Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4843

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7814
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Brouwer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. A.D. Bouwman en J.E. Teeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 12 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. de Jong, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 14 april 2017 een urgentieverklaring aangevraagd. Eiser heeft fysieke en psychische problemen en heeft sinds 2011 recht op een Wajong-uitkering. Hij woonde aanvankelijk met zijn ouders in de huidige woning in [plaats], maar woont daar momenteel zonder zijn ouders. Zijn moeder heeft hem verzocht de woning te verlaten.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de in artikel 8 van de Huisvestingsverordening gestelde voorwaarden. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning eiser ziek heeft gemaakt of dat de woning ongeschikt is geworden vanwege de fysieke en psychische problematiek van eiser. Eiser is al sinds zijn tiende levensjaar en derhalve al voordat eiser met zijn ouders in [plaats] kwam wonen, met deze problematiek bekend. Het is aannemelijk dat de negatieve waardering van de woning samenhangt met de moeilijke relatie die eiser met zijn ouders heeft, maar de ervaren problematiek zal niet (volledig) oplossen na het betrekken van een nieuwe woning. Ook beschikt eiser niet rechtmatig over zelfstandige woonruimte, aldus verweerder.

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. In het beroepschrift geeft eiser te kennen dat hij zich in verband met de duur van de procedures en de daarmee samenhangende stress genoodzaakt voelde een woning in [plaats] te accepteren.

4. Eiser stelt nog procesbelang te hebben, omdat een verhuizing naar [plaats] duurder is dan een verhuizing binnen de regio van [plaats]. Indien het bestreden besluit onrechtmatig blijkt, wil hij deze kosten op verweerder verhalen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Het is vaste rechtspraak (zie recent de uitspraak van de Raad van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:23) dat slechts sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van processueel belang.

Eiser heeft op eigen gelegenheid vervangende woonruimte gevonden in [plaats]. Nu de urgentieverklaring is bedoeld voor het vinden van woonruimte met voorrang op andere woningzoekenden, heeft eiser daar geen belang meer bij. Voorts is op grond van artikel 7, zesde lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening de individuele situatie van de woningzoekende het uitgangspunt voor de beoordeling van de urgentieaanvraag. Dat uitgangspunt is door het accepteren van vervangende woonruimte in [plaats] veranderd.

5.2

De Afdeling heeft voorts overwogen dat procesbelang kan bestaan indien eiser stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming (zie de uitspraak van 5 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2002:AE3664). Eiser heeft echter niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn verhuizing naar [plaats] hogere verhuiskosten heeft gehad dan hij voor een verhuizing binnen de gemeente Krimpenerwaard zou hebben. Mitsdien heeft hij zijn gestelde schade niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft ook niet met stukken onderbouwd dat de gestelde fysieke schade het gevolg is van het bestreden besluit.

Overigens heeft eiser ter zitting verklaard dat de verhuizing naar [plaats] zijn gezondheid ten goede is gekomen.

5.3

Voorts heeft de rechtbank eiser gehoord in zijn verklaring dat hij zich door verweerder miskend voelt. De rechtbank dient echter een juridische beoordeling te maken en gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.