Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4691

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
NL18.2625
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, termijnoverschrijding indiening gronden vanwege verstoring digitale systeem rechtspraak, registratie Eurodac, intentie vreemdeling om door te reizen, gelijkheidsbeginsel, interstatelijk vertrouwensbeginsel, afhankelijkheid van broer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2625


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2626, plaatsgevonden op 27 februari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij heeft op 19 oktober 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Italië geen asielaanvraag heeft ingediend en dat zijn vingerafdrukken slechts zijn afgenomen vanwege de veiligheid (strafrechtelijk belang). De vermelding in Eurodac is dan ook onterecht. Eiser heeft nooit de intentie gehad om asiel aan te vragen in Italië, nu Italië slechts een doorreisland was. Vele duizenden asielzoekers reizen via Italië naar andere Europese landen. Eiser ziet dan ook niet in waarom hij wordt overgedragen aan Italië, terwijl hij in dezelfde omstandigheden verkeerde en dezelfde reisroute had als andere asielzoekers die niet worden overgedragen aan Italië. Voorts voert eiser aan dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de opvang en faciliteiten voor eiser als asielzoeker in Italië volstrekt onder de maat zijn. Hiertoe verwijst eiser naar de volgende rapporten die hij reeds bij zijn zienswijze heeft overgelegd:

- Amnesty International, ‘Amnesty International Report 2016/2017 – The State of the World’s Human Rights – Italy’, van 22 februari 2017;

- Asylum Information Database, ‘Country Report: Italy. Update 2016’, van februari 2017;

- US Department of State, ‘Country Report on Human Rights Practices 2016 - Italy’, van 3 maart 2017;

- Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH), ‘Reception conditions in Italy: Report on the current situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy’, van augustus 2016;

- Integrated Regional Information Network, ‘Italy’s migrant reception system is breaking’, van 15 juni 2017.

In dit verband verwijst eiser ook naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7768). Volgens eiser bestaat er bij terugkeer naar Italië een reëel risico op refoulement althans heeft zijn asielaanvraag minder kans van slagen in Italië dan in Nederland. Tot slot betoogt eiser dat hij wegens zijn slechte medische situatie afhankelijk is van de hulp van zijn in Nederland wonende broer en terecht een beroep heeft gedaan op artikel 16 dan wel artikel 17 van de Dublinverordening.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt omtrent de ontvankelijkheid van het beroep.

5.1.

Het beroepschrift van 6 februari 2018 bevatte niet de gronden van het beroep. Bij bericht van 8 februari 2018 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op het verzuim gewezen en verzocht dit uiterlijk op 15 februari 2018 te herstellen. In dit bericht staat tevens vermeld dat de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk kan verklaren indien dit niet op tijd geschiedt. De gegeven termijn is verstreken zonder dat de gronden van het beroep zijn ingediend. Eerst op 16 februari 2018 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het beroep aan het digitale dossier toegevoegd.

5.2.

In artikel 8 van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht (hierna: het Besluit) is bepaald dat, indien op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot een digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties, een daardoor veroorzaakte overschrijding van die termijn verschoonbaar is indien het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken van een verschoonbare reden als bedoeld in artikel 8 van het Besluit voor het overschrijden van de termijn. De rechtbank stelt vast dat op 15 februari 2018 inderdaad sprake is geweest van een verstoring van het digitale systeem van de rechtspraak, te weten onderhoud aan Mijn Rechtspraak-Bestuursrecht van 15 februari 2018, 18.30u tot 16 februari 2018, 08.45u en onderhoud aan Mijn Rechtspraak en het digitale loket Rechtspraak van 15 februari 2018, 19.00u tot 16 februari 2018, 08:45u waardoor inloggen met advocatenpas niet mogelijk was. De verstoring, waaronder onderhoud aan het digitale systeem van de rechtspraak is begrepen, is dan ook niet aan eiser toerekenbaar. Bovendien heeft de verstoring plaatsgevonden op de laatste dag van de voor eiser geldende termijn en heeft eiser de eerstvolgende dag, te weten op 16 februari 2018, het bericht met daarin de gronden van het beroep alsnog ingediend.

5.4.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroepschrift ontvankelijk.

6. De rechtbank overweegt als volgt omtrent de door eiser aangevoerde gronden van beroep.

6.1.

Uit het door verweerder op 19 oktober 2017 verrichte onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 28 september 2017 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2441) en van 18 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:75), mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals voormeld Eurodac-resultaat. Daarbij is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom verweerder niet op de informatie uit het Eurodac-systeem kan afgaan. De enkele stelling van eiser dat hij geen asielaanvraag in Italië heeft ingediend maar slechts zijn vingerafdrukken heeft gegeven vanwege de veiligheid (strafrechtelijk belang), acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat het resultaat in het Eurodac-systeem verkeerd zou zijn.

6.2.

Met betrekking tot het standpunt van eiser dat hij niet de intentie had om in Italië internationale bescherming te vragen en dat Italië slechts een doorreisland was, overweegt de rechtbank dat het karakter van de Dublinverordening onverenigbaar is met de opvatting dat de intentie van de vreemdeling bepalend is voor de vaststelling van het voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke land. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden gelegen voor het oordeel dat Italië niet verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.

6.3.

Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel in die zin dat hij aan Italië wordt overgedragen, terwijl andere vreemdelingen die dezelfde reisroute hadden en onder dezelfde omstandigheden verkeerden niet worden overgedragen, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet heeft onderbouwd. Zoals hiervoor reeds is overwogen, blijkt uit het Eurodac-resultaat dat eiser eerder in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat Italië derhalve verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag. Op die grondslag heeft verweerder Italië dan ook kunnen verzoeken om eiser terug te nemen.

6.4.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende uitspraken, onder meer de uitspraak van 26 november 2015, met zaaknummer 21459/14, J.A. en anderen tegen Nederland en de uitspraak van 9 juni 2016, met zaaknummer 5868/13, S.M.H. tegen Nederland, geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. Het EHRM heeft bovendien overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland. Ook de Afdeling heeft, onder meer in de uitspraken van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971), geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

6.5.

De rechtbank stelt vast dat eiser diverse rapporten, waaronder rapporten die zien op de periode van vóór de genoemde uitspraken van de Afdeling, heeft overgelegd. Deze rapporten geven echter geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan de situatie die reeds is beoordeeld door de Afdeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in de rapporten vermelde problemen die kunnen worden ondervonden bij de toegang tot de opvang of de asielprocedure, niet dusdanig zijn dat deze aan de overdracht aan Italië van Dublinterugkeerders in de weg staan. Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7768) maakt dit oordeel niet anders. Bij uitspraak van 23 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2857) heeft de Afdeling het hiertegen door verweerder ingediende hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Gelet op het voorgaande mag verweerder ten opzichte van Italië in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hierin niet geslaagd.

6.6.

Voor zover eiser van mening is dat Italië zich niet houdt aan Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) in die zin dat hem in Italië geen opvang is geboden en dat de opvang en overige faciliteiten voor asielzoekers in Italië onder de maat zijn, heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802), terecht overwogen dat eiser zich over eventuele problemen dient te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Hoewel eiser stelt dat hij over de slechte situatie in Italië heeft geprobeerd te klagen maar dat dit niet tot enige verbetering heeft geleid, heeft hij dit niet nader onderbouwd. Niet is derhalve gebleken dat de autoriteiten eiser niet zouden kunnen of willen helpen.

6.7.

De rechtbank overweegt dat nu niet aannemelijk is dat Italië jegens eiser de verdragsbeginselen van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), en het EVRM niet zal naleven, er geen grond bestaat om aan te nemen dat Italië eiser zal terugsturen naar Eritrea zonder dat toetsing aan deze verdragen heeft plaatsgevonden. Middels het claimakkoord hebben de Italiaanse autoriteiten bovendien gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Daarom is niet op voorhand sprake van (indirect) refoulement bij overdracht van eiser aan Italië.

7.1.

Eiser voert aan dat hij wegens gezondheidsproblemen afhankelijk is van de hulp van zijn broer in Nederland en dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. De rechtbank overweegt dat artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening onder meer ziet op de situatie waarin een verzoeker vanwege een ernstige ziekte of een zware handicap afhankelijk is van de hulp van een broer die wettig verblijft in een van de lidstaten. Eiser heeft evenwel een kopie van de verblijfsvergunning van [persoon A] overgelegd maar heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat [persoon A] zijn broer is. Bovendien heeft eiser ook de afhankelijkheid van zijn gestelde broer niet aannemelijk weten te maken. Uit het overgelegde afschrift van het medisch dossier blijkt dat eiser last heeft van slaaploosheid en jeuk maar blijkt niet dat hij afhankelijk is van zijn gestelde broer. Uit eisers verklaringen blijkt ook niet dat hij afhankelijk is van zijn gestelde broer. In het aanmeldgehoor heeft hij immers verklaard dat hij op dat moment al drie maanden niet meer met zijn broer heeft gesproken. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiser op artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening niet.

8.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder in individuele gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, indien eiser op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt.

Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.

8.2.

Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 7.1. is overwogen, overweegt de rechtbank dat verweerder in de omstandigheid dat eiser naar hij stelt na vele jaren zijn broer weer heeft teruggevonden en dat hij zijn broer nodig heeft om zijn trauma’s te verwerken geen aanleiding heeft hoeven zien om de humanitaire clausule van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen. Wat betreft de door hem aangevoerde medische omstandigheden overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar een afschrift van zijn medisch dossier, foto’s en een afspraakkaart met het Gza heeft overgelegd maar dat uit deze stukken niet blijkt dat eiser onder specialistische behandeling staat noch dat hij momenteel medicijnen gebruikt. Als uitgangspunt heeft bovendien te gelden dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Hij is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Italië geen medische behandeling zal kunnen verkrijgen. In de door eiser gestelde medische problemen heeft verweerder dan ook geen grond hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.