Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4837

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 13008
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenwet, ongewenstverklaring, plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel), positieve gedragsverandering niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/13008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard.

Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2018.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Poolse nationaliteit.

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daartoe overweegt verweerder dat eiser bij vonnis van 7 juli 2016 van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam is veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren (hierna: ISD-maatregel). Voorafgaande aan deze ISD-maatregel is eiser zes keer veroordeeld tot gevangenisstraffen van in totaal ruim elf maanden voor onder andere (winkel)diefstal, opzetheling, openlijke geweldpleging en mishandeling. Volgens een rapport van de reclassering staan de sociaalmaatschappelijke problematiek (huisvesting en financiën), alcohol- en drugsgebruik en persoonlijkheidsproblematiek (antisociaal en narcistisch) in relatie tot het delictgedrag van eiser. De aan eiser geboden hulpverlening met het oog op gedragsverandering heeft niet geleid tot stabiliteit in eisers situatie en tot het uitblijven van recidive. Eiser pleegt de misdrijven onder invloed van alcohol, wat leidt tot agressief en onberekenbaar gedrag. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn geen reden om zijn verblijfsrecht niet te beëindigen. Ook de verblijfsduur van eiser is, op grond van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) geen reden het verblijfsrecht niet te beëindigen. Op grond van artikel 8.24, derde lid, van het Vb dient eiser Nederland onmiddellijk te verlaten en omdat eiser is veroordeeld voor een of meer misdrijven waar een maximale gevangenisstraf van drie jaren of meer voor kan worden opgelegd, wordt eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) ongewenst verklaard, aldus verweerder.

Verweerder heeft in bezwaar het primaire besluit gehandhaafd.

3. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 22 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2265) heeft een ongewenst verklaarde vreemdeling, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen belang bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, omdat het beroep nimmer kan leiden tot het door de vreemdeling beoogde rechtmatige verblijf, zodat dit beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hetzelfde heeft te gelden voor een besluit tot beëindiging van een verblijfsrecht op grond van het unierecht. Belang bij toetsing in rechte van een besluit over het verblijfsrecht is, bij samenloop daarvan met een besluit tot ongewenstverklaring, daarom pas aan de orde als het besluit tot ongewenstverklaring wordt herroepen of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Gelet daarop moet eerst beoordeeld worden of verweerder op goede gronden eiser ongewenst heeft verklaard. Of verweerder het verblijf op goede gronden heeft beëindigd, kan ten volle in het kader van de toetsing van de ongewenstverklaring aan de orde worden gesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding de gronden van eiser gericht tegen de verblijfsbeëindiging in het kader van het beroep tegen de ongewenstverklaring te bespreken.

4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Hij voert daartoe aan dat verweerder niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Nu er signalen van een positieve gedragsverandering en delictsvrije toekomst aanwezig zijn waarmee de actuele bedreiging wordt weggenomen, lag het op de weg van verweerder om de rapportages op te vragen uit de Penitentiaire Inrichtingen [plaats 1] en [plaats 2]. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat er geen sprake meer is van middelengebruik. Juist de MDO-rapportages zijn objectieve stukken. Ook heeft verweerder ten onrechte gesteld dat er geen verdere behandelrapportages over eiser beschikbaar zijn. Eiser wijst er daarbij op dat hij in de periode tot september 2016 geen begeleiding heeft gekregen, maar dat van de periode daarna wel behandelrapportages beschikbaar zijn. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar hoe de situatie van eiser op dit moment is. Verweerder kan derhalve niet concluderen dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft, in strijd met artikel 27 van Richtlijn 2004/38/EG (hierna: Verblijfsrichtlijn), ten onrechte alleen teruggegrepen naar de strafrechtelijke veroordelingen van eiser.

Voorts betoogt eiser dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de persoonlijke gevolgen van de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring heeft afgezet tegen de met de beleidsregels te dienen doelen. Ook is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn sociale en economische binding met Nederland, aldus eiser.

5. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de minister de vreemdeling ongewenst verklaren, indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb kan de minister het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Alvorens hierover een besluit te nemen, houdt de minister in het bijzonder rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.

In paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire (hierna: Vc) staat:

‘Op grond van artikel 8.22, eerste lid, Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf als het persoonlijke gedrag van een burger van de Unie of diens familielid een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij analoge toepassing van artikel 3.77 of 3.86 Vb niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden.

De IND ontzegt of beëindigt het rechtmatig verblijf ook op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging of beëindiging zou kunnen leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de IND de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, Vb.’

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarbij is van belang dat eiser meerdere keren is veroordeeld voor in een kort tijdsbestek gepleegde strafbare feiten, dat eiser deze misdrijven pleegt onder invloed van alcohol, hetgeen een trigger vormt voor het agressieve en onberekenbare gedrag van eiser, en dat hem door de rechtbank Rotterdam zwaar is aangerekend dat eiser zich met fors geweld heeft verzet tegen een aanhouding. Ook is hierbij betrokken dat aan eiser op 21 januari 2016 een voorwaardelijke ISD-maatregel is opgelegd, dat eiser in de proeftijd weer in de fout is gegaan en dat de ISD-maatregel hem vervolgens bij vonnis van 7 juli 2016 onvoorwaardelijk is opgelegd. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat een zodanige maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van een verdachte. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat in het vonnis van 7 juli 2016 staat dat uit een rapport van 2 juni 2016 van de reclassering blijkt dat alle vormen van hulpverlening die met het oog op gedragsverandering aan eiser zijn aangeboden, niet hebben geleid tot stabilisatie van de situatie van eiser en daarmee tot het uitblijven van recidive. Voorts heeft eiser niet met stukken aannemelijk gemaakt dat de in het reclasseringsrapport genoemde sociaal maatschappelijke en persoonlijkheidsproblematiek niet meer aanwezig zijn. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat verweerder ten onrechte geen positieve gedragsverandering heeft aangenomen. Eiser is daar met het overleggen van een MDO-rapport van 29 september 2016 niet in geslaagd. Eiser stelt dat er recentere rapporten zijn, maar heeft deze niet overgelegd. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de gestelde positieve gedragsverandering van eiser niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan wenst te zien, nu deze verandering alleen gerelateerd kunnen worden aan zijn verblijf in detentie. Als gevolg van de detentie is vooralsnog ook nog niet gebleken dat het gevaar voor recidive is geweken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1328). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de door eiser ter zitting overgelegde uitspraak van 26 januari 2012 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBSGR:2012:BV3857) te volgen.

6.2

Voorts heeft verweerder, anders dan eiser heeft gesteld, de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende gemotiveerd bij de belangenafweging betrokken. Dat die afweging niet in het voordeel van eiser is uitgevallen, doet daar niet aan af.

Voor zover eiser heeft betoogd dat een ongewenstverklaring voor EU-onderdanen zwaarder uitpakt dan voor derdelanders wordt overwogen dat dit betoog voor het eerst ter zitting naar voren is gebracht. Dit is in strijd met de goede procesorde. Dit betoog zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.

6.3

Gelet op voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid en voldoende gemotiveerd op het standpunt kunnen stellen dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

7. Het beroep, voor zover gericht tegen de bij het gestreden besluit gehandhaafde ongewenstverklaring, is ongegrond. Dit brengt met zich dat het beroep, voor zover gericht tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde beëindigding van het verblijfsrecht van eiser, niet-ontvankelijk is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de beëindiging van het verblijfsrecht, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.