Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4699

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
C/09/18/101 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet door curator. Geen voldoende gerechtvaardigd belang bij het doen van eigen aangifte faillissement. Misbruik van bevoegdheid.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0128
RI 2018/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/18/101 F

uitspraakdatum : 13 april 2018

In het faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] Den Haag Holding B.V. ,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 27118426,

statutair gevestigd te 's-Gravenhage,

vestigingsadres: 9541 XP Vlagtwedde, Veelerveensterweg 10,
geopposeerde,

heeft mr. M.J.M. Hemmes, advocaat te Groningen, namens mr. S. de Vos (pro se), advocaat te Groningen, hierna te noemen: opposante, een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot vernietiging van het vonnis van 20 maart 2018, waarbij geopposeerde op eigen aangifte in staat van faillissement werd verklaard met benoeming van mr. P. Molema tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. S. Vos, voornoemd, als curator.

1 De procedure en behandeling ter terechtzitting

1.1

Het verzetschrift is op 27 maart 2018, bij de rechtbank ingediend.

1.2

Het verzoek is op 13 april 2018 ter terechtzitting behandeld. Bij deze behandeling zijn verschenen:

- mr. M.J.M. Hemmes namens opposante (hierna de curator);

- [X], bestuurder van geopposeerde.

1.3

De curator stelt in zijn verzetschrift dat [Y] Den Haag Holding B.V. (hierna [Y]) de bevoegdheid om (eigen) aangifte faillissement te doen, heeft misbruikt. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

Ten tijde van de eigen faillissementsaanvraag en (thans nog altijd) beschikt(e) [Y] niet over enig actief dat ten behoeve van de boedel door de curator kon worden uitgewonnen. Zowel[Yp als haar bestuurder waren met deze feiten bekend. Aldus was al voorafgaand aan de faillissementsaanvraag bekend dat er voor de te benoemen curator geen te verrichten werkzaamheden ter zake van het vereffenen en verdelen van enig actief zouden resteren. Er bestond geen voldoende gerechtvaardigd belang bij een faillissementsaanvraag mede gelet op het aanwezige alternatief van ontbinding van de besloten vennootschap ex artikel 2:19 BW. De curator wordt door de benoeming belast met de werkzaamheden die tot beëindiging van het bestaan van de gefailleerde vennootschap moeten leiden, zonder dat de curator voor zijn werkzaamheden enige vergoeding tegemoet kan zien. Aldus worden de belangen van de curator door diens aanstelling onevenredig geschaad. Opposant verzoekt om veroordeling in de kosten.

1.4

Namens geopposeerde is – kort samengevat – het volgende aangevoerd:
Bij een advocaat en een accountant is informatie ingewonnen en het advies was om eigen aangifte van het faillissement te doen. De vennootschap is leeg en de bestuurder verkeert in een slechte financiële situatie en is voornemens een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2 De beoordeling

2.1

In de eerste plaats dient de ontvankelijkheid van de curator in zijn verzet te worden beoordeeld. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3269 en Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:3636, NJ 2016/172 volgt dat de curator pro se als belanghebbende in artikel 10 Fw moet worden aangemerkt. Het verzet is op 27 maart 2018, en daarmee tijdig, ingesteld. De curator is daarom ontvankelijk in zijn verzet.

2.2

Dit brengt de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of geopposeerde terecht in verzet is gegaan. Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3269 volgt dat het enkele feit dat de boedel leeg is of blijkt te zijn, geen grond is voor verzet door de curator op grond van artikel 10 Fw. Voor het slagen van het verzet is vereist dat de faillissementsaanvraag is aan te merken als misbruik van bevoegdheid. Daarvan kan sprake zijn indien degene die het faillissement aanvraagt, op het moment van de aanvraag weet dan wel behoort te weten dat de boedel leeg is en geen voldoende gerechtvaardigd belang bij de aanvraag heeft, eventueel mede in verband met voor hem beschikbare alternatieven. Een voldoende gerechtvaardigd belang kan zijn om de ontbinding van de rechtspersoon te bewerkstelligen.

2.3

In de onderhavige eigen aangifte is te kennen gegeven dat de vennootschap, op een verhypothekeerd pand en een openstaande rekening-courantverhouding tussen geopposeerde en haar bestuurder na, geen bezittingen heeft. Ter zitting is komen vast te staan dat het pand voorafgaande aan het faillissement onderhands is verkocht en dat er een flinke restschuld resteert. Opposant heeft onweersproken verklaard dat uit zijn onderzoek naar voren is gekomen dat er geen verhaalsmogelijkheden zijn op de bestuurder. Er is thans geen te vereffenen vermogen en gesteld noch gebleken is dat hier verandering in zal (kunnen) komen. Ter zitting heeft geopposeerde erkend dat haar ten tijde van het doen van de eigen aangifte bekend was dat er sprake was van een lege boedel.

2.4

Namens [Y] is geen voldoende gerechtvaardigd belang bij het doen van eigen aangifte gesteld. Er is slechts aangevoerd dat door de enig aandeelhouder en bestuurder informatie is ingewonnen bij een advocaat en accountant en dat die de eigen aangifte hebben aangeraden. Dit is onvoldoende om een gerechtvaardigd belang aan te nemen. Ten tijde van de indiening van de eigen aangifte stond de mogelijkheid open om de ontbinding van de besloten vennootschap [Y] Den Haag Holding B.V. te bewerkstelligen via de weg van artikel 2:19 lid 1, aanhef en onder a BW. Uit het bepaalde van artikel 2:19 leden 4 en 5 volgt dat, indien er ten tijde van de ontbinding geen baten zijn (te verwachten), geen vereffening volgt en de vennootschap terstond ophoudt te bestaan (‘turbo-liquidatie’). De weg van artikel 2:19 lid 1, aanhef en onder a BW was in dit geval een eenvoudige en snelle manier geweest om tot ontbinding van de vennootschap te komen. Door niet hiervoor te kiezen maar voor eigen aangifte faillissement, is de curator in de positie gebracht dat hij werkzaamheden moet uitvoeren zonder dat daar een vergoeding tegenover staat. Aan de door Veendorp gemaakte keuze lag – zoals hiervoor is overwogen – geen gerechtvaardigd belang ten grondslag. Dit brengt met zich mee dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Het verzoek van de curator zal derhalve worden toegewezen, zodat het vonnis waarbij [Y] Den Haag Holding B.V., in staat van faillissement is verklaard zal worden vernietigd.

2.5

De rechtbank zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 lid 3 Fw. het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen en bepalen dat deze ten laste komen van degene die de faillietverklaring heeft aangevraagd, zijnde geopposeerde. De rechtbank ziet aanleiding om de kosten te matigen en zal het door opposant gevraagde (ad € 6.155,80 exclusief btw) vaststellen op een bedrag van € 4.760,10 exclusief btw.

BESLISSING:

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt het op 20 maart 2018 uitgesproken faillissement van:

Besloten Vennootschap

[Y] Den Haag Holding B.V.,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 27118426,

statutair gevestigd te 's-Gravenhage,

vestigingsadres: 9541 XP Vlagtwedde, Veelerveensterweg 10,

- bepaalt dat de kosten van het salaris van de curator en het bedrag van de faillissementskosten, vastgesteld op € 4.760,10, ten laste komen van geopposeerde.

Gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2018 in aanwezigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier.