Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
C/09/523027 / HA ZA 16-1361
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

feitelijke beoordeling mondelinge overeenkomst met betrekking tot merkregistraties en daaraan te ontlenen rechten; auteursrecht op naam en logo; toepassing indicatietarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/523027 / HA ZA 16-1361

Vonnis van 17 januari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J.S. van Daal te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EISENHOWER HOLDING B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. C. de Bruin te Den Haag.

Eiser zal hierna worden aangeduid met [eiser] . Gedaagde sub 1 wordt hierna aangeduid met Eisenhower Holding en gedaagde sub 2 met [gedaagde sub 2] ; gezamenlijk worden zij aangeduid met gedaagden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 oktober 2016 met producties 1-8;

  • -

    de conclusie van antwoord van 18 januari 2017 met producties 1-16;

  • -

    het tussenvonnis van 15 februari 2017;

  • -

    de brief zijdens [eiser] van 26 september 2017 met producties 9-19;

  • -

    de brief zijdens gedaagden van 27 september 2017 met producties 17-22;

  • -

    het e-mailbericht zijdens [eiser] van 11 oktober 2017 met als bijlage een kostenoverzicht;

  • -

    de brief zijdens gedaagden van 11 oktober 2017 met als bijlage productie 23 (een kostenoverzicht);

  • -

    het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van 12 oktober 2017 met daaraan gehecht de brief zijdens [eiser] van 24 oktober 2017 en de brief zijdens gedaagden van 24 oktober 2017, beide met opmerkingen naar aanleiding van voormeld proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[eiser] was in 2012 student Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek in Delft. Hij fitnesste in een sportschool en was op meerdere gebieden actief vanuit zijn eenmanszaak Madrugada Records (geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel sinds 1 september 2010). Op 1 mei 2014 is geregistreerd dat Madrugada Records is opgeheven met ingang van 29 oktober 2013.

2.2.

[gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Eisenhower Holding. Eisenhower Holding houdt onder meer de aandelen in Eisenhower Consulting B.V.

2.3.

[eiser] en [gedaagde sub 2] hebben elkaar leren kennen via [A] (hierna: [A] ). Op 7 september 2012 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] elkaar in aanwezigheid van [A] voor het eerst ontmoet en hebben zij gesproken over het opzetten van een onderneming met betrekking tot fitness. Over de exacte aard van dat gesprek en hetgeen besproken is, zijn partijen verdeeld.

2.4.

In de Facebook-chat van [eiser] is het volgende opgenomen, gedateerd 11 september 2012:

2.5.

Op 13 september 2012 verscheen het volgende bericht op de Facebook-pagina van [eiser] :

2.6.

Onder de naam Body Engineers en met gebruikmaking van het hiervoor sub 2.5 getoonde logo (hierna: ‘het Body Engineers-logo’ of ‘het logo’), zijn [A] en [eiser] begonnen met het geven van online coaching op het gebied van voeding en training.

2.7.

In de Facebook-chat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is het volgende opgenomen, gedateerd 19 september 2012:

2.8.

In de Facebook-chat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is het volgende opgenomen, gedateerd 29 september 2012:

2.9.

In de Facebook-chat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is het volgende opgenomen, gedateerd 13 december 2012:

2.10.

In december 2012 heeft [A] zich uit de samenwerking met [eiser] teruggetrokken.

2.11.

In de Facebook-chat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is het volgende opgenomen, gedateerd 1 oktober 2013:

2.12.

Op 18 november 2013 heeft [gedaagde sub 2] op naam van “Eisenhower BV” een woord-/beeldmerk gedeponeerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) voor waren en diensten in de klassen 5 (voedingssupplementen), 25 (sportkleding) en 41 (opvoeding; opleiding; ontspanning; sportieve en culturele activiteiten). Het merk is op 29 januari 2014 ingeschreven onder nummer 946919. Het betreft het volgende woord-/beeldmerk:

2.13. “

Eisenhower BV” is geen bestaande rechtspersoon. [gedaagde sub 2] heeft bedoeld het Benelux-merk te registreren op naam van Eisenhower Holding.

2.14.

Op 17 mei 2014 heeft [gedaagde sub 2] op naam van Eisenhower Holding een verzoek tot registratie van ditzelfde woord-/beeldmerk bij het Bureau voor Intellectuele Eigendom van de Europese Unie (EUIPO) ingediend voor waren en diensten in eveneens de klassen 5, 25 en 41. Het merk is geregistreerd op 26 september 2014 onder nummer 12883427. (Dit woord-/beeldmerk wordt samen met het sub 2.12 genoemde woord-/beeldmerk hierna verder aangeduid met ‘de woord-/beeldmerken’ of ‘de woord-/beeldmerken Body Engineers’.

2.15.

De door Eisenhower Holding in verband met voormelde merkregistraties gemaakte kosten heeft [eiser] aan haar vergoed.

2.16.

Begin 2014 is [eiser] een pand gaan delen met de vennootschap FYNN. Die samenwerking is in de zomer van 2014 misgelopen, waarna [eiser] een andere ruimte in gebruik heeft genomen.

2.17.

[eiser] is op 29 oktober 2013 de eenmanszaak Body Engineers gestart (registratie bij de Kamer van Koophandel op 1 mei 2014). In een uittreksel van de Kamer van Koophandel staat vermeld dat Body Engineers per 10 december 2014 is uitgeschreven en met ingang van 8 december 2014 is voortgezet door Body Engineers B.V.

2.18.

Op 1 september 2014 is door [eiser] , namens Body Engineers, en [gedaagde sub 2] namens Eisenhower Holding, een “Overeenkomst Geldlening met zakelijke zekerheidstelling” ondertekend, waarbij Body Engineers is aangeduid met lener en Eisenhower Holding met uitlener. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Partijen overwegen en bevestigen als volgt:

1. Dat de lener voor zijn bedrijf een voorraad goederen voornamelijk bestaand uit kleding en schoeisel nodig heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf.

2. Dat de uitlener bereid is een lening te verstrekken op strikt zakelijke voorwaarden zoals in deze overeenkomst is vastgelegd voor de aankoop van voorraad.

3. Dat de partijen deze overeenkomst zullen laten registreren bij de Belastingdienst.

4. Dat de geleende gelden uitsluitend worden gebruikt voor de aankoop van kleding en schoeisel.”

Het in de overeenkomst genoemde bedrag van € 50.000 is ook daadwerkelijk door Eisenhower Holding aan [eiser] ter beschikking gesteld, door overmaking in zes tranches in de periode van 6 maart 2014 tot en met 1 december 2014 naar een bankrekening op naam van Madrugada Records. In 2015 is de geldlening met de daarover verschuldigde rente terugbetaald aan Eisenhower Holding vanuit Body Engineers B.V.

2.19.

Op 8 december 2014 is Madrugada Holding B.V. opgericht, met [eiser] als enig aandeelhouder en bestuurder. Op dezelfde datum is Body Engineers B.V. opgericht, met Madrugada Holding B.V. als statutair bestuurder. Madrugada Holding B.V. houdt 51% van de aandelen, Eisenhower Holding 49%. In de oprichtingsacte van Body Engineers B.V. en de daarin opgenomen statuten, staat niets vermeld over inbreng van activa door de oprichters. In de periode tussen 1 mei 2015 en 14 maart 2016 was Eisenhower Holding medebestuurder van Body Engineers B.V.

2.20.

[eiser] is inmiddels een internationaal bekende bodybuilder en de door hem en Body Engineers B.V. gebruikte woord-/beeldmerken Body Engineers zijn succesvol gebleken in de fitness-branche.

2.21.

Eisenhower Holding heeft in januari 2017 de Ondernemingskamer bij het Gerechtshof Amsterdam verzocht om – kort gezegd – een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Body Engineers B.V. over de periode vanaf december 2014. Dat verzoek is bij beslissing van 7 juli 2017 afgewezen1.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – enigszins verkort weergegeven – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

- voor recht te verklaren dat de naam Body Engineers moet worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van de Auteurswet en dat [eiser] daarop auteursrechthebbende is;

- voor recht te verklaren dat het Body Engineers-logo moet worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van de Auteurswet en dat [eiser] daarop auteursrechthebbende is;

- voor recht te verklaren dat gedaagden jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld door het woord-/beeldmerk met nummer 1278004 [de rechtbank begrijpt: 946919] op eigen naam te deponeren bij het BBIE en het woord-/beeldmerk met nummer 012883427 bij het EUIPO;

- Eisenhower Holding te veroordelen om binnen tien werkdagen na betekening van het vonnis de woord-/beeldmerken Body Engineers op eigen kosten aan [eiser] over te dragen en te leveren en al datgene te doen en na te laten dat noodzakelijk is om deze merkendepots op naam van [eiser] te laten zetten, op straffe van een dwangsom;

subsidiair:

- de woord-/beeldmerken Body Engineers nietig te verklaren;

- de woord-/beeldmerken Body Engineers ambtshalve door te halen, dan wel gedaagden te veroordelen deze inschrijvingen door te halen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

primair en subsidiair:

- gedaagden te veroordelen om onmiddellijk na het uitspreken van dit vonnis te staken en gestaakt te houden enige inbreuk op de auteursrechten van [eiser] op de naam Body Engineers en op het Body Engineers-logo, op straffe van een dwangsom;

- gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure op de voet van artikel 1019h Rv, inclusief beslag- en nakosten.

3.2.

[eiser] voert in het kader van de primaire vorderingen aan dat hij het Body Engineers-logo heeft ontworpen en dat [gedaagde sub 2] zou zorgdragen voor inschrijving/registratie van de woord-/beeldmerken op naam van [eiser] , hetgeen niet is gebeurd.

3.3.

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure op de voet van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na dit vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak moet beoordeeld worden wat partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de woord-/beeldmerken Body Engineers en wie auteursrechthebbende is op het Body Engineers-logo. Bij die discussie speelt een rol de vraag of en zo ja, in hoeverre, tussen partijen sprake was van een samenwerking. De rechtbank ziet aanleiding dat laatste aspect als eerste te beoordelen.

Samenwerking?

4.2.

In het kader van hun verweer voeren gedaagden aan dat vanaf 7 september 2012 tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] sprake is geweest van samenwerking die uiteindelijk heeft geleid tot het oprichten van Body Engineers B.V. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat nu sprake was van samenwerking, moet worden aangenomen dat [eiser] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk rechthebbenden zijn van de merken en gezamenlijk auteursrechthebbenden zijn.

4.3.

De rechtbank verwerpt dat verweer. De rechtbank stelt daarbij voorop dat van enige overeenkomst waaruit de vermeende samenwerking zou volgen, niet is gebleken. Desgevraagd heeft [gedaagde sub 2] zijn feitelijke betrokkenheid bij de onderneming van [eiser] niet nader kunnen concretiseren dan “het geven van advies” en het uitlenen van geld.

4.4.

In de op 1 september 2014 door partijen aangegane overeenkomst van geldlening (zie hiervoor sub 2.18) wordt bovendien gesproken over een “lener” ( [eiser] ) die “voor zijn bedrijf een voorraad goederen voornamelijk bestaand uit kleding en schoeisel nodig heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf” [onderstreping toegevoegd-Rb]. Dat kan – zonder bijzondere omstandigheden die zijn gesteld noch gebleken – niet anders worden begrepen dan in die zin dat alleen [eiser] het bedrijf uitoefende.

4.5.

Uit de hiervoor sub 2.9 opgenomen Facebook-chat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] , die betrekking had op de tussen [eiser] en [A] gerezen problemen, blijkt dat [gedaagde sub 2] er in ieder geval in december 2012 zelf ook nog vanuit ging dat de onderneming werd gedreven door [eiser] en [A] waarbij [eiser] ook naar de mening van [gedaagde sub 2] de drijvende kracht was: “I think you should rename your eenmanszaak in Body-engineers and do it on your own.” Dat bij de onderneming een rol voor [gedaagde sub 2] was weggelegd, blijkt ook hier niet uit.

4.6.

Nu andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van een samenwerking zijn gesteld noch gebleken, moet het er voor worden gehouden dat daarvan geen sprake was. Aan beoordeling van de vraag of die samenwerking vervolgens zou betekenen dat [eiser] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk rechthebbenden zijn van de betreffende ie-rechten, wordt dan ook niet meer toegekomen.

Rechthebbende op de woord-/beeldmerken

4.7.

[eiser] stelt dat hij rechthebbende is op de woord-/beeldmerken, ook al zijn deze niet op zijn naam ingeschreven/geregistreerd. [eiser] stelt dat hij [gedaagde sub 2] heeft gevraagd hem te helpen bij het verkrijgen van de merkrechten op zijn naam (die van [eiser] ). In die overeenkomst tot opdracht is [gedaagde sub 2] tekort geschoten aangezien hij de merken niet heeft laten inschrijven/registreren op naam van [eiser] , maar op naam van zijn eigen vennootschap.

4.8.

Gedaagden stellen dat het altijd de bedoeling is geweest dat de merken uiteindelijk zouden worden ingeschreven/geregistreerd op naam van Body Engineers B.V., maar dat in overleg met [eiser] is gekozen voor inschrijving/registratie op naam van Eisenhower Holding in verband met een mogelijk faillissement van de eenmanszaak Body Engineers.

4.9.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag wat tussen partijen is afgesproken en vervolgens beoordelen of dat is nageleefd. Tussen partijen is niet in geschil dat het idee om de naam Body Engineers en het Body Engineers-logo in te laten schrijven/te laten registreren als merk, afkomstig is van [gedaagde sub 2] . Uit de hiervoor sub 2.11 opgenomen Facebook-chat blijkt dat [eiser] vervolgens aan [gedaagde sub 2] heeft gevraagd om hem daarbij te helpen: “Ok im [de rechtbank begrijpt: I am] not sure how it works so if you can help me with that it would be great”. Nu bovendien (zoals hiervoor sub 4.3 is overwogen) niet is gebleken dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] sprake was van een samenwerking en de naam Body Engineers en het logo feitelijk door [eiser] werden gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat – tenzij sprake is van een afwijkende afspraak – het er voor moet worden gehouden dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is afgesproken dat de merken dienden te worden ingeschreven/geregistreerd op naam van [eiser] . De rechtbank zal derhalve beoordelen of sprake is van een afwijkende afspraak, zoals door gedaagden ook is betoogd.

4.10.

Gedaagden hebben aangevoerd dat met [eiser] was besproken dat het verstandig was te kiezen voor inschrijving/registratie op naam van Eisenhower Holding om de merkrechten zeker te stellen in verband met een dreigend faillissement. Dit heeft [eiser] echter weersproken en is door gedaagden op geen enkele wijze nader onderbouwd. De gestelde reden voor inschrijving/registratie op naam van Eisenhower Holding, sluit bovendien niet aan bij de feitelijke gang van zaken. Waar gedaagden immers op doelen, is het conflict tussen [eiser] en de vennootschap FYNN. In de zomer van 2014 liep die samenwerking mis, waarop FYNN [eiser] – zo heeft [gedaagde sub 2] ter zitting zelf verklaard – pas in augustus 2014 is gaan dreigen met een faillissementsaanvraag. Dat komt ook overeen met het op schrift stellen van de overeenkomst tot geldlening en ondertekening daarvan op 1 september 2014, wat volgens beide partijen werd ingegeven door de problemen met FYNN. Het BBIE-depot vond echter plaats op 18 november 2013 en de aanvrage bij het EUIPO dateert van 17 mei 2014, derhalve van vóór het ontstaan van de problemen met FYNN. Het verweer dat de merken in onderling overleg zijn ingeschreven/geregistreerd op naam van Eisenhower Holding in verband met een dreigend faillissement, moet dan ook worden verworpen.

4.11.

Dat [eiser] en [gedaagde sub 2] van begin af aan hebben afgesproken om de merken op naam van Eisenhower Holding te laten inschrijven/registreren om deze te zijner tijd over te dragen aan Body Engineers B.V., kan evenmin worden aangenomen. Zoals hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat voor de oprichting van Body Engineers B.V. sprake was van samenwerking tussen partijen. Gesteld noch gebleken is dat partijen al ten tijde van het BBIE-depot in november 2013 dan wel het EUIPO-verzoek tot registratie in mei 2014 het voornemen hadden Body Engineers B.V. op te richten. Dat later – in 2015/2016 en derhalve na oprichting van Body Engineers B.V. – [eiser] in het kader van minnelijk overleg over te tussen partijen gerezen problemen (waarbij ook gesproken werd over het uitkopen van Eisenhower Holding als aandeelhouder van Body Engineers B.V.) bereid is geweest te praten over de overdracht van de merkregistraties op naam van Body Engineers B.V., maakt dit oordeel niet anders.

4.12.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat [gedaagde sub 2] ter zitting een geheel andere verklaring heeft gegeven voor de inschrijving/registratie op naam van Eisenhower Holding, namelijk dat hij niet beschikte over een volmacht om de merken te laten inschrijven/registreren op naam van [eiser] en dat hij vanuit het voornemen de merken later alsnog over te dragen, ook niet heeft gevraagd om een dergelijke volmacht. Ook dat verweer is weersproken en niet onderbouwd en nu deze verklaring zo anders is dan het in de conclusie van antwoord gevoerde verweer, is er nog minder reden om voetstoots uit te gaan van de juistheid van dat (in de conclusie van antwoord gevoerde) verweer.

4.13.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat [eiser] [gedaagde sub 2] heeft gevraagd zorg te dragen voor de merkinschrijving/registratie op naam van [eiser] . Nu de merken vervolgens feitelijk op naam van de onderneming van [gedaagde sub 2] zijn ingeschreven/geregistreerd, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 2] zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [eiser] niet is nagekomen.

4.14.

Door [eiser] is gevorderd Eisenhower Holding te veroordelen de merkregistraties over te dragen. Gelet echter op hetgeen [eiser] in dat verband naar voren heeft gebracht en hiervoor is besproken, strekt die vordering ertoe [gedaagde sub 2] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst en aldus te bewerkstelligen dat de merken op naam van [eiser] komen te staan. De vordering wordt dan ook in die zin toegewezen waarbij de rechtbank zal bepalen dat voor zover [gedaagde sub 2] daarbij de medewerking van Eisenhower Holding nodig heeft, hij er als enig bestuurder voor dient te zorgen dat die medewerking wordt verkregen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als na te melden.

4.15.

De vordering van [eiser] dat gedaagden door de merken op naam van Eisenhower Holding in te laten schrijven/te laten registreren onrechtmatig hebben gehandeld wordt afgewezen, nu het niet-nakomen door [gedaagde sub 2] niet zonder meer kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen. Om tot een dergelijk oordeel te komen zijn bijkomende omstandigheden nodig die door [eiser] niet zijn gesteld noch zijn gebleken.

Auteursrechthebbende

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat voldoende is gebleken dat [eiser] met zijn vordering betreffende het auteursrecht, die is ingesteld naast de vordering met betrekking tot de woord-/beeldmerken, afzonderlijk belang heeft. Dat belang ligt, gelet op het hierna te noemen standpunt van gedaagden, in de mogelijkheid dat [eiser] als (toekomstige) merkhouder, geconfronteerd zou kunnen worden met claims van (rechts)personen die stellen mede-auteursrechthebbende te zijn.

4.17.

Een voortbrengsel komt voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking als het voor menselijke waarneming vatbaar is, een eigen oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt en niet enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect.

4.18.

Voor wat betreft de naam Body Engineers heeft [eiser] gesteld dat deze naam een creatieve schepping is, waarbij ‘engineers’ niet alleen verwijst naar het construeren of vormgeven van het lichaam, maar ook naar zijn eigen achtergrond als aankomend ingenieur. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer gezegd kan worden dat Body Engineers een louter beschrijvende naam is die geen auteursrechtelijke bescherming zou kunnen genieten. Gedaagden hebben ook slechts het blote verweer gevoerd dat de naam Body Engineers geen auteursrechtelijke bescherming zou hebben omdat het geen werk is als beschermd door de Auteurswet. Nu enige onderbouwing van dat betoog ontbreekt, gaat de rechtbank daaraan voorbij en ligt de gevorderde verklaring voor recht voor wat betreft de naam voor toewijzing gereed.

4.19.

Ook voor wat betreft het Body Engineers-logo stelt [eiser] dat hij het heeft ontworpen en dat daarop auteursrecht rust. Gedaagden betwisten dat, omdat het logo zou zijn ontleend aan drie reeds bestaande logo’s en daarom geen auteursrechtelijk te beschermen werk zou zijn. Voorts voeren gedaagden aan dat [eiser] het logo niet zelf heeft ontworpen, maar samen met [A] en [gedaagde sub 2] , zodat, als al sprake is van een auteursrechtelijk te beschermen werk, sprake is van co-auteurschap.

4.20.

Het logo is opgebouwd uit ten minste drie elementen: de eerste twee letters van de naam Body Engineers waarbij de letter B is gespiegeld, twee vleugels en een vijfhoek (pentagon). Dat de vleugels zijn overgenomen van de website van het bedrijf Vector Templates die ze daarop aan het algemeen publiek om niet ter beschikking had gesteld, is niet in geschil. Wel is in geschil of en zo ja, in hoeverre, de twee andere elementen zijn ontleend aan de hierna afgebeelde tekens van Superman en Bugatti:

Spiderman:Bugatti:

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele vraag of sprake is van ontlening geen beantwoording behoeft. Het gaat in deze zaak immers niet om de vraag in hoeverre het logo inbreuk maakt op mogelijke auteursrechten van derden, maar om de vraag of het logo zelf auteursrechtelijke bescherming geniet. Ook wanneer sprake is van ontlening aan voormelde tekens, kan de bewerking ervan als zodanig als een oorspronkelijk werk worden aangemerkt.

4.22.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. De elementen uit de betreffende tekens zijn in ieder geval deels anders vormgegeven: voor zover al sprake zou zijn geweest van inspiratie door het Bugatti-teken, zijn de letters ten opzichte daarvan omgedraaid en gespiegeld, de letter E als zodanig is ook anders vormgegeven, met name aan de uiteinden van de drie horizontale strepen en (zoals gedaagden ook hebben erkend) is in de letter E een halter aangebracht die in het Bugatti-teken ontbreekt. Voorts zijn de drie elementen niet één op één naast elkaar gezet, maar op zodanig creatieve wijze samengevoegd dat een logo met een eigen oorspronkelijk karakter is ontstaan. Het Body Engineers-logo komt derhalve naar het oordeel van de rechtbank auteursrechtelijke bescherming toe.

4.23.

Ter onderbouwing van haar verweer dat [eiser] niet de enige maker van het Body Engineers-logo is, wijzen gedaagden op de sub 2.8 opgenomen Facebook-chat van 29 september 2012 waarin [eiser] tegen [gedaagde sub 2] zegt: “but me and [A] changed the color to orange”. Daaruit zou blijken dat [A] de kleur oranje had verzonnen zodat [A] in ieder geval als mede-auteursrechthebbende moet worden aangemerkt. Ook voeren gedaagden aan, althans is dat door [gedaagde sub 2] ter zitting naar voren gebracht, dat het idee om een relatie te leggen met superhelden door [gedaagde sub 2] is genoemd toen hij met [eiser] besprak dat het belangrijk was dat het logo kracht zou uitstralen.

4.24.

Voor wat betreft de kleur van het Body Engineers-logo, is het volgende van belang. De eerste openbaarmaking ervan op 13 september 2012 blijkt, na opening van de bijlagen op de USB-stick, in zwart met rood te zijn geweest. Het uiteindelijke beeldmerk is gedeponeerd in de kleur oranje. Uit de door [eiser] als productie 3 overgelegde afbeeldingen blijkt dat het logo later nog in vele kleurstellingen is gebruikt, waaronder goud, felroze en kleurcombinaties als zwart met blauw. Hieruit blijkt dat de kleur geen belangrijk bestanddeel is van het oorspronkelijke ontwerp en geen invloed heeft op het eigen oorspronkelijk karakter, zodat eventuele bemoeienis van [A] met de kleurkeuze, niet maakt dat deze mede-auteursrechthebbende is.

4.25.

Of het inderdaad zo is geweest dat [gedaagde sub 2] het idee zou hebben aangedragen om een relatie te leggen met superhelden zodat – zo begrijpt de rechtbank – het idee voor gebruik van het pentagon-teken eigenlijk van hem afkomstig is (hetgeen [eiser] overigens bestrijdt), kan in het midden blijven. Immers, gebruik maken van een idee van een ander voor een element van een auteursrechtelijk beschermd werk, leidt er niet zonder meer toe dat ook die ander kan worden aangemerkt als maker ervan. Niet in geschil is dat het feitelijke ontwerpen is gedaan door [eiser] en dat [gedaagde sub 2] daarbij niet betrokken is geweest. Dat blijkt overigens ook uit de hiervoor sub 2.4 geciteerde Facebook-chat van 11 september 2012 waarin [eiser] [gedaagde sub 2] het ontwerp toont en [gedaagde sub 2] [eiser] complimenteert met het ontwerp: “Shit, man. UR an artist as wel?” De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat ook [gedaagde sub 2] geen mede-auteursrechthebbende is.

4.26.

Gelet op het vorengaande wordt naast de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de naam, ook de gevorderde verklaring met betrekking tot het Body Engineers-logo toegewezen.

4.27.

De vordering om gedaagden te veroordelen tot het staken dan wel gestaakt houden van inbreuk op de auteursrechten van [eiser] , wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat gedaagden met betrekking tot de woord-/beeldmerken op dit moment enige handeling verrichten, anders dan het late voortduren van de merkregistraties op naam van Eisenhower Holding. Nog daargelaten de vraag of dit auteursrechtelijk relevant handelen is, geldt dat aan die situatie een einde wordt gemaakt bij uitvoering van hetgeen in dit vonnis wordt bepaald met betrekking tot de wijziging van de tenaamstelling van de woord-/beeldmerken. De rechtbank ziet dan ook niet in welk separaat belang [eiser] nog heeft bij de inbreukvorderingen betreffende het auteursrecht.

4.28.

Gelet op het hiervoor sub 4.14 gegeven oordeel wordt aan beoordeling van de subsidiaire vorderingen (nietigverklaring/ambtshalve doorhaling), voor zover daarvoor al grond zou zijn, niet toegekomen.

Proceskosten

4.29.

Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv aan de kant van [eiser] .

4.30.

De hoogte van de proceskosten wordt in beginsel gemaximeerd door de IE-indicatietarieven2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een eenvoudige bodemzaak waarvoor een maximumtarief geldt van € 8.000,- exclusief verschotten, griffierechten en BTW. De kostenopgave van [eiser] stijgt daar bovenuit, zodat de rechtbank in ieder geval niet alle gevorderde kosten toewijst. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van gedaagden dat de zaak dermate eenvoudig is dat het liquidatietarief zou moeten worden toegepast. Daarbij gaat de rechtbank er overigens wel vanuit dat in het bedrag van € 8.000,- tevens de advocaatkosten van het beslag zijn verdisconteerd, aangezien de inhoud van het beslagrekest grotendeels over is genomen in de dagvaarding. Nu de door eiser overgelegde facturen van zijn advocaat op naam van Madrugada Holding B.V. zijn gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser] de betaling van de advocaatkosten via zijn vennootschap laat lopen en aldus BTW kan verrekenen, zodat geen plaats is voor vermeerdering van de kosten met BTW. Wel worden de kosten vermeerderd met een bedrag ad € 288 aan griffierecht dat is geheven met betrekking tot het beslagrekest en explootkosten van € 329,09 in het kader van het beslag en € 101,82 voor de dagvaarding. In deze zaak is gelet op het ingediende beslagrekest, geen griffierecht meer geheven dat voor vergoeding in aanmerking komt.

4.31.

Voor een veroordeling in de door [eiser] gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de proceskostenveroordeling voor die kosten een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis alle daarvoor noodzakelijke inspanningen ter verrichten, zowel privé als in zijn hoedanigheid van bestuurder van Eisenhower Holding, om er voor te zorgen dat het Benelux-woord-/beeldmerk met nummer 946919 en het Europese woord-/beeldmerk met nummer 12883427 op naam van [eiser] worden gezet, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250 per dag (een gedeelte van de dag als een hele gerekend) dat hij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000;

5.2.

veroordeelt gedaagden in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op € 8.718,91;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

verklaart voor recht dat de naam Body Engineers en het Body Engineers-logo worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van de Auteurswet en dat [eiser] daarop auteursrechthebbende is;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.3

1 ECLI:NL:GHAMS:2017:2701

2 Versie 1 april 2017

3 type: coll: