Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:471

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
09/817414-17, 09/818600-17 en 09/807287-17 (
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal met geweld en een poging daartoe, mishandeling, brandstichting en diefstal in vereniging. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 4 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/817414-17 (dagvaarding I), 09/818600-17 (dagvaarding II) en 09/807287-17 (dagvaarding III).

Datum uitspraak: 19 januari 2018

Tegenspraakh

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Veldzicht Vreemdelingen” te Balkbrug.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.K. Schoep en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. W.S. Korteling, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van dagvaarding I:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te 's-Gravenhage op de openbare weg,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (omstreeks 00:05 uur) ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen Iphone 6s (althans enig goed van

zijn gadig), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te

doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] te plegen met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren:

- die Iphone 6s onverhoeds heeft vastgepakt en/of

- ( met kracht) aan die Iphone 6s heeft gerukt/getrokken en/of

- die [slachtoffer 1] (meermaals) met kracht heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] met kracht aan haar haren heeft getrokken en/of

- een mes in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden althans een mes aan

die [slachtoffer 1] heeft getoond en/of

- daaraan de woorden heeft toegevoegd: "pas op ik heb een mes en ga jou

steken" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en

wederrechtelijk het luikje van de deur van een (observatie)cel, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Nationale Politie, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd

en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en

wederrechtelijk tegen die deur en/of dat luikje te trappen en/of slaan;

ten aanzien van dagvaarding II:

1.

hij op of omstreeks 06 augustus 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een pan,

althans een hard en/of stevig voorwerp, op het hoofd en/of één of meer arm(en)

van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 augustus 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld

door meermalen, althans eenmaal, op/tegen de benen en/of het hoofd van die [slachtoffer 2]

te slaan/schoppen;

2.

hij op of omstreeks 14 december 2016 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand

heeft gesticht in een cel van de Penitentiaire Inrichtingen Alpen aan den Rijn

[adres] immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

in die cel een hoeveelheid (toilet)papier in brand gestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met enig in

die cel aanwezig brandbaar materiaal, ten gevolge waarvan die cel en/of een

toiletpot en/of een douchegordijn geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige)

inboedel van die cel en/of voor een of meer belendende cel(len) en/of voor de

inboedel van die belendende cel(len), in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

een of meer in die belendende cel(len) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen, te duchten was;

ten aanzien van dagvaarding III:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan

en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal slaan met een ijzeren staaf,

althans een hard voorwerp tegen het gezicht, althans het lichaam van die

[adres] en/of meermalen, althans eenmaal dreigend met een mes stekende

bewegingen in de richting van die [slachtoffer 3] maken;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 september 2017 te 's-Gravenhage, [slachtoffer 3] heeft

mishandeld door meermalen, althans eenmaal met een ijzeren staaf, althans een

hard voorwerp te slaan tegen het gezicht, althans het lichaam van die [slachtoffer 3] ;

2.

hij op of omstreeks 18 augustus 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 60,- euro, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

3.

hij op of omstreeks 30 januari 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ten bedrage van 400,- euro), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en diens mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het dreigen met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van die [slachtoffer 6] .

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking tegen verdachte houdt in dat hij zich ’s nachts op de openbare weg schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld (dagvaarding I, feit 1), vernieling (dagvaarding I, feit 2), poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling in vereniging gepleegd (dagvaarding II, feit 1), brandstichting (dagvaarding II, feit 2), diefstal met geweld in vereniging gepleegd dan wel mishandeling (dagvaarding III, feit 1), diefstal in vereniging gepleegd (dagvaarding III, feit 2) en tenslotte diefstal met geweld in vereniging gepleegd (dagvaarding III, feit 3).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot dagvaarding I heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dagvaarding II op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, zodat vrijspraak dient te volgen voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling (feit 1 subsidiair) en brandstichting (feit 2) met dien verstande dat bij die brandstichting alleen gevaar voor goederen is ontstaan.

Ten aanzien van dagvaarding III heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld dan wel mishandeling zodat vrijspraak moet volgen voor feit 1.

Met betrekking tot feit 2 en 3 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van dagvaarding I heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat voor feit 1 vrijspraak moet volgen nu de enkele omstandigheid dat verdachte ongeveer een uur na het incident op de fiets zat, die eerder door de dader was gebruikt en bij de bushalte was achtergelaten, onvoldoende is voor een veroordeling. Daar komt bij dat de verklaring van aangeefster, dat zij op basis van de fotoconfrontatie vermoedt dat verdachte de dader is, niet voor het bewijs mag worden gebruikt.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging tevens vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat het tenlastegelegde schoppen of het slaan door verdachte tegen het luikje van de politiecel blijkens de camerabeelden niet heeft geleid tot de beschadiging van dat luikje.

Ook met betrekking tot dagvaarding II, feit 1 heeft de verdediging vrijspraak verzocht. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ten tijde van het strafbare feit niet gezien of gecontroleerd is in die buurt en zijn aanwezigheid op die betreffende plek een paar uur eerder niet zegt dat hij daar op het betreffende moment nog steeds was. Daarnaast kan de verklaring van [medeverdachte] niet gebruikt worden voor het bewijs nu deze verklaring ongeloofwaardig is. Uit het dossier blijkt immers dat [medeverdachte] die dag zwaar onder invloed was.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om, indien de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] wel zal gebruiken voor het bewijs, deze verklaring ook te volgen met betrekking tot de fysieke handelingen die verricht zijn. Er is door [medeverdachte] namelijk ook niets verklaard over een pan en deze pan is ook niet aangetroffen. Daar komt nog bij dat er ook geen voorwaardelijk opzet is geweest op zware mishandeling zodat verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de brandstichting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard maar dat alleen sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen, zodat vrijspraak moet volgen ten aanzien van de onderdelen gevaar voor de inboedel van de overige cellen, gevaar voor leven en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 van dagvaarding III vrijspraak bepleit en daarbij verwezen naar de omstandigheid dat de raadkamer gevangenhouding in navolging van de officier van justitie ook al geen ernstige bezwaren voor dit feit heeft aangenomen.

Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van dagvaarding I 1

Feit 1:

Aangifte

[slachtoffer 1] heeft op 26 februari 2017 aangifte gedaan van een poging tot straatroof. Zij heeft verklaard dat zij die nacht omstreeks 00:03 uur samen met haar [collega] bij de bushalte aan de Hengelolaan in Den Haag stond. Zij had haar mobiele telefoon, een Iphone S6, in haar hand toen er een man op de fiets bij hen stopte. De man vroeg hen in gebrekkig Nederlands om sigaretten. Zij had het idee dat de man sprak met een Noord-Afrikaans accent. Zij vertelden de man dat zij geen sigaretten voor hem hadden. Omdat de man steeds dichterbij kwam riepen zij dat hij door moest fietsen. Op enig moment greep de man naar haar mobiele telefoon, maar zij hield haar telefoon stevig vast. Hierna begon de man haar met zijn andere hand in haar gezicht te slaan en greep haar bij haar haren. Zij is daarop hard gaan schreeuwen in de hoop dat omstanders het zouden horen. De man pakte vervolgens een klein zilver zakmes van ongeveer 15 centimeter uit zijn zak. Aan het mes zaten verschillende functies en het had een zwart/rubberen handgreep. Uit schrikreactie greep zij met het haar hand het mes vast en trok het mes uit zijn hand. Op dat moment reed er een andere collega van haar, [naam] , met de auto langs de bushalte. De man had toen nog steeds met zijn andere hand haar mobiele telefoon vast. Toen haar collega uit de auto stapte en naar hen toe kwam, rende de man weg. Zij heeft van haar collega [naam] begrepen dat de man toen in het Arabisch gezegd heeft: “Pas op ik heb een mes en ik ga jou steken”. Nadat de man was weggerend zag zij dat hij zijn fiets bij de bushalte had laten liggen. De dader was rond de 40 jaar, had een lichte bruin/zwarte baardgroei, een normaal postuur, droeg een dikke zwarte dons jas, was 1.75 à 1.80 meter lang, was een onverzorgd type en had donker golvend haar, een kort kapsel.2

Aanhouding

Omstreeks 0:40 uur die nacht zijn twee verbalisanten gaan posten aan de overzijde van de bushalte om te kijken of de dader zijn fiets zou komen ophalen. Om 00:53 uur zagen zij vervolgens van achter de bushalte een man in versnelde pas aan komen lopen. Deze man voldeed aan het signalement van de dader. De man liep de bushalte in en pakte resoluut de betreffende fiets op. Toen de man doorkreeg dat de politie daar aanwezig was probeerde hij er vandoor te gaan. Het bleek te gaan om verdachte.3

Andere bevindingen

Ook [verbalisant 1] is ter plaatse gebleven. Om 00:50 uur zag hij een man uit de bosjes, gelegen achter de betreffende bushalte, rennen richting de bushalte en de fiets in een ruk oppakken en wegrijden.4 Op het moment dat hij de man in het zicht kreeg was de man alleen. Er bevond zich niemand anders in de buurt van die man. De man rende alleen naar de bushalte en werd door niemand vergezeld. In de bushalte zag hij ook geen andere personen zitten of staan. Nadat verdachte op de fiets was gestapt en wegreed zag hij geen andere personen vanaf de locatie waar hij verdachte voor het eerst zag en ook niet vanaf de bushalte of de directe omgeving daarvan.5

Na de aanhouding van verdachte heeft [verbalisant 2] vastgesteld dat het signalement dat aangeefster van de dader had gegeven naadloos overeenkwam met het signalement van verdachte.6

Overwegingen

Vast staat dat aangeefster met de foto van verdachte is geconfronteerd en dat zij toen heeft verklaard dat zij vermoedde dat dit de dader was. De rechtbank constateert dat haar hierbij geen reeks van foto’s van personen die passen binnen het door aangeefster gegeven signalement is getoond (een zogenaamde foslo). Aangeefster heeft slechts de foto van verdachte gezien en daarbij is haar ook nog expliciet de vraag is gesteld of dit de dader is. Dit is een volstrekt onjuiste gang van zaken die maakt dat er grote vraagtekens zijn te zetten bij de betrouwbaarheid van deze verklaring van aangeefster. Met de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel is dat deze verklaring niet gebruikt mag worden voor het bewijs.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank echter wel het volgende vast. De poging tot beroving van de Iphone heeft plaatsgevonden omstreeks 00:05 uur. De dader heeft daarna zijn fiets bij de bushalte laten liggen. Vervolgens komt verdachte die fiets omstreeks 00:50 uur ophalen.

Verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van de poging tot beroving en dat hij samen met een vriend naar de betreffende bushalte is gegaan om de fiets van die vriend op te halen. Deze verklaring acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte heeft zich niet gedragen als iemand die ‘gewoon een fiets van een vriend komt ophalen’. Volgens de politie komt hij namelijk vanachter het bushokje uit de bosjes rennen, pakt direct de fiets op en fietst hij hard weg als hij de politie in de gaten krijgt. Daarnaast heeft de politie op dat moment niemand ook maar in de buurt van verdachte gezien. Verder constateert de rechtbank dat verdachte wisselend verklaart over de persoon met wie hij die avond zou zijn geweest. Uiteindelijk heeft verdachte zijn vriend [medeverdachte] aangewezen als de dader van de poging tot beroving. Zoals hij zelf ook heeft beaamt, spreekt deze echter perfect Nederlands, hetgeen niet strookt met wat aangeefster hierover verklaard heeft. Dat [medeverdachte] een acteur is die zich makkelijk zo voordoet, met name als hij berovingen pleegt, zoals verdachte ook heeft verklaard, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte gewoon onzin vertelt. Bij dit alles weegt voor de rechtbank verder mee dat verdachte zelf wel gebrekkig Nederlands spreekt en dat Arabisch zijn voertaal is, hetgeen past bij het taalgebruik van de dader, zoals dat volgt uit de verklaring van aangeefster. Daarnaast past verdachte ook binnen het signalement dat aangeefster van de dader heeft gegeven.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich in de nacht van 26 februari 2017 op de openbare weg schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal van een Iphone S6, die werd voorafgegaan van - en vergezeld met geweld tegen aangeefster.

Feit 2:

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft verklaard dat hij meermalen tegen het luikje van de observatiecel heeft geschopt. Zoals de verdediging echter terecht stelt, blijkt uit het dossier dat de politie het betreffende luikje heeft opengezet, dat verdachte met zijn rechterarm door het luikje is gegaan en meermalen een op en neer gaande beweging heeft gemaakt. Ten gevolge hiervan is het slot van het luikje kapot gegaan en is de draaiknop van het luikje losgekomen. Aan verdachte is echter tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van het luikje door daar tegen te slaan of te schoppen. Dit laatste kan dus niet wettig bewezen worden zodat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan vernieling maar niet op de hem verweten manier. Daarom dient hij ten aanzien van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van dagvaarding II 7

Feit 1

Aangifte

Op 6 augustus 2017 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mishandeling die om 19:30 uur heeft plaatsgevonden. Hij heeft onder meer verklaard dat zijn broertje hem om 17:25 uur verteld had dat hij bedreigd was door zijn buurman. Daarop is aangever naar de Middenstede in Den Haag gegaan om met de buurman van zijn broertje te praten. Toen hij aanbelde bij [huisnummer] deed er niemand open. Wel werd het raam aan de voorzijde geopend door de Marokkaanse buurman. Hij vroeg de buurman vervolgens waarom hij zijn broertje had bedreigd. De buurman ontkende dit en daarop heeft hij de buurman gevraagd om naar beneden te komen. Vervolgens hoorde hij de buurman met een ander persoon binnen in zijn woning praten waarna er twee mannen naar beneden kwamen, de Marokkaanse buurman en een getinte man. Hij vroeg toen nogmaals aan de buurman waarom hij zijn broertje had bedreigd. Op dat moment zag hij een voorwerp in de hand van de buurman. Daarnaast had de tweede man een zilverkleurige koekenpan in zijn hand. Beide mannen namen vervolgens een dreigende houding aan waardoor hij wist dat hij zou worden aangevallen. Toen hij zag dat de buurman een stap richting hem deed met het voorwerp in zijn hand, heeft hij de buurman naar achteren geduwd. De tweede man sloeg hem toen met de pan op zijn rechter pols. Daarop heeft hij deze tweede man een vuist op zijn gezicht gegeven. Op dat moment voelde hij dat hij van achteren getrapt werd tegen zijn benen. Ook voelde hij dat hij van achteren op zijn hoofd werd geslagen. Vervolgens draaide hij zich direct om en zag toen dat de buurman hem had geslagen en geschopt. Op dat moment werd hij door de tweede man met de pan aan de zijkant van zijn hoofd geslagen, waardoor hij is gevallen. Hij stond toen duizelig op om het portiek uit te vluchten en kreeg op het moment dat hij het portiek wilde uitvluchten een trap van achteren. Buiten zag en voelde hij dat hij op zijn hoofd aan het bloeden was. Aangever heeft de tweede man als volgt omschreven: een getint uiterlijk, ongeveer 1.85 meter lang, iets forser dan de buurman, kort donker haar en hij droeg een grijs T-shirt met korte mouwen.8 Een arts heeft geconstateerd dat er bij aangever een bult en blauwe plek op zijn pols en twee wondjes zichtbaar waren op de behaarde hoofdhuid met een gering uitwendig bloedverlies.9

Bevindingen

Eerder die dag omstreeks 17:47 uur zijn [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , naar aanleiding van de melding dat er een vrouw geschopt zou worden, naar het [adres] te Den Haag gegaan. Aldaar troffen zij [medeverdachte] aan die bij de portiekdeur van [huisnummer] stond. In de woning trof [verbalisant 3] vervolgens een man aan die in gebrekkig Nederlands verklaarde dat hij een beetje dronken was en dat hij op de bank sliep. Deze man verklaarde [naam] te heten en te zijn [geboortedatum] . Deze man was ongeveer 1.80 meter lang, was licht getint, had zwart haar en droeg een donkere blauwe spijkerbroek en een grijs polo shirt.10

Verdachten

Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 augustus 2017 in de middag bij [medeverdachte] thuis is geweest en toen inderdaad is gecontroleerd door de politie, maar dat hij daar later die dag, toen de mishandeling heeft plaatsgevonden, niet meer was. Hij heeft tevens verklaard dat hij later van [medeverdachte] heeft gehoord dat [medeverdachte] op dat moment samen was met ene [naam] en dat zij samen iemand met een pan op het hoofd hebben geslagen, omdat zij die persoon wilden beroven van cocaïne. Verdachte heeft bevestigd dat hij door [medeverdachte] [naam] wordt genoemd.11

[medeverdachte] heeft daarentegen verklaard dat hij de betreffende dag samen met [naam] naar beneden is gelopen en de deur heeft opengemaakt om de broer van de bovenbuurman binnen te laten. De broer van de buurman begon hem toen meteen te slaan en daarop heeft [naam] de man geslagen. Vervolgens hebben [naam] en de man elkaar over en weer en meerdere malen geslagen. Er zou niet geslagen zijn met een pan.12

Overwegingen

De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat aangever door de buurman van zijn broertje en een andere man is mishandeld. Op grond van de aangifte, de letselbeschrijving en de verklaring van verdachte is hij hierbij ook met een pan op zijn hoofd geslagen.

Volgens [medeverdachte] is verdachte de andere man. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. Het gegeven dat [medeverdachte] zelf verdachte is en zijn eigen rol probeert te bagatelliseren, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat zijn verklaring dat verdachte erbij was, steun vindt in het dossier. Volgens aangever droeg de andere man een grijs t-shirt met korte mouwen en dat komt overeen met de bovenkleding die verdachte droeg toen hij nog geen twee uur tevoren door de politie werd aangetroffen in de woning van [medeverdachte] . Voorts past verdachte ook in het signalement dat aangever geeft van de tweede man. De rechtbank wordt verder in haar overtuiging gesterkt doordat verdachte ook hier steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd.

Conclusie

Of iemand met een pan op het hoofd slaan zwaar lichamelijk letsel op levert, hangt onder meer af van de plaats op het hoofd waar geslagen is en de kracht waarmee geslagen is. Gelet op het geringe letsel dat bij aangever is geconstateerd, kan niet geoordeeld worden dat zodanig is geslagen dat sprake had kunnen zijn zwaar lichamelijk letsel. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat in zoverre vrijspraak dient te volgen had.

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op 6 augustus 2017 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] .

Feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat door de brandstichting concreet gevaar voor de (inboedel van de) belendende cellen, levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die belendende cellen aanwezig personen te duchten is geweest, zodat verdachte van die onderdelen uit de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Aangezien verdachte heeft bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2018;

  • -

    proces-verbaal van aangifte, blz. 144 en 145, met bijlagen.

Ten aanzien van dagvaarding III 13

Feit 1:

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld dan wel mishandeling op 25 september 2017. Duidelijk is toen dat sprake is geweest van een confrontatie tussen aangever en verdachte. De verklaringen van aangever zijn echter onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Aangever sprak volgens de politie namelijk gebrekkig Nederlands en is desondanks steeds zonder tolk gehoord. De twee getuigen verklaren daarnaast tegenstrijdig over de rol van verdachte (hij was de bedreiger dan wel de bedreigde). Onder deze omstandigheden is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat vrijspraak dient te volgen.

Feit 2:

De rechtbank constateert dat door de politie in de handen van [medeverdachte] – die ter plekke op heterdaad is aangehouden – 51 munten van 0,50 eurocent werden aangetroffen. Dit gegeven in combinatie met het gegeven dat 0,50 eurocent ingeworpen moet worden om de speelautomaat te kunnen starten, 14 maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het hierbij gaat om munten die door verdachte en [medeverdachte] zijn weggenomen uit de betreffende speelautomaat. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een voltooide diefstal.

Aangezien verdachte voor het overige heeft bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging gepleegd en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, blz. 164 en 165.

Feit 3:

Aangezien verdachte heeft bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, blz. 92 en 93;

  • -

    het proces verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 6] , afgelegd bij de rechter-commissaris.

Met betrekking tot het voorwerp dat verdachte tijdens de diefstal in zijn hand heeft gehad, overweegt de rechtbank dat zij op de camerabeelden heeft gezien dat verdachte op enig moment zijn hand omhoog doet, dat hij op dat moment iets kleins in zijn hand heeft, dat hij vervolgens zijn hand naar boven schudt en dat er dan iets te voorschijn komt dat de vorm heeft van een lemmet.15 Op grond van deze waarneming in combinatie met de verklaring van aangeefster [slachtoffer 6] die het uitdrukkelijk over een mes heeft, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte in ieder geval gebruikt heeft gemaakt van een op een mes gelijkend voorwerp.

Dat verdachte deze winkeloverval samen met een ander zou hebben gepleegd kan uit de beelden en het dossier niet worden afgeleid. In zoverre dient vrijspraak te volgen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I:

1.

hij op 26 februari 2017 te 's-Gravenhage op de openbare weg, gedurende de voor

de nachtrust bestemde tijd (omstreeks 00:05 uur) ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te

nemen Iphone 6s, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en daarbij die voorgenomen diefstal te

doen voorafgaan en vergezellen van geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken:

- die Iphone 6s onverhoeds heeft vastgepakt en

- ( met kracht) aan die Iphone 6s heeft gerukt/getrokken en

- die [slachtoffer 1] meermaals met kracht heeft geslagen en

- die [slachtoffer 1] met kracht aan haar haren heeft getrokken en

- een mes aan die [slachtoffer 1] heeft getoond

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van dagvaarding II:

1.

hij op 06 augustus 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen tegen de benen en het hoofd van die

[slachtoffer 2] te slaan/schoppen;

2.

hij op 14 december 2016 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht in een

cel van de Penitentiaire Inrichtingen Alpen aan den Rijn (gevestigd Maatschapslaan 1),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die cel een hoeveelheid (toilet)papier

in brand gestoken, ten gevolge waarvan een toiletpot en een douchegordijn gedeeltelijk

zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) inboedel van die cel te

duchten was;

ten aanzien van dagvaarding III:

2.

hij op 18 augustus 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag,

toebehorende aan [slachtoffer 4] .

3.

hij op 30 januari 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 5] , welke

diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond

uit het dreigen met een op een mes gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 6] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren op te leggen, waarvan een groot deel voorwaardelijk.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere feiten waarbij hij ook meermalen geweld niet heeft geschuwd. Begin vorig jaar heeft hij geprobeerd met geweld de telefoon van aangeefster af te pakken. Zij stond die nacht na afloop van haar werk met een vriendin op de bus te wachten. Verdachte heeft aangeefster geslagen, aan haar haren getrokken en haar een mes getoond. Het is aan het moedige verzet van aangeefster en de komst van een mannelijke collega te danken dat het bij een poging is gebleven en dat het letsel is meegevallen. De rechtbank kan zich echter goed voorstellen dat het voor aangeefster een bijzonder nare ervaring is geweest waardoor zij zich lange tijd heel onveilig heeft gevoeld. Dat heeft ook te gelden voor de medewerkster van de Poolse avondmarkt waar verdachte dit najaar de kassa heeft geplunderd. Hij deed zich voor als klant, kocht een blikje voor 0,50 eurocent en toen de medewerkster de kassalade opende, dook hij er bovenop. Ook deze medewerkster heeft geprobeerd erger te voorkomen maar door haar een mes, althans iets wat daarop leek, te tonen, heeft zij zich teruggetrokken en verdachte zijn gang laten gaan. Daarnaast heeft verdachte samen met een ander heel brutaal op klaarlichte dag een kinderspeeltoestel opengebroken. Veel omstanders zijn hier getuige van geweest. Uit dit alles volgt dat verdachte geen enkel respect heeft voor anderen, hun lichamelijke of geestelijke welzijn, of hun eigendommen.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een mishandeling. Wat ook de aanleiding moge zijn, geweld is niet de manier om eventuele problemen of meningsverschillen op te lossen.

Tenslotte heeft verdachte in zijn cel brandstichting gepleegd door toiletpapier in de brand te steken ten gevolge waarvan een toiletpot en een douchegordijn in die cel gedeeltelijk zijn beschadigd. Hij wilde naar eigen zeggen aandacht trekken. Daarmee heeft hij in ieder geval gevaar voor de overige inboedel van de cel veroorzaakt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij deze brand heeft gesticht zonder na te denken over de mogelijke consequenties.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 1 december 2017. Daaruit volgt dat verdachte al meermalen is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Dit heeft verdachte er duidelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia rapporten van 13 juni 2017, opgesteld door [psychiater] en van 15 juni 2017, opgesteld door [psycholoog] . Bij verdachte is sprake van ernstige verslavingsproblematiek (voornamelijk cocaïne maar ook alcohol en in verminderde mate cannabis). Het middelengebruik veroorzaakt soms kortdurende psychoses bij hem. Verder zijn er trekken van een anti persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven) en is sprake van zwakbegaafdheid. Er is dus veel mis met verdachte maar omdat hij de feiten ontkent, kan alleen vanuit zorgoogpunt geadviseerd worden dat behandeling nodig is en alleen mogelijk door een langdurige opname in een verplicht kader.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 2 mei 2017. Daarin adviseert de reclassering om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat er vanwege zijn gebrek aan een verblijfsstatus geen andere straf kan worden opgelegd.

Bij de bepaling van de zwaarte van de straf neemt de rechtbank verder tot uitgangspunt de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten). Bij een diefstal met geweld wordt doorgaans, per diefstal, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren opgelegd. De rechtbank neemt dit als uitgangspunt. Bij verdachte gaat het om een voltooide diefstal met geweld en een poging. Maar wel om een poging die heeft plaatsgevonden in de nacht op de openbare weg, hetgeen strafverzwarend is. Daarnaast heeft verdachte nog drie andere strafbare feiten gepleegd. Tenslotte overweegt de rechtbank dat verdachte noch bij de politie noch ter zitting er enig blijk van heeft gegeven de ernst van de hem verweten feiten in te zien en hiervoor verantwoordelijkheid te willen nemen. Integendeel, alleen als hij er echt niet onder uit kan, bekent hij het feit en dan legt hij veelal de schuld van zijn handelen buiten zichzelf, ja zelfs bij zijn slachtoffer.

De rechtbank onderkent dat verdachte zich als gevolg van zijn ongewenst verklaring in een uitzichtloze situatie bevindt en constateert dat deze situatie ook zwaar op hem drukt omdat zijn dochter in Nederland mag verblijven. Dit gebrek aan een verblijfstatus maakt dat er thans geen hulpverlening voor onder andere zijn drugsgebruik mogelijk is. Aan de andere kant heeft verdachte dit aan zichzelf te wijten en heeft hij – door het plegen van dit soort ernstige misdrijven – zijn kansen op het legaliseren van zijn verblijf thans verder geminimaliseerd.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur ter bescherming van de maatschappij aangewezen. Alles overziend is naar het oordeel van de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 57, 157, 300, 310, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/817414-17 onder 2, de bij dagvaarding II met parketnummer 09/818600-17 onder 1 primair en de bij dagvaarding III met parketnummer 09/807287-17 onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/817414-17 onder 1, de bij dagvaarding II met parketnummer 09/818600-17 onder 1 subsidiair en 2 en de bij dagvaarding III met parketnummer 09/807287-17 onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van dagvaarding III, feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van dagvaarding III, feit 3:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. W.N.L. Donker, rechter,

mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 januari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017054826, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - Zuid, basisteam Zuiderpark (doorgenummerd blz. 1 t/m 194, met bijlagen).

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 20 en 21.

3 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 9 en 10.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 30

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 101.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 36.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017229623, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - Zuid, basisteam Beresteinlaan (doorgenummerd blz. 1 t/m 169).

8 Proces-verbaal van aangifte, blz. 84 en 85.

9 Geschrift, te weten geneeskundige verklaring, blz. 91 en 92.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 95.

11 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2018.

12 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , blz. 104.

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017029243, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - Zuid, districtsrecherche Den Haag - Zuid (doorgenummerd blz. 1 t/m 270, met bijlage).

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 189.

15 Eigen waarneming van de rechter op de terechtzitting van 5 januari 2018.