent, een ‘tax declaration of real property’ en een ‘contract to sell’. Eiseres verwijst tevens naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 21 februari 2017 (AWB 16/16701), zittingsplaats Amsterdam van 19 december 2013 (AWB 13/22922) en zittingsplaats Arnhem van 15 oktober 2013 (AWB 13/14228). Ten slotte voert eiseres aan dat zij ten onrechte niet is gehoord.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode1 - voor zover van belang - wordt een visum geweigerd:

a. ii) indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond; of

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

5. Uit het toepasselijke gemeenschapsrecht vloeit voort dat het aan de aanvrager van een visum voor kort verblijf is om zijn verblijfsdoel en zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Bij het onderzoek of er een redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland (C-84/12)). Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en de economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling tijdig terug te keren toe- of afnemen. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar relatie met referent, mede gelet op de ter zitting door referent verstrekte toelichting over de aard en dynamiek van de relatie en hoe zij een mogelijke gezamenlijke toekomst zien, voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Betrokkenen hebben de relatie aangetoond door het overleggen van foto’s, kopieën van whatsapp-gesprekken en bankafschriften en de verklaring van referent ter zitting.

7. De rechtbank overweegt ten aanzien van de sociale binding van eiseres met haar land van herkomst dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die sociale binding te beperkt wordt geacht om aannemelijk te vinden dat eiseres zal terugkeren. Weliswaar is er sprake van een moeder/kind-relatie nu niet meer in geschil is dat eiseres een 9-jarig dochtertje heeft, dat achterblijft op de Filipijnen tijdens haar verblijf in Nederland, maar dit gegeven maakt niet dat reeds hierdoor de sociale binding met de Filipijnen als voldoende moet worden geoordeeld, zoals eiseres kennelijk beoogt te stellen. Eiseres heeft namelijk verklaard dat haar dochtertje in de periode dat eiseres in Nederland is door haar zus verzorgd zal worden. Door haar verblijf hier te lande kan eiseres omstandigheden creëren waardoor ze haar dochtertje (en haar familie) financieel beter kan ondersteunen. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie ziet naar het oordeel van de rechtbank op niet vergelijkbare zaken. Het beroep daarop faalt dan ook.

8. Dat eiseres in haar land van herkomst in haar levensonderhoud voorziet door het drijven van een winkeltje en het rijden van een brommertaxi is op geen enkele wijze onderbouwd. Niet gebleken is dat het niet mogelijk is om daarvan administratieve of fiscale bewijsstukken te overleggen omdat die niet zouden bestaan op de Filipijnen. Evenmin staat gelet op de inhoud van de ‘tax declaration of real property’ en het ‘contract to sell’ vast dat eiseres op dit moment een huis bezit. Dat betaling van de koopprijs en overdracht van het huis aan haar hebben plaatsgevonden, valt niet uit voornoemde of andere documenten af te leiden.

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van onvoldoende sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst, als gevolg waarvan redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten.

10. Met betrekking tot de grief van eiseres dat zij niet op haar bezwaarschrift is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiseres in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen van eiseres kon worden afgezien. De grief faalt derhalve.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.