Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:473

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
NL17.14923
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is een Tamil uit Sri Lanka. In het kader van vrijwillige terugkeer via het IOM is eiser gepresenteerd bij de Srilankaanse ambassade. Aan zijn opvolgende aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat tijdens dit gesprek door de ambassade is gesproken over zijn eerdere asielprocedures en gevraagd naar connecties met de LTTE. Tevens zou eiser te kennen zijn gegeven dat hij bij terugkeer in Sri Lanka zal worden opgepakt. Ter onderbouwing overlegt eiser een heimelijke opname van dit gesprek en een vertaalde transcriptie daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de authenticiteit van de overgelegde opname niet vast staat, omdat het verloop van het gesprek volgens verweerder afwijkt van wat bij verweerder bekend is over dergelijke gesprekken in zaken van andere vreemdelingen. Verweerder vindt bevestiging van het verloop van het gesprek door een onafhankelijke derde nodig. De rechtbank is van oordeel dat eiser, alles bij elkaar genomen, een begin van bewijs heeft geleverd van de authenticiteit van de door hem overgelegde opname en dat van hem niet meer kan worden verwacht. Het is aan verweerder om, indien hij dit nodig acht, nader onderzoek te doen. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] ,

van Sri Lankaanse nationaliteit,

v-nummer [nummer] ,

eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).


Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.14924, plaatsgevonden op 5 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 28 november 2008 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 1 december 2009 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 15 december 2010, AWB 09/48010, gegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 september 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 10 april 2012 heeft verweerder de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 10 februari 2015, AWB 12/14479, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 augustus 2015, nummer 201502012/1/V2, heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Op 7 april 2015 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend. Bij besluit van 13 april 2015 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 8 mei 2015, AWB 15/7694, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 augustus 2015, nummer 201504162/1/V2, heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Eiser is op 14 april 2015 met onbekende bestemming vertrokken. Op 9 oktober 2015 heeft eiser in [land] asiel aangevraagd. Na een verzoek tot terugname van [land] , is eiser op 19 februari 2016 aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen.

Op 19 februari 2016 heeft eiser weer een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 2 maart 2016 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 5 april 2016, AWB 16/4487, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Eiser heeft vervolgens op 26 februari 2016 een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden ingediend. De aanvraag is bij besluit van

18 mei 2016 afgewezen. Bij besluit van 6 december 2016 is het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 14 december 2017, AWB 16/28975, ongegrond verklaard.

Op 3 juni 2016 heeft eiser zijn vierde asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 12 juli 2016 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 21 oktober 2016, AWB 16/15349, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 december 2016, nummer 201608113/1/V2, heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

2.Aan zijn op 9 mei 2017 ingediende opvolgende aanvraag heeft eiser, kortgezegd, het navolgende ten grondslag gelegd. In het kader van vrijwillige terugkeer via de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: het IOM) heeft eiser op [datum] 2017 in het bijzijn van medewerkers van het IOM een gesprek gehad bij de Srilankaanse ambassade. In dit gesprek is door medewerkers van de Srilankaanse ambassade gevraagd naar eisers asielprocedures en naar eisers connecties met de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE). Tevens is in dit gesprek door de Srilankaanse ambassade gezegd dat de informatie over eiser naar Sri Lanka zou worden gestuurd en dat hij bij terugkeer opgepakt zou worden voor ondervraging. Kort na het gesprek bij de ambassade zijn medewerkers van de Srilankaanse veiligheidsdienst bij de ouders van eiser geweest om navraag naar hem te doen, aldus nog steeds eiser.

Ter staving hiervan heeft eiser een USB-stick overgelegd met daarop gesteld de opname van het gesprek op [datum] 2017, samen met een transcriptie van het gesprek en een vertaling daarvan. Ook heeft eiser een afsprakenkaart van het IOM overgelegd, waarop staat dat hij op [datum] 2017 een afspraak had bij de Srilankaanse ambassade. Tevens heeft eiser een verklaring overgelegd van de transcriptist, mevrouw N. Kumarasamy van Go-Tolk, waarin zij schrijft de stemmen op de geluidsopname te herkennen als stemmen van medewerkers van de Srilankaanse ambassade.

3. Verweerder stelt zich hierover - samengevat en voor zover van belang - op het standpunt dat eiser aan zijn asielverzoek geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem overgelegde opname een authentieke opname is van het gesprek bij de ambassade op [datum] 2017, omdat het verloop van het gesprek niet is bevestigd door een objectieve derde partij. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij in dit geval deze bevestiging nodig acht, omdat het verloop van het gesprek afwijkt van wat verweerder in andere Srilankaanse zaken ziet. Dit is gelegen in de omstandigheid dat uit de door eiser overgelegde transcriptie blijkt dat uitgebreid wordt ingegaan op eerdere asielprocedures en ook uitgebreid wordt gevraagd naar connecties met de LTTE. Verweerder is eiser tegemoetgekomen door zelf in contact te treden met het IOM. Het IOM heeft het verloop van het gesprek niet aan verweerder kunnen bevestigen, omdat tijdens het gesprek Tamil, Singalees en Engels werd gesproken en het IOM het gesprek daardoor niet volledig heeft kunnen volgen. Het is dan ook aan eiser om, via het IOM, uitsluitsel te geven dat de op de geluidsopname te horen stemmen behoren tot de bij het gesprek aanwezige IOM-medewerkers, aldus verweerder. De verklaring van Go-Tolk beschouwt verweerder niet als een deskundigenadvies ter onderbouwing van de authenticiteit van de geluidsopname, zodat hij daaraan geen waarde toekent.

4. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe - samengevat en voor zover van belang - het volgende aan. Eiser betoogt allereerst dat van de zijde van verweerder sprake is van willekeur. Ter onderbouwing verwijst eiser naar drie andere zaken waarin zijn gemachtigde optreedt en waar ook sprake is van geluidsopnames van gesprekken bij de Srilankaanse ambassade. In twee van deze zaken, waar net als in het geval van eiser op de geluidsopname medewerkers van objectieve derden (IOM en/of DT&V) te horen zijn, heeft verweerder de opnames als authentiek aangemerkt en deze inhoudelijk beoordeeld. In de derde zaak heeft verweerder verzocht om de geluidsopnameapparatuur te mogen onderzoeken.

Verder betoogt eiser dat het IOM niet heeft willen bevestigen wie van haar medewerkers bij het gesprek aanwezig waren. Eiser heeft haar de geluidsopname en transcriptie toegestuurd en verzocht om de opname te beluisteren, zodat individuele IOM-medewerkers kunnen laten weten of zij hun stemmen al dan niet op de opname herkennen. Het IOM heeft daaraan niet mee willen werken. Eiser overlegt daartoe een verklaring van het IOM van 3 januari 2018 waarin het IOM enkel bevestigt dat eiser op [datum] 2017 in het bijzijn van een IOM medewerker een gesprek bij de Srilankaanse ambassade heeft gehad. Eiser stelt dat uit telefonisch contact tussen zijn gemachtigde en de medewerker die deze verklaring heeft opgesteld is gebleken dat deze medewerker dezelfde medewerker is die bij het gesprek aanwezig was. Door deze medewerker is daarbij gezegd dat het IOM vanwege haar gesteld neutrale positie niet bereid is tot het geven van een nadere toelichting.

Tot slot heeft eiser een aanvullende verklaring overgelegd van mevrouw N. Kumarasamy van Go-Tolk, waarin zij bevestigt dat zij meerdere transcripties van geluidsopnames van gesprekken bij de Srilankaanse ambassade heeft gemaakt, waarop een aantal medewerkers van de ambassade iedere keer te horen zijn. Hierdoor is zij goed in staat deze stemmen te herkennen, aldus eiser.

5. De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van eiser ligt om de authenticiteit van de door hem overgelegde geluidsopname aannemelijk te maken.

Niet in geschil is dat eiser op [datum] 2017 in het bijzijn van medewerkers van het IOM een gesprek heeft gehad op de Srilankaanse ambassade. Evenmin betwist verweerder dat de door eiser overgelegde transcriptie in overeenstemming is met hetgeen op de geluidsopname is te horen. Eiser heeft, hoewel pas in beroep, contact gezocht met het IOM met het verzoek de aanwezige IOM medewerkers te laten bevestigen dat zij op de geluidsopname staan. Hierop heeft het IOM enkel bevestigd dat op [datum] 2017 een gesprek in het bijzijn van haar medewerkers heeft plaatsgevonden, iets dat zij eerder ook al aan verweerder had laten weten. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de toelichting van de gemachtigde van eiser, dat zij naar aanleiding van deze verklaring telefonisch contact heeft gehad met de opsteller van deze verklaring, waarbij deze persoon heeft gezegd dat zij degene was die op [datum] 2017 het gesprek heeft bijgewoond en dat het IOM vanwege haar gesteld neutrale positie geen nadere toelichting wil geven. Verweerder heeft bovendien geen gebruik gemaakt van het aanbod van eiser om de telefoon te onderzoeken, waarmee eiser naar eigen zeggen op [datum] 2017 de door hem overgelegde geluidsopname heeft gemaakt.

Verder heeft eiser een verklaring overgelegd van de transcriptist, waarin deze bevestigt dat de stemmen van enkele van de ambassademedewerkers op de geluidsopname overeenkomen met de stemmen van deze personen op andere opnames, waaronder opnames waar deze personen zich met naam voorstellen.

Op de geluidsopname zijn, zo heeft de rechtbank tot slot vastgesteld, aan het begin en het einde van het gesprek twee stemmen te horen van personen van wie eiser stelt dat het de medewerkers van het IOM zijn. Aan het eind het gesprek vindt een korte conversatie tussen eiser en één van deze personen plaats, waarbij aan eiser wordt gevraagd “Did [naam] send you from IOM?” Na bevestiging door eiser wordt vervolgens tegen eiser gezegd “So that means you will speak [naam] ?” De hier genoemde naam komt overeen met de naam van eisers contactpersoon bij het IOM, van wie zich correspondentie in het dossier bevindt. Ook dit gegeven vormt een onderbouwing van eisers stelling. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat wanneer IOM-medewerkers op de overgelegde opname hun eigen stem herkennen, de authenticiteit van de opname wat verweerder betreft vast staat.

6. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat eiser, die terecht stelt dat hij in redelijkheid niet meer kan doen om de authenticiteit van de geluidsopname aannemelijk te maken dan hij tot op heden heeft gedaan, minstgenomen een begin van bewijs van authenticiteit van het gesprek op [datum] 2017 heeft geleverd. Hetgeen verweerder daar tot op heden tegenover stelt, namelijk dat het verloop van het gesprek afwijkt van wat verweerder in andere Srilankaanse zaken ziet, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende concreet om van eiser te verlangen dat hij meer of ander bewijs bijbrengt van het door hem gestelde verloop van het gesprek op [datum] 2017.

Het ligt nu dus op de weg van verweerder om, desgewenst, nader onderzoek te doen naar de authenticiteit van de door eiser overgelegde opname en de transcriptie ervan.

7. Op basis van de in het bestreden besluit gebezigde motivering heeft verweerder kortom ten onrechte geconcludeerd dat eiser aan zijn opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook ten onrechte met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Omdat verweerder ter zitting heeft gesteld (nog) niet te weten welk nader onderzoek hij bij een vernietiging van het bestreden besluit eventueel wil verrichten, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.