Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
NL18.2783
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cubaanse homoseksueel, relaas geloofwaardig, niet zwaarwegend, geen schending artikel 3 van het EVRM of vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2783


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Smit).


Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is A.M. van den Berg-Bario als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Cubaanse nationaliteit. Hij heeft op 15 december 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en als gevolg hiervan problemen in zijn land van herkomst heeft ondervonden. Zo zijn eiser en zijn partner in juli 2017 in [plaats 1] meerdere keren staande gehouden en naar hun identiteitspapieren gevraagd. Ook is eiser op zijn verjaardag uit een club gezet en door de politie een nacht op het bureau van [plaats 2] vastgehouden, omdat zijn partner hem omhelsde en zoende. De neefjes van zijn partner worden vanwege de geaardheid van eiser en die van zijn partner op school gepest en de buren van eiser zijn homofoob. Eiser heeft samen met zijn partner Cuba verlaten, omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt en zijn partner voor de aankomende vier jaren niet meer kan werken.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen als ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2) eiser is homoseksueel;

3) de problemen vanwege de geaardheid van eiser.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst alsmede over zijn homoseksuele geaardheid en de problemen die hij vanwege zijn geaardheid heeft ondervonden, geloofwaardig geacht.

De door eiser ondervonden problemen worden echter onvoldoende zwaarwegend geacht. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielrelaas voldoende zwaarwegend is om te worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Zo is het onderzoek van verweerder onzorgvuldig geweest, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de slechte feitelijke positie van LHBT-ers in Cuba. Hiertoe verwijst eiser naar Austrian Centre for Country of Origin and Asylum Research and Documentation (ACCORD), ‘Cuba: Travel Regulations and Civil and Political Rights, COI Compilation’, van augustus 2017; een artikel van de website Cubanet van 3 juni 2014 en US Department of State, ‘Country Report on Human Rights Practices 2016 – Cuba’, van 3 maart 2017. Bovendien is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op het individuele relaas van eiser.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. De rechtbank stelt voorop dat geloofwaardig is geacht dat eiser homoseksueel is en problemen in zijn land van herkomst heeft ondervonden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het asielrelaas van eiser voldoende zwaarwegend is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

7.1.

De rechtbank overweegt dat homoseksualiteit in Cuba niet bij wet strafbaar is gesteld. Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar algemene landeninformatie waaruit blijkt dat de situatie betreffende LHBT-ers in Cuba de laatste jaren aanzienlijk is verbeterd. Onder leiding van de dochter van de huidige president, Mariela Castro, vindt een langzame seksuele revolutie plaats. In Havana heeft een conferentie plaatsgevonden met betrekking tot LHBT-ers waaraan verscheidene Latijns-Amerikaanse landen hebben deelgenomen. Bovendien verbiedt de wet discriminatie op grond van seksuele oriëntatie bij werk, huisvesting, staatloosheid en toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. De overheid financiert geslachtsveranderingen en pride-marches. Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de situatie voor LHBT-ers in de praktijk verbetering behoeft en dat discriminatie nog steeds voorkomt, volgt hieruit niet dat LHBT-ers uit Cuba op basis van hun geaardheid als zodanig reeds zijn aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of om die reden bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Ter zitting heeft eiser nog een beroep gedaan op de ‘Bijlage: beoordelingen vijfde tranche’ bij de brief van verweerder over de uitbreiding van de lijst veilige landen van herkomst van 24 april 2017 aan de Tweede Kamer en de brief van 22 februari 2018 van het COC aan verweerder. Deze brieven maken het voornoemde standpunt echter niet anders. Bovendien had eiser eerder dan pas op zitting een beroep op deze stukken kunnen doen. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke positie van LHBT-ers in Cuba.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), merkt verweerder discriminatie aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Niet is gebleken dat hier in het geval van eiser sprake van is. Eiser is niet uitgesloten van huisvesting of onderwijs en niet is gebleken dat hij vanwege zijn geaardheid geen toegang heeft gehad tot de arbeidsmarkt. Hoewel eiser moeilijkheden op de arbeidsmarkt heeft ervaren, heeft hij sinds 2011 gewerkt en is niet gesteld noch gebleken dat hij problemen heeft gehad als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid. Bij hotel [hotel 1] heeft eiser ontslag genomen omdat hij geen vaste werkplek kreeg en bij hotel [hotel 2] heeft hij noodgedwongen na orkaan Irma zijn werkzaamheden moeten neerleggen. Op het moment van eisers vertrek uit het land van herkomst was onduidelijk of eiser zijn werkzaamheden bij het laatstgenoemde hotel zou kunnen hervatten. Eiser is weliswaar negatief bejegend door medeburgers en collega’s vanwege zijn geaardheid, maar niet is gebleken dat de discriminatie van dien aard is geweest dat zijn leven als gevolg hiervan onhoudbaar is geworden. Zo heeft hij verklaard dat hij persoonlijk nooit problemen heeft ondervonden met medeburgers of zijn buren. Als de neefjes van de partner van eiser psychische problemen hebben omdat zij gepest worden vanwege de homoseksuele geaardheid van eiser en zijn partner, zijn deze problemen niet aan te merken als persoonlijke problemen van eiser zelf. Deze gedragingen waren immers niet tot eiser zelf gericht. Van belang is voorts dat eiser openlijk voor zijn homoseksuele geaardheid is uitgekomen, twee relaties heeft gehad en inmiddels al tien jaar een relatie heeft zonder daarbij ernstige problemen te hebben ondervonden. Door zijn eigen familie en de familie van zijn partner is eisers homoseksuele geaardheid geaccepteerd. Van eiser mag bovendien verwacht worden dat hij bij voorkomende problemen zoals discriminatie op de werkvloer de bescherming van de autoriteiten inroept. Eiser heeft dit nagelaten, wat hem kan worden aangerekend, nu niet op voorhand is gebleken dat de autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn homoseksuele geaardheid in de bijzondere, negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Weliswaar is eiser meerdere keren op een dag staande gehouden en een nacht op het bureau van [plaats 2] vastgehouden, maar niet is gebleken dat deze gebeurtenissen geen op zichzelf staande incidenten betroffen. Eiser is nooit voor langere periode vastgehouden en is zonder voorwaarden weer vrijgelaten. Dat uit openbare bronnen zou blijken dat de Cubaanse politie plekken aanpakt die bekend staan als homo-ontmoetingsplaatsen, wat hier verder ook van zij, is voor de situatie van eiser niet van belang nu hij niet heeft verklaard dat hij is opgepakt omdat hij met andere homoseksuelen op straat is samengekomen. Van eiser mag bovendien verwacht worden dat hij de bescherming van de (hogere) autoriteiten inroept. Eiser heeft verklaard dat hij geen bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen de staande houdingen of de ophouding. Dat eiser bij de ombudsman zijn beklag heeft willen doen maar hem hier verteld is dat hij onvoldoende grond had om te klagen nu de autoriteiten de bevoegdheid hebben om iemand 24 uur vast te houden, betekent immers nog niet dat het instellen van bezwaar of beroep bij voorbaat kansloos is.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM als gevolg van de omstandigheid dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Dit risico blijkt niet uit de algemene bronnen waarnaar eiser heeft verwezen. Eiser heeft het alleen van horen zeggen dat uitgeprocedeerde asielzoekers in Cuba direct bij aankomst worden aangehouden door de politie. Zo verwijst de gemachtigde van eiser op zitting naar het contact dat hij met mr. W. Blaauw heeft gehad, waarbij hij van hem heeft vernomen dat diens cliënt na aankomst op de luchthaven meteen gedetineerd is. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens contact opgenomen met VluchtelingenWerk Nederland, die aangaf dat een cliënt van mr. S. Sewnath ook direct na aankomst in Cuba is opgepakt. Eiser heeft het beroep op de genoemde zaken van de andere gemachtigden echter niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank de bijzonderheden in en de voorgeschiedenis van deze zaken niet kent. Niet is derhalve gebleken dat deze vreemdelingen na terugkomst zijn gedetineerd noch waarom zij zouden zijn gedetineerd. De stelling van de partner van eiser ter zitting dat de moeder van eiser een tweetal brieven van de politie heeft ontvangen, waarin staat dat eiser alle rechten als burger van Cuba kwijt is omdat hij het land heeft verlaten, maakt dit ook niet anders. Nog daargelaten dat eiser deze brieven niet heeft overgelegd, kan van een kopie de echtheid van het origineel niet worden vastgesteld. Overigens wijst de rechtbank erop dat deze omstandigheid voor het eerst op zitting naar voren is gebracht. De rechtbank ziet niet in dat eiser dit niet eerder had kunnen inbrengen.

7.5.

Ter zitting voert eiser aan dat de behandeling van de zaak aangehouden moet worden in afwachting van het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2018, nu er geen Algemeen Ambtsbericht ten aanzien van Cuba is en een uitspraak van de Afdeling omtrent de positie van LHBT-ers in Cuba ontbreekt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de behandeling van het beroep in deze zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling. Dat er nog geen Afdelingsjurisprudentie met betrekking tot LHBT-ers uit Cuba of algemeen beleid is, wil nog niet zeggen dat de rechtbank het beroep van eiser niet kan beoordelen. De rechtbank benadrukt dat iedere zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat het feitencomplex in de zaak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2018 verschilt van dat van eiser. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.